[p.23]
Hoe dat hy meer de stricken voelt,
Daer hyght, en tiert, en sucht de leeuw,
En maeckt een bijster vreemt geschreeuw,
En huylt byna een ure lanck,
60 Tot Echo gaf een wederklanck;
Maer niemant quam het dier te baet,
En daerom weet hy geenen raet.
De muys, die door de bossen liep,
En in het groen haer vreughde schiep,
65 Verneemt ten lesten dit getier.
En na het scheen, sy kent het dier;
Sy quam daer sy den handel 1) sagh,
En hoe de leeuw gevangen lagh,
Ja, over al soo vast geset,
70 Gelyck een mugh in 't spinne-net;
De muys des echter niet-te-min,
Die komt 'er by en springht 'er in,
En knaeght met soo een stage vlijt,
Dat sy de leeuw, in korten tijt,
75 Maeckt van de strenge banden vry;
Dies was het beest geweldig bly,
En seyde: muysje, grooten danck!
Ick sal, mijn leve dagen lanck,
U houden voor mijn beste vrient,
80 Want ghy hebt gunst aen my verdient.
De muys die seydt hem weder dit:
O vorst! die al het Wout besit,
Leert nu van my op desen dagh,
Dat oock een muys u baten magh;
85 En mits ghy desen handel siet,
Veracht de kleyne dieren niet!