Een jongh en aerdigh paer, een weynigh tijts geleden,
Was, na een langh gevry, in echten staet getreden.
De tijt doet haren gangh, de bruyloft is gedaen,
De vrienden zijn verreyst en hares weeghs gegaen.
5 De nieu-gepluckte bloem, niet lange na de dagen
Dat sy den maeghde-krans niet meer vermocht te dragen,
Die nam haer nieuwen vrient soo wat ter zijden af,
Daer sy hem ondergingh 2) en dese lesse gaf:
"Phileta (sooje weet) wy zijn nu echte lieden,
10 En moeten by gevolgh verschil en onlust vlieden;
De vreed' is voor de vrou, en even voor de man,
Het beste dat men oyt ten echte brengen kan.
Ick wil in dit beleyt mijn kracht en jonge leden,
Ick wil tot ons gemack mijn gansch vernuft besteden;
15 Ghy, tracht, gelijck als ik, tot ons gemeene rust,
Soo wert ons 't huysgesin tot enckel herten-lust.
Wel aen nu, tot een gront van dit geluckig leven,
Wil ick, tot uw bericht een nutten regel geven,
Ick bidde let 'er op. Want sooje dat betracht,
20 Soo wort ons gansch bedrijf in goeden stant gebracht:
Ick heb een selsaem hooft, en dickwils losse vlagen,
Die somtijts verre gaen, en niet en sijn te dragen;