1. VAN DEN LEEUW EN MUYS.

't Is onlanx dat een kleine muys,

Gekropen uyt haer duyster huys,

Quam loopen in een lustig dal,

En daer ontmoet haer dit geval:

5 Sy, en haer mackers wel gevoedt,

Die sprongen met een bly gemoedt,

Die sprongen hier dan weder daer,

En maeckten wonder groot gebaer.

Een spronck'er op een moedigh beest,

10 Dat oock by menschen is gevreest,

Een dier dat dieren koninck hiet,

En over al het wilt gebiet;

Een leeuw, al lagh hy vast en sliep,

En in de rust vermaken schiep,

15 Wert door het dertel spel geweckt,

En schoon al lagh hy 1) uytgestreckt,

Soo was hy echter byster gau,

Hy greep het muysjen met de klau,

Hy neep het met syn felle poot;

20 Siet daer het beesjen in den noot,

En t'wyl het beesjen leyt en sucht,

Zyn al syn mackers wech gevlucht;

Het dier dat niet en kan ontgaen,

Dat leyt' et op een bidden aen

Jacob Cats · 第 10 / 86 题