MOEDER EN DOCHTER.

De oude, Friesche klok met haar zware koperen gewichten en ketting

sloeg met metalen klank het achtste uur in den neveligen Octoberavond.

Toen viel, na dien luidruchtigen slag, wederom de stilte in het ruime

vertrek, waar geen geluid werd vernomen.

Want de oude dame, die even het fijnbesneden gelaat ophief om zich

ervan te overtuigen, dat inderdaad het uurwerk op acht stond, boog zich

terstond weer over haar handwerk en borduurde ijverig verder aan de

warme huispantoffels: steekje op, steekje neer.

In het groote, woelige Londen, waar het leven nooit een rustpunt vindt,

waar dag en nacht in enkele wijken aan elkander gelijk zijn geworden;

in die wijde, uitgestrekte wereldstad met haar onmetelijken rijkdom

tegenover de meest schrijnende, wanhopige armoede, was mevrouw de

weduwe Doorneveld van Oudenhoven steeds eenzaam gebleven.

Dit was geheel overeenkomstig haar eigen verlangen en dat van haar

dochter Betty.

Twee jaren woonde mevrouw Doorneveld thans in Engelands hoofdstad—twee

jaren waren heengegaan, sinds vreemde, geheimzinnige gebeurtenissen

haar hadden doen besluiten om met haar eenig kind het geliefde

Amsterdam te verlaten en aan de overzijde van het Kanaal zich te

vestigen.

In Londen hoopte zij vergetelheid te vinden, te verdwijnen in de

menigte, op te gaan in het wereldgevoel.

Haar wensch was in vervulling gegaan.

De eenvoudig ingerichte appartementen in Bakerstreet, waarin de enkele

zware eikenhouten meubelstukken waren geplaatst, waarvan de eigenares

geen afstand had willen en kunnen doen, toen uit het groote heerenhuis

aan de Keizersgracht de kostbare inboedel werd uitgedragen om onder den

hamer te worden gebracht, werden door geen belangstellende kennissen of

vrienden bezocht, die eens wilden kijken, waar de trotsche schatrijke

en beeldschoone mevrouw Doorneveld was gebleven, de vrouw, die

jarenlang in Amsterdams’ groote wereld den toon had aangegeven; wier

avondfeesten en recepties een vermaardheid hadden gehad, wier toiletten

het kostbaarst, wier juweelen ongeëvenaard waren geweest....

Maar toen glans en rijkdom waren verdwenen uit het groote, dubbele

heerenhuis, toen waren ook de kennissen schaarscher en al heel spoedig

de belangstelling minder geworden.

Toen volgde de verhuizing naar Londen en sindsdien had mevrouw

Doorneveld geen Hollandsche bekenden meer ontvangen—zij hadden zich

niet meer om haar bekommerd.

Freule Elisabeth Kingstra was vierentwintig jaren, toen zij het

landgoed van haar ouders, in het Noorden van Friesland gelegen, verliet

om den man harer keuze te volgen naar de hoofdstad van Nederland.

Baron Doorneveld van Oudenhoven was toen bij de veertig en het was hem

een groote vreugde, zijn jonge, beeldschoone vrouw zijn onmetelijke

rijkdommen, equipage en auto en zijn weelderig ingericht huis te kunnen

aanbieden.

Op den huwelijksdag schonk de gelukkige echtgenoot zijn gade de geheele

verzameling familiejuweelen, die uit een twaalftal geslachten der

Doornevelds aan baron Frederik waren overgegaan als laatste telg van

dezen stamboom.

Deze juweelen vormden op zichzelven een onschatbaar vermogen, want er

waren er bij, die door de koene voorouders van den edelman waren

buitgemaakt op Oostersche vorsten en de diamanten kroon, die eens in de

twaalfde eeuw had toebehoord aan een keizerin van een volksstam uit het

Himalajagebergte, vertegenwoordigde eenige millioenen.

Maar er waren ook geschenken bij van Europeesche vorsten, juweelen van

het zuiverste water, tiendubbele paarlsnoeren, topazen en smaragden,

opalen en robijnen, amethysten en flonkerende granaten, saffieren en

turkooizen.

Toen indertijd te Amsterdam voor den koning van Engeland de

wereldberoemde Cullinan werd geslepen, had baron Frederik, eenvoudig

van aard als hij was, even geglimlacht.

De Cullinan!

„Betty”, had hij tegen zijn vrouw gezegd en hij wierp zijn servet naast

zijn bord neer, „Betty, als ze jouw juweelen eens zagen! Ik wil er niet

van gewagen, om ze de teleurstelling te besparen, maar wat zijn

Kohinoor en Cullinan, vergeleken bij onzen familieschat!”

In den loop der jaren had de jonge barones gelegenheid te over gehad om

te pronken met haar onschatbare sieraden.

Haar eenvoud echter hield haar daarvan terug en hoe weinig ook haar

echtgenoot van uiterlijke praal en schittering hield, toch rustten

steeds zijn oogen vol welgevallen op de bekoorlijke verschijning van

zijn jonge gade, als zij in het Koninklijk Paleis op hofbal of raout

aller oogen tot zich trok, zoowel om haar persoon als om de

kostbaarheden, die zij bij deze gelegenheden toonde.

Jaren van ongestoord geluk, van huiselijken vrede en echtelijke vreugde

gingen voorbij in het groote, statige huis aan de Keizersgracht en de

kleine Elisabeth, die twee jaren na het huwelijk der schoone Friesche

landjonkvrouwe werd geboren, groeide op tot een allerliefst meisje vol

aangeboren geestigheid, begaafd met muzikale neigingen.

Niets werd dan ook gespaard om den meer dan middelmatigen aanleg van

het meisje te ontwikkelen en weinig mocht de moeder vermoeden, toen zij

haar kind de beste leermeesters gaf, hoe er nog eens een tijd, zou

komen, dat Betty partij kon trekken van de goede lessen, haar in haar

jeugd gegeven.

Kennis is macht.

Toen Betty Doorneveld achttien jaar was, deed zij haar intrede in de

wereld en al had zij niet de schoonheid van haar moeder geërfd, toch

bekoorde de lieftalligheid van het jonge meisje en haar geestige,

gevatte opmerkingen plaatsten haar boven haar vriendinnetjes van

denzelfden leeftijd.

De barones had dien winter een groot avondfeest georganiseerd, waarop

honderd vijftig personen waren genoodigd.

De receptie was schitterend geslaagd, een bal had tot laat in den nacht

de jonge gasten, de balmoeders en de oudere heeren bijeengehouden en nu

zaten in den Oud-Hollandschen salon van het heerenhuis moeder en

dochter te praten over het succes van den vorige dag.

„Het was heerlijk, mama,” zei het jonge meisje, „en heusch, u waart nog

de mooiste van allen”.

De barones glimlachte.

„Kom, kom”, zei ze „ik op mijn leeftijd kan de jonge meisjes niet meer

in de schaduw stellen!”

„Toch wel, moeder!”

„Wat zou papa lachen, als hij je zoo hoorde spreken.”

„Ach, moedertje, ik wou, dat hij het hoorde, papa lacht in den laatsten

tijd zoo weinig! Z’n lief gezicht staat tegenwoordig zoo strak, en het

viel mij gisteren op, dat hij een paar keer verstrooide antwoorden gaf,

toen freule Kreukelaar hem over het Liefdadigheidsfonds sprak.

Ook was hij lang zoo vroolijk niet met mij en mijn vriendinnen, als

anders het geval is!”

Een paar kleine rimpels trokken saam op het voorhoofd der barones.

Even zweeg ze.

„Dat kan niet, kindje. Dat zul je je verbeeld hebben. Papa heeft de

laatste weken véél gewerkt op kantoor.

Hij zal zich vermoeid voelen. Daar komt hij!” voegde ze er aan toe met

een bijna onmerkbare zucht van verlichting.

Een auto hield voor het huis stil en even later hoorde men de voordeur

dichtslaan.

Het jonge meisje was opgesprongen om voor haar vader den makkelijksten

fauteuil bij den haard aan te schuiven.

Toen trok ze haar eigen stoeltje vlug naast den armstoel om, zooals ze

dat gewend was, straks nog even met papa te babbelen, vóórdat men zich

aan tafel zou begeven.

De heer des huizes verscheen echter niet in den salon.

Nadat hij in de gang den huisknecht hoed en pels had gegeven, spoedde

hij zich terstond naar zijn werkkamer, die op de eerste étage aan de

tuinzijde lag.

Hier zette hij zich aan zijn massief-eikenhouten bureau en drukte toen

op de knop der electrische bel, die zich aan zijn rechterhand bevond.

Een kamerdienaar verscheen.

„Is de barones thuis?”

De livreiknecht boog.

„Is mevrouw alleen?”

„Mevrouw is met de freule in den Oud-Hollandschen salon!”

„Vraag of mevrouw hier komt, Johan!”

Wederom boog de ondergeschikte en verdween.

Onbeweeglijk bleef de handelsman aan zijn schrijftafel zitten, het

hooge, edele voorhoofd gesteund in de rechterhand, de oogen bijna

onafgewend gericht op het levensgroote portret van zijn vader, dat

tegenover de schrijftafel hing.

En zóó was hij in gepeins verzonken, dat hij niet hoorde, hoe zachtjes

de deur van zijn kamer werd geopend en de barones binnentrad.

Hij schrikte op, toen een kleine hand op zijn schouder werd gelegd.

„Je hebt me laten roepen, Frits”, begon de barones.

Toen, het ernstige, versomberde gelaat van haar man ziende:

„Er is toch niet...?”

Stom knikte de baron.

„Ja—’t is verloren, Betty. De laatste speculatie is op niets

uitgeloopen. Ons kapitaal is weg.... We zijn geruïneerd.... Ik zal den

slag dragen, manmoedig, zooals het een Doorneveld van Oudenhoven past,

maar jij en Betty....”

„Ik en onze dochter zullen zoo flink zijn als jij, Frits.

Maar bovendien. Spreek niet van een ruïne. Ons blijven toch de

juweelen. Dat is een schat, die tienmaal ons vroeger fortuin

vertegenwoordigt.”

Wijd openden zich de oogen van den baron.

„De familiejuweelen. Betty ... die erfstukken—neen, neen, dat gaat

niet!”

„Het moet gaan. Wat kan ons traditie baten, als de nood dringt. Neen,

Frits, we moeten onze vuisten ballen en op de tanden bijten.

En wat het zwaarste is, moet het zwaarste wegen. Ons kapitaal is weg,

maar baron Doorneveld’s naam moet ongeschonden blijven.”

De baron stond op.

Hij drukte de hand van zijn vrouw en sprak slechts:

„Ik dank je, Betty!”

Samen gingen zij naar de eetzaal.

Het maal verliep uiterlijk heel gewoon.

Af en toe keek Betty haar ouders aan met groote, vragende oogen, maar

haar stilzwijgende vraag bleef onbeantwoord.

Reeds om negen uur den volgenden morgen reed de auto voor het huis aan

de Keizersgracht voor.

Even later kwam baron Doorneveld het hooge bordes af, den onderdanig

groetenden chauffeur voorbij, die het portier openhield en wien de

baron het adres noemde van een bekend bankiershuis.

Snorrend zette zich het motorrijtuig in beweging; vijf minuten later

stapte de hooge gestalte van den handelsman de stoep op van een groot

gebouw aan een der grachten.

Hij liet zich bij den bankdirecteur aandienen en werd onmiddellijk in

diens privé-kantoor toegelaten.

„Bonjour Doorneveld! Ga zitten. Waarmee kan ik je dienen in dit vroege

uur?”

De baron bleef staan.

„Ik moet je over ernstige zaken spreken, Steenbergen!

Wij kennen elkaar bijna een menschenleeftijd en je bent me steeds een

uitstekend vriend geweest.

Mijn kapitaal is weg—ik bezit niets meer dan mijn huis en de

familiejuweelen ... je begrijpt dus, waarvoor ik kom.... Van middag om

zes uur vertrek ik naar Parijs om een gedeelte der kostbaarheden te

gelde te maken... dat is onze eenige redding....”

„Groote hemel”, stamelde de bankdirecteur, „dat is verschrikkelijk. En

weet je vrouw....”

„Mijn vrouw weet alles!

Zij is het, die mij dezen raad gaf. Laat ons nu handelen. Ik reken op

je discretie.”

„Dat spreekt.”

Zwijgend verlieten de beide heeren het particuliere kantoor en begaven

zich door de lange marmeren gang en langs de breede trappen naar dat

gedeelte van het sousterrain, waar zich brandvrije kluizen bevonden.

Langzaam week de zware deur, geruischloos draaide ze in haar hengsels.

Baron Doorneveld opende met een sleutel van bijzonder model een tweede,

kleinere deur en ... een kreet van ontzetting ontsnapte aan zijn

lippen.

Verschrikt kwam zijn vriend, die achter hem was blijven staan,

naderbij.

Doch één enkele blik op het inwendige van de safe was voldoende om ook

hem het bloed in de aderen te doen stollen van ontzetting, want voor

zijn oog vertoonde zich een ledige ruimte.

„Mijn God! Wat moet dit beteekenen! Doorneveld, wat is er gebeurd!?”

Geen geluid kwam echter over de bloedelooze lippen van den baron; zijn

oogen puilden uit de kassen; hij trachtte iets te zeggen, maar

tevergeefs, de spraak begaf hem, zijn tong was als verlamd en als een

beschonkene wankelde hij naar zijn vriend, die hem nog juist in zijn

armen kon opvangen.

Al zwaarder en zwaarder werd het lichaam van den baron in de armen van

den bankdirecteur.

Langzaam boog zich Steenbergen voorover en legde zijn zwaren last neer

op den steenen vloer van de ruime kluis.

Het zweet gutste hem langs het voorhoofd en razende angst maakte zich

van hem meester, toen hij neerzag op het marmerbleeke gelaat van den

vriend uit zijn kindsheid.

„Doorneveld!” kreet hij en toen, in ontzetting, gilde hij nogeens dien

naam uit.

Hij greep de hand van den ter aarde liggende en voelde naar den

polsslag.

Hij maakte de kleeren van den bezwijmden man los, hij tastte naar diens

hartstreek en toen ijlde hij als een waanzinnige de gang door naar de

kamer van zijn compagnon.

Een uur later werd het ontzielde lichaam van baron Doorneveld van

Oudenhoven binnengedragen in het hooge heerenhuis.

Directeur Steenbergen had de weduwe voorbereid op den plotselingen dood

van den braven man, wien de aandoening bij de ontdekking van den

geweldigen juweelendiefstal te machtig was geweest.

Maar barones Elisabeth droeg het leed.

Beroofd van echtgenoot en van alle geldmiddelen nam zij terstond het

kloeke besluit om huis en meubelen en de weinige kostbaarheden, die

haar waren gebleven, te gelde te maken.

Een niet onaanzienlijk kapitaal kreeg zij toen in handen, maar nadat al

de loopende schulden gedelgd waren, bleef haar nog slechts zooveel, dat

zij met haar dochter van een bescheiden jaargeld kon leven.

Meer dan een jaar bleef de zwaarbeproefde vrouw nog in de hoofdstad

wonen, omdat al dien tijd door justitie en particuliere recherche naar

allen kant nasporingen werden gedaan om den bedrijver van deze misdaad

te ontdekken.

Niets, niets mocht baten!

Wonderlijk was het, dat later in de leeggestolen kluis slechts één

enkelen gouden heerenring met groen bewerkten zegelsteen werd gevonden.

In dien ring waren een slang en een arend gegraveerd. Deze ring

behoorde niet tot de eigendommen der familie Doorneveld van Oudenhoven

en noch aan barones Elisabeth, noch aan één der andere leden van haar

familie, had ooit deze ring toebehoord.

Veertien maanden, nadat de stoffelijke overblijfselen van baron

Frederik waren bijgezet in het familiegraf op Zorgvlied, verliet zijn

weduwe met haar eenig kind de stad, waarin zij zooveel geluk had

gekend, maar ook zooveel eindeloos verdriet had geleden.

Behalve enkele meubelen, waarvan de barones niet had willen scheiden en

waartoe ook de Friesche klok behoorde, die zij reeds in het ouderlijke

huis in de Noordelijke provincie had hooren tikken, nam gravin Betty

naar Engelands hoofdstad den gouden ring mede, die door directeur

Steenbergen in de noodlottige kluis was gevonden.

In hun nieuwe omgeving, zoo ver van alles, wat aan vroegere grootheid

herinnerde, konden moeder en dochter zeer spoedig aarden.

Alleen, nu al die kleine nuttelooze beuzelingen, waarmee dames uit de

groote wereld haar tijd zoek brengen, als vanzelf achterwege bleven,

begonnen de vrouwen onwillekeurig naar bezigheid te zoeken en toen eens

in de „Times” door lady Wettington, die met een plantagebezitter op

Java was verloofd, les werd gevraagd in de Nederlandsche taal, kwam de

jonge Elisabeth Doorneveld op de gedachte om zich daarvoor aan te

bieden.

De proef slaagde wonderwel. Het jonge, gedistingeerde meisje viel in

den smaak van de Londensche aristocratie en door haar aanbeveling kreeg

zij nog eenige goed betaalde Hollandsche lessen, waardoor het inkomen

der beide vrouwen werd vermeerderd en waardoor tevens haar leven minder

doelloos werd....

In de eenvoudige kamer in Bakerstreet wezen de wijzers der Friesche

klok halfnegen aan. En in hetzelfde oogenblik ging de kamerdeur open en

trad een blond, jong meisje binnen, gekleed in eenvoudig mantelpak, een

fluweelen muts op haar krullende lokken.

Haar wangen waren rood gekleurd door den herfstwind, haar blauwe oogen

schitterden van gezondheid en jeugd.

„Dag moedertje, ben ik niet prachtig op tijd? Ik heb me gehaast, want

ik verlangde naar een lekker kopje thee. En staat er nog nieuws in de

kranten?”

„Neen, Betty, niets bijzonders. Ik zal je eerst een kopje thee

schenken.”

Mevrouw Doorneveld trok het groote theeblad iets dichter naar zich toe

en hield zich eenige oogenblikken bezig met het gereedmaken van een

geurig kopje thee voor haar dochter.

„Ik heb niets bijzonders in de bladen gelezen, Betty. De „Times”

vermeldt een spoorwegramp in Amerika en in het „Handelsblad” zul je een

paar bekende namen lezen onder de huwelijksaankondigingen. ’t Doet me

toch nog altijd goed, een klein beetje op de hoogte blijven van de

toestanden in ons oude, lieve Amsterdam.”

Een traan welde op in de oogen der barones.

Betty zag dit en op vroolijken toon zei ze, terwijl ze uit haar taschje

een groote, witte vierkante enveloppe tevoorschijn haalde:

„Kijk eens, moedertje, misschien heb ik nieuws. Een brief op m’n

advertentie! Ik heb ermee gewacht, tot ik bij u was!”

Al sprekende sneed zij het couvert open, haalde er een brief uit te

voorschijn en las haar moeder het volgende voor:

„Hooggeachte Jongedame!

In de „Times” van gisteravond heb ik gelezen, dat u Hollandsche

conversatielessen geeft.

Ik ben van plan, dat kleine kikkerlandje, daar aan den overkant van

de plas eens te bezoeken. Zend mij zoo spoedig mogelijk uw adres.

Mijn secretaris en ik zullen dan spoedig tot uw ijverigste

leerlingen behooren.

Lord Lister No. 0111: De gestolen familiejuweelen · 第 9 / 26 题