1) het en (= ontkenning) 2) stand, waardigheid

[p.39]

8. DIE WEL EER TE HOOGE VLOGEN,

VONDEN SICH WEL LICHT BEDROGEN.

Een arent als hy honger krijght,

En uyter hooghten neder-sijght,

En vint een schilt-padt of een sleck,

Die grijpt hy veerdigh metten beck,

5 En voert hem, door een snelle vlucht,

Tot boven in de blaeuwe lucht,

Soo steyl en uytter-maten hoogh

Als immer draeght een menschen oogh.

Een die het spel van onder siet,

10 En weet de rechte gronden niet,

Die hout 1) gewis in sijn gemoet

Dat hy de schilt-padd' eere doet;

Doch staet hy maer een weynigh stil,

Dan siet hy waer het henen wil:

15 Want siet, die, mits sijn hoogen stant,

Sach onder hem het gansche lant,

En was daerom geweldigh trots,

Die komt daer vallen op een rots,

En breeckt dan op den harden steen

20 En huys, en huyt, en hals, en been:

Soo dat hy weder over-geeft

Al wat hy oyt gesopen heeft,

En wort dan, in het openbaer,

Tot spijse van den adelaer.

25 Hoe menigh wort 'er by het Hof

Genomen uyt het laege stof,

En hoogh getogen in de locht,

Op dat hy laeger vallen mocht:

Die hooger klimt als hem betaemt,

Jacob Cats · 第 30 / 86 题