Dit boekje wil vooral trachten, Jacob Cats als _dichterlijk
verteller_ te doen kennen. Dit is een van de twee typische
eigenschappen van dien zeventiende-eeuwer: hij kon zijn publiek een
leuk, boeiend verhaal opdisschen en hij kon het ook gemoedelijk,
begrijpelijk betuttelen. En dat was juist voor een Hollandsch
publiek van die tijden, wat het verlangde. Het had geen kranten, het
had geen salons, het hield geen vergaderingen; het had enkel zijn
Bijbel en zijn dominees. En als de gedachten van het kerkelijk leven
en het leven-hiernamaals eens wilden wegdwalen, dan lag daar Vader
Cats, en die gaf een spreuk, of een les, of een middel tegen
buikpijn, of een goeie-raad-voor-op-reis, of een waarschuwend woord
voor een vrijster; maar .... jonge-jonge, hij gaf ook veel
_verhalen_, uit ouwe tijden, van verre volken, over vreemde landen,
onbekende oorden; of, de oolijkerd, die hij was, hij had iets
gehoord, dat in Den Haag of Amsterdam was voorgevallen, nog niet zoo
lang geleden ... en daar was al over gefluisterd. Maar 't ware
wisten de goeie menschen niet. Was het pikant, was het om te lachen,
of om te huilen? Nee maar, Cats zou 't ze wel 's eventjes aan den
neus hangen! Och, ons land was toch zoo klein in die dagen: zoo'n
echte, gezellige, huiselijke kring met 'n heeleboel kinderen. En
daar waren stoute bengels en nesten van meiskens bij. [p.8] Ja, die
durfden wel 's wat! Zoo'n bengel schaakte wel 's 'n meisken, of hij
deed net, alsof ie zich ging verdrinken, omdat ze 'm had afgewezen,
en dan nam ze 'm toch!
Cats was ontzettend belezen, en hij had, voor een
zeventiende-eeuwer, nog al aardig wat van de wereld gezien. Geen
wonder, dat hij volstrekt niet met den mond vol tanden stond, als
hij iets ging vertellen; o neen! Hij maakte het zelfs wel eens wat
lang van nat. Hij kon zijn onderwerp wel 's uitputten, wel 's drie
keer doorzagen en dan inzouten!
Maar dat komt ons allemaal zoo voor. Geloof toch niet, dat Cats'
tijdgenooten dat ook vonden! Die menschen leefden in lang zoo'n
razende snelheid niet als wij tegenwoordig. Wij stappen in Amsterdam
of den Haag op den trein en reizen naar Groningen of Arnhem of
Breda, doen daar de zaken af en keeren nog op denzelfden dag naar
huis terug. En onderwijl is ons halve vaderland onder onze voeten
weggerold, en hebben we boomen en huizen, en wegen en dorpen en
steden aan onze kijkglazen zien voorbij rennen; Ja, 't duurt niet
lang, of je _vliegt_ letterlijk eventjes van Amsterdam naar Londen
heen en weer op één dag. En als we willen, _schrijven_ we in drie
uur tijds naar de uithoeken van de wereld en _spreken_ we met onze
Fransche of Duitsche of Engelsche naburen. Wij menschen van de
twintigste eeuw beleven in één maand evenveel als die van de
zeventiende eeuw in tien jaren! Op een dergelijke wijze ongeveer
moeten we redeneeren, als we een figuur als Cats en andere mannen
van zijn tijd willen begrijpen. Dat hebben _Potgieter_ en _Busken
Huet_ niet gedaan en daarom kon hun oordeel over hem zoo hardvochtig
wezen. Werkelijk, zij zagen en [p.9] voelden de zeventiende eeuw anders:
Potgieter vooral -- zie maar zijn Rijks-Museum -- zag ons volk als
het hard-werkende, hoog-strevende, ver-reikende koopmansvolk, dat
zijn eigen land-en-zand had gemaakt tot een republiek van steen en
staal, met kerels als Frederik Hendrik en Johan de Witt en Michiel
de Ruyter ... En Busken Huet vond, dat Cats al te zeer een
doodgewone praatvaâr was, die pret had in gesmoezel en platte jok
....
Cats, die zoo ontzaglijk knap en geleerd was, die zoo vele talen
kende, die zoo'n duivelsch-handige advocaat was, die zoo goed de
fortuin bij haar slippen kon grijpen -- hij verdiende veel geld met
inpolderen -- Cats wist, dat hij het oor van zijn volk alleen zou
hebben, indien hij in de taal van dat volk zou spreken; hij kon net
zoo goed wel als Vondel of Hooft of Huygens of wie dan ook draven op
den Latijnsch-klassieken trant, maar hij verkoos de eenvoudige
manier van zeggen, "deselve meest overal ghelyck makende met onse
dagelickse manier van spreken."
Wij kennen Cats' leven vooral uit zijn autobiografie, die hij
schreef op hoogen leeftijd: het gedicht "_Twee en tachtigh-jarigh
leven_, van zijn geboorte af tot zijn dood toe, aen desselfs
veertien kints-kinderen, dienende tot naricht van dezelve," een
goeie drie duizend alexandrijnen. Na een moraliseerenden aanhef
volgen dan mededeelingen over zijn geboorteplaats:
Daer is een Zeeusche stadt, men noemtse Brouwershaven,
Daer heeft een vrouwen borst my eerst bestaen te laven.
Een standbeeld heeft men er te zijner eer opgericht. Maar lang is
Cats er niet gebleven, want zijn moeder stierf weinig jaren na zijn
geboorte -- 10 November 1577 [p.10] -- en zoo kwamen de kinderen in huis
bij een oom te Zieriksee. Het onderwijs beteekende niet veel:
Ons meester was een man gantsch kluchtigh in manieren.
Maar door eigen vlijt en met hulp van zijn flinke tante kwam hij er
toch wel; ja zelfs hield hij nog wat tijd over voor poëzie:
Ick was oock even toen tot dichter seer genegen.
Maar ... het liefst schreef Cats Latijnsche poëzie, totdat "een
eerbaer jongelingh", uit Brabant afkomstig, hem er op wees, liever
zijn eigen taal te gebruiken, welken raad Cats trouw ter harte heeft
genomen. Op zijn vijftiende of zestiende jaar trekt hij nu als
student naar Leiden, waar hij in de rechten ging. En nadat hij daar
van zijn "doen veel preuven had gegeven" ging hij op reis en
promoveerde te Orleans:
Ick ginck tot Orliëns my eerst ter neder setten,
Daer ick meest besigh was ontrent de Roomsche wetten,
Tot dat ick brieven kreegh daer meed' ick wierd vereert,
Als die in 't Keyser recht nu scheen te zijn volleert.
Daar in Frankrijk heeft Cats zijn vloeiend Fransch spreken geleerd,
dat hem later zoo te pas zou komen als diplomaat.
Drie groote perioden zijn er nu in zijn leven te noemen: die van
practiseerend advocaat, van gelukkig inpolderaar-en-landbouwer en
van plooibaar staatsman. Zijn meesten roem heeft hij zeker geoogst
als advocaat: in den Haag wist hij o. a. een vrouw uit Goes vrij te
pleiten van hekserij. Afmattende koortsen dwongen hem herstel te
zoeken in andere lucht en een reis naar Engeland volgde nu. Daar
leerde hij kennis maken met de piëtisten. Maar zijn kwaal was nog
niet genezen [p.11] toen hij weer den vaderlandschen grond onder de voeten
had. En ten einde raad begeeft hij zich nu naar een alchimist, die
... ginck met Rynssen wijn een seltsaem poeyer mengen.
Dit "rosse poeyer" zal waarschijnlijk kinine geweest zijn:
De koortse was van my te poste wegh gereden.
Op raad van een vriend, den Middelburgschen pensionaris, vestigde
Cats zich nu te Middelburg, waar tengevolge van de kaapvaart
talrijke processen gevoerd werden. Hier gaat hij ernstig over
trouwen denken. Een aardig meisje, in de Fransche kerk ontdekt,
wordt zijn verloofde, maar haar vader sloeg bankroet, en toen zij
naar Amsterdam vertrok, vergat hij haar maar! Weldra valt nu zijn
oog op Elisabeth van Valckenburg en met haar heeft hij een
gelukkigen, ofschoon geen langen echt. Veel verdriet berokkende hem
ook de vroegtijdige dood van eenige kinderen, maar vooral:
Als Godt myn outste soon liet uyt het leven rucken,
Toen voeld' ick aldermeest mijn droeve ziel verdrucken.
Met het sluiten van het Bestand was Cats' grootste werkzaamheid als
advocaat gedaan en ging hij geld verdienen als inpolderaar en
landbouwer. Dit heeft zeer zoete winstjes opgebracht. De bedijkingen
in Staats-Vlaanderen veroorloofden hem tenminste den Munnikenhof
onder Grijpskerke te koopen; daar heeft hij zijn gelukkigste
zomersche dagen gesleten. Evenwel, toen de oorlog voortgezet werd,
moesten vele van de drooggelegde gronden weer onder water gezet, en
zoo hielden deze inkomsten op. Een professoraat in de rechten te
Leiden Cats aangeboden -- zijn roem als rechtsgeleerde was nog niet
vervlogen! -- lachte hem [p.12] zeer toe; doch zijn vrouw drong er ten
sterkste op aan, dat hij een ander aanbod, kort daarna gedaan, zou
aanvaarden: het ambt van pensionaris in de stad zijner inwoning.
Hiermede brak Cats' derde periode aan, die van staatsman, waarmede
hij zich het best kon verzoenen, maar die hem den minsten roem heeft
bezorgd. Reeds twee jaar later gewerd hem het schitterende aanbod
van Dordrecht: Hollands eerste en oudste stad. Hoe ongaarne Cats en
zijn vrouw ook Zeeland verlieten, dit konden ze niet afslaan, want
Dordt was _de_ stap naar 's Lands Vergaderzaal!
Zoo reist Cats in 1627 als buitengewoon gezant naar Engeland en
wordt in 1629 en in 1634 tijdelijk geroepen tot den hoogsten post in
de Republiek: _Raadpensionaris van Holland_. Voorgoed is hij het van
af 1636 gebleven tot 1651, na Oldenbarneveldt en vóór de Witt, zoo
week als was in de handen van Frederik Hendrik en diens zoon Willem.
Na zijn aftreden heeft Cats nogmaals een gezantschap in Engeland
geleid vóór Cromwell, zonder veel resultaat. En zóó was hij op eer
en aanzien gesteld, dat hij in 1655 nog als 78-jarig grijsaard
probeerde tot Raadsheer in het Hof van Holland benoemd te worden. De
rest van zijn leven, tot 12 September 1660, heeft Cats nu gesleten
op zijn land goed Sorghvliet, dat hij sinds 1642 in de duinen
tusschen den Haag en Scheveningen had laten aanleggen. De
autobiografie eindigt met een gebed, dat men hem moest voorlezen aan
zijn sterf bed ...
In de Kloosterkerk aan 't Voorhout wijst een opschrift op een der
pilaren 's dichters laatste rustplaats aan.
Van den dichter .... we hebben zijn leven geschetst, en over zijn
poëtische verpoozingen nog weinig gezegd, [p.13] en toch is zijn leven van
advocaat, van landbouwer, van staatsman er zoo heelemaal van
doorsponnen. Hoewel hij eerst na zijn veertigste jaar met zijn
verzen voor den dag kwam, n.l. met zijn beide bundels emblemata:
_Maechden-plicht_ en _Sinne- en Minne-Beelden_, lag zijn eerste
oefeningstijd in de edele rijmkunst reeds ver achter hem; hij
schrijft tenminste:
Ick was oock even toen tot dichten seer genegen,
En door een buyte-kans heb ick de lust gekregen.
Wij zeiden reeds, dat een vriend hem terechtwees:
Een eerbaer jongelingh, uyt Brabant daer 1) gekomen,
Had in een ander school de dichtkunst aangenomen,
Die heeft de gront geleyt van waer ick vorder quam,
En op Parnassus Bergh allencxen hooger klam.
Cats had eerst "menigh vers in Roomsche tael geschreven," maar
gelukkig bracht die Brabander hem er toe, het nu in zijn moedertaal
te doen.
En in de Zeeusche tael kreegh ick een nieu vermaeck.
Nu, zijn Sinne- en Minne-Beelden waren dadelijk raak: ze troffen --
met de platen van _Adriaan van de Venne_ en anderen -- het publiek
niet alleen door hun kortheid, hun ernstigen levenskijk, maar ook
door hun geestige toepasselijkheid in het minnelijke -- dat is de
liefde betreffende --, in het zedelijke en in het godsdienstige. Één
plaat op drie wijzen uitgelegd, hoe vond Cats het! Ik wijs even op
het plaatje van den Seylsteen -- den magneet -- waarvan de kracht op
ijzer zelfs niet vermindert door een tusschenschot en zoo dus
vergeleken kan worden met de liefde: zij doet [p.14] den geest "ontrent de
liefste dwalen," al is men door "zee, rotsen ende dalen" ook
gescheiden van elkander. De magnetische kracht wordt in het tweede
gedichtje vergeleken bij die van God, die een "schuldich hert oock
uyt het duyster trecken" kan, al bedekt men zijn kwaad gemoed. En in
het derde gedichtje wordt de aantrekkingskracht tusschen de ziel en
haar God geschetst, de hemel-zelf komt door "bedeckte wegen" over
den mensch.
Maar het wordt tijd, dat we ons uitsluitend bezighouden met +Cats'
Verhalen+. Het aardigst zijn dan een zestal fabels in den bundel
_Mengeldichten_, waarin de poëzie, verschenen na de Sinne- en
Minnebeelden en vóór het Houwelick, is bijeengegaard. Van die
"Leersame Fabulen" kozen wij er vier: 1°. die _Van den leeuw en
muys_, het overbekende verhaal, waarin de muis uit dankbaarheid, dat
ze werd losgelaten door den leeuw, later dezen bevrijdt, door het
net stuk te knagen, waarin hij gevangen was; 2°, die _Van de muys en
kickvors_, het koddig gevecht tusschen die twee, hoe ze door een
wouw opgepakt worden en tot voedsel aan zijn jongen gegeven; 3°. die
_Van een pompoen en eycke_, het verhaal van een dommen boer, die
maar niet begrijpen kan, hoe geweldige vruchten als pompoenen aan
zulke zwakke stengels groeien en hoe geweldige boomen als de eik
zulke nietige vruchtjes voortbrengen. Maar juist valt zoo'n eikel
van een heele hoogte en maakt een put in zijn hoed, en nu begrijpt
de kinkel, dat hij zonder hoed wel eens leelijk getroffen had kunnen
zijn; 4°. _Van het riet en eycke-boom_, waarin de eik om opheldering
vraagt, wijl hij door den stormwind is neergesmakt en ontworteld en,
met den stroom meedrijvende, het zwak en tenger riet ziet, dat
ongedeerd aan den oever staat.
[p.14_illustratie]
[Illustratie: BRIEF VAN JACOB CATS AAN HUYGENS.
(Naar een photographie.)]
[p.15]
De wijsheid van het riet: buigt u, dan wordt ge niet gedeerd door
het onweer, is natuurlijk iets ongehoords voor den eik. Voor Cats
was het dat evenwel volstrekt niet!
Dan verschijnt in 1625 dat reusachtige gedicht van meer dan
tienduizend verzen, het "Houwelick, dat is: het gantsche beleyt des
echten-staets; afgedeelt in ses hooft-stucken, te weten: Maeght,
Vryster, Bruyt, Vrouwe, Moeder, Weduwe, behelsende mede de
mannelicke tegenplichten." Daar hebben de meisjes en vrouwen uit
zijn tijd heel wat uit kunnen leeren: vol van practische
levenswijsheid, en een schat van spreuken, en dat alles toegelicht
en opgeluisterd met toepasselijke verhalen, van vroeger en later
dagen bijeengegaard. Wij hebben er hier twee gekozen, en wel
_Celadon en Galathee_ uit het vierde deel: Vrouwe, en _De
wolfsjongen_ uit het vijfde deel: Moeder. Galathee is door Tunische
zeeroovers aan het strand van een arkadisch landschap opgelicht en
aan boord gebracht. En haar man, de herder Celadon, die dit met
grooten schrik van uit de verte bemerkt, terwijl hij zijn vee hoedt,
begint te jammeren; hij smeekt, dat ze hem óók mee zullen nemen. De
roovers voldoen ten slotte aan zijn verlangen, als hij zich in de
golven heeft geworpen en naar de boot zwemt, waarmee ze Galathee
wegbrengen. Hij biedt aan, samen met haar te worden gebonden, en als
het schip de haven van Tunis binnenvalt, wordt de koning zoo geroerd
door dit voorbeeld van huwelijkstrouw en echtelijke gehechtheid, dat
hij ze de vrijheid hergeeft, en Celadon benoemt tot zijn hoftrawant,
in welken staat hij 't heel wat beter heeft dan als herder.
Den wolfsjongen ontdekt men op een jacht: een [p.16] wolvin wordt
verdedigd door een wild-opgegroeiden harigen jongen en, als men hem
goed beschouwt, is hij het kind, dat jaren geleden verloren was door
een arm vrouwtje. Gezoogd door de wolvin, kent hij natuurlijk geen
taal, eet niet anders dan bloederig, rauw vleesch, en het duurt heel
lang, tot men weer wat menschelijks van hem maken kan. Alsdan is hij
geschikt voor veehoeder, want geen enkel wild dier zal de kudde
aanvallen, die hij bewaakt: invloed van zijn wolvenopvoeding!
Dit verhaal diende vooral, om jonge moeders aan te sporen, toch
vooral zelf haar kinderen te zoogen, want van anderen kunnen ze zoo
gemakkelijk leelijke eigenschappen met de moedermelk in zich
opnemen.
In 1632 verscheen een nieuwe bundel zinnebeelden van Cats' hand met
vele aardige plaatjes: "Spiegel van den Ouden ende Nieuwen Tijt,"
een geweldige verzameling van lessen en spreuken op _allerlei_
gebied, men kan het zoo vreemd of zoo gewoon niet bedenken. Hier
stond nu letterlijk alles in: dit was huis en kerk, school en krant,
schoolmeester en dokter, handleiding voor op reis en voor de jacht,
voor etiquette, voor zaken, voor het beleggen van renten, voor
sollicitanten naar alle mogelijke ambten; ook een gezondheidsleer en
een volledige medicijnkast voor mensch en dier bevatte deze bundel;
kortom, het was de _encyclopaedie voor het huisgezin_, de vraagbaak
voor iedereen op elk gebied. Duizendvoudig weerkaatste zich hierin
de wereld, en het is vooral hieruit, dat velen zich de korte en
kernachtige gezegden te binnen roepen, die passen op de
omstandigheden. Veel verhalen vindt men hierin niet, maar enkele
aardige parabels treft men b.v. aan in het derde deel, zooals van
den _ezel_, die hoort dat [p.17] hij naar het hof moet en denkt 't werk te
mogen doen van een paard en ten slotte toch maar weer ... zakken te
dragen en schoppen krijgt; verder die van den _schildpad_, zoo
trotsch omdat een arend hem meeneemt hoog in de lucht, maar ... op
de rots te pletter wordt gesmeten en opgegeten; dan van een _mug_,
die hoe nietig ook, toch den fieren en geweldigen leeuw wel in het
oog steekt en hem zoodoende groot ongemak bezorgt; ten slotte van
_Krepel_, die met zijn kreupel been en paardenvoet notabene
vooropgaat, als de jongelieden oprijzen voor den dans.
Toen in 1637 Cats' Trou-Ringh verscheen, die eigenlijk heette: "'s
Weerelts begin, midden, eynde, besloten in den Trou-Ringh, met den
proefsteen van denselven," was hij door zijn Houwelick en Spiegel al
een zeer populair dichter. Maar zijn berijmde novellenbundel
Trou-Ringh heeft die populariteit nog sterk vergroot. En dat kwam
vooral, doordat Cats hiermee het _romantische hart_ van zijn
landgenooten trof. Het boek is Cats' uitgebreidste werk: tellende
een kleine dertigduizend verzen! Deze Hollandsche Decamerone is
nochtans vele malen op de pers gelegd, en in tienduizendtallen
exemplaren in de zeventiende eeuw verspreid. En dat voor zoo'n
kleine natie als de onze was -- 't is ongelooflijk, maar waar! Cats
heeft zich zelven in dit boek overtroffen: een schat van verhalen,
groot en klein, ernstig of guitig, onschuldig of ondeugend, ja soms
meer dan pikant, van de vroegste tijden, uit den Bijbel of de
klassieke oudheid, uit eigen tijd ook niet te vergeten -- dat was
juist het leukste voor die brave Hollanders: een Zeeuwsch huwelijk
of een Hollandsche historie! -- en ten slotte het "Geestelick
Houwelick." Zoo zien we het boek afgedeeld in vier [p.18] "Stucken", met
vijftien groote novellen en nog een groot aantal kleinere. De
dichter begint natuurlijk met het "Gront-Houwelick", nl. van Adam en
Eva; dan volgt het "Houwelick van Drien", n.l. van Jacob met Leo en
Rachel. Aardig is ook de Maagdenroof der Benjamieten. In het tweede
deel denken we aan het "ongelyck houwelick van Crates en
Hipparchia", anders gezegd een mésaillance; verder aan het huwelijk
uit medelijden door een Italiaansche jonkvrouw, en het huwelijk
tusschen Cyrus en Aspasia. Het derde deel vermeldt o.a. de verdichte
liefdegeschiedenis van Keizer Karel de Groote 's dochter Emma met
zijn secretaris Eginhard; verder die tusschen een Spaansche edelman
en een heidinnetje; dan volgen nog de geschiedenissen van Marcus
Antonius en Cleopatra, en van Rhodopis. In het vierde deel
parafraseert Cats tamelijk wijdloopig het bekende Hooglied van
Salomo. Wij noemden hier maar enkele van de vele. En wij kozen er
vier uit, waarvan er drie nog niet genoemd zijn: het _Soet verdragh
van Philetas en Psyche_, die huwden en, om krakeel te voorkomen, een
uiterlijk kenteeken afspraken, indien de een of de ander niet al te
best gemutst zou zijn; Psyche zou in dat geval haar schortje op zij
hebben hangen, en Philetas de roos op zijn hoed scheef zetten. Dan
kozen we: _Gebreck genesen, om een houwelick te vorderen_, waarin
een hinkende vrijer zóóveel van een meisje houdt, dat hij zich door
een chirurgijn het been laat breken, om het weer goed te krijgen en
alzoo recht van lijf en leden voor zijn aangebedene te verschijnen.
Het verhaal _Hollants Trou-bedrogh_ onlanghs voorgevallen, is van
Leander, die Rosemont bezweert, hem te nemen, anders ... zal hij
zich verdrinken. Zij weigert toch, en hij doet, alsof hij [p.19] zich
verdrinkt! Nu is ze zoo beangst voor zijn leven, dat ze toestemt. En
het _Selsaem trou-geval tusschen een Spaens edelman ende een
Heydinne_, een verhaal geschreven door den beroemden Spanjaard
Cervantes, is de geschiedenis van het dochtertje van een Spaanschen
gouverneur, dat door een oude zigeunerin gestolen wordt en in haar
troep opgroeit, daar natuurlijk allerlei geheime en geheimzinnige
kunsten leert, waarmee ze den kost verdient. Jaren later wordt een
Don verliefd op haar, en wel zóó, dat hij huis en hof en stand
verlaat, om in den zigeunertroep te worden opgenomen. Hij moet nu
een "proeftijd" doormaken, en welk een! Want ook dan is het mooie
"zigeunermeisje" nog niet ten volle gunstig voor hem gestemd. Eerst
als een Murciaansche dame verliefd wordt op hem en door een list hem
in handen der justitie weet te spelen, nadat hij haar gunst
smadelijk heeft afgewezen, ontwaakt de sluimerende genegenheid. En
het eenige middel, om den edelman-zigeuner van den strop te
verlossen, vindt de oude zigeunerin: zij reist naar de ouders van
het eens-geroofde meisje en vertelt hun alles. Dezen, ontroerd en
overtuigd door zekere bewijzen, brengen alles tot een goed einde,
zoodat er heel wat gelukkige menschen opeens worden gemaakt.
Uit Cats' "Ouderdom en Buytenleven" kozen wij nog twee verhalen, die
van _Turani_ en van _De smaragd_. Turani was een Romeinsch
staatsman, die zóó gehecht bleek aan zijn openbare ambten, dat, toen
hem op hoogen ouderdom door den Keizer met veel plichtplegingen werd
aangezegd nu zijn rust maar te nemen, hij zich hield alsof hij
gestorven was, en ook zoo deed! Zoo bereikte hij zijn doel: de
Keizer, die de grappen omtrent het levend-dood zijn van zijn trouwen
dienaar [p.20] niet goed kan hebben, herstelt Turani in al zijn
waardigheden. Wij zagen hierboven reeds, dat Cats wel iets van dien
Turani had, al gaat hij ook te keer tegen menschen, die zoo
vasthoudend zijn aan hun aardsche eer en goed!
De smaragd is het verhaal van een Egyptisch hoveling, die geplaagd
werd door al te veel ... voorspoed en, hiertegen gewaarschuwd door
zijn vorst, zijn prachtigen ring met een smaragd in zee werpt,
tevens verzoekende aan de godin van het geluk, hem nu ook eens
voorbij te gaan. Maar, een visch slokt den ring op, en die visch
komt, heel toevallig, op 's vorsten tafel. Deze legt het uit ten
ongunste van zijn vriend, en verbant hem van zijn hof. En nauwelijks
buiten de grenzen van het rijk, wordt hij gevangen genomen door een
wreeden vijand, die hem laat ophangen. Verlang dus nooit, is Cats'
uitspraak, zoo zeer naar geluk en voordeel, want deze storten een
mensch heel dikwijls "als in een vollen rouw."
Ook in Cats' "Tachtigh-jarige Bedenckingen", op hoogen ouderdom dus
nog geschreven, vindt men een massa kortere en langere verhalen, die
dienen moeten om aan te toonen, hoe men zijn driften en gebreken kan
leeren beheerschen en genezen. Onze keuze zou dus nog aanzienlijk
kunnen worden uitgebreid!
We hopen evenwel, dat wat hier gegeven wordt voor velen een
aanleiding moge wezen, zich eens in den gemoedelijk-romantischen
Cats te verdiepen, zich eens vriendelijk door dien belezen
grootvader te laten betuttelen, omdat hij zoo precies weet, wat en
wie de mensch is, en omdat hij zoo ronduit en zonder er doekjes om
te winden, dit alles zijn lezers onder den neus wrijft!
KAMPEN, Februari 1920. V.