Ik was uitgenoodigd om het Werk der Deugd te komen zien, bij de familie
Ngo Ts'un P'o. De admiraal Ngô Tai Dzîn was gestorven, ongeveer twee
maanden geleden.
Zijne zeven levensgeesten zijn toen verspreid, uit het lijk in de
lucht gestegen, zijne twee zielen opgegaan naar de achttien hellen,
zijne derde ziel is nog zwevende in het voorvaderlijk huis, boven de
rouwende hoofden der zonen.
En nu was de tijd aangebroken, waarop de kinderen en kleinkinderen
van den doode door goede werken en offeringen en gebeden de zielen van
hun familiehoofd uit de hellen verlossen, en als ééne ziel overvoeren
naar de gewesten der gelukzalige boeddha's en geesten.
Voor de poort van het groote Chineesche huis wachtte de beste vriend
van den doode mij op. Hij is een militair mandarijn van hoogen rang,
maar als een eenvoudig man uit het volk stond hij voor mij, in grove
kleeren, zonder eenig teeken van zijne waardigheid. De smart over
het verlies van zijn vriend het àlregeerend sentiment in zijn leven
zijnde, mag nu geen praal van buiten zijn eigen roem en grootheid
zeggen. Hij moet zijn in zijn smart eenvoudig, en een nederig man.
Hij geleidde mij door een voorplein naar de ontvangkamer van het
huis. Een kleine zaal, licht gemaakt door kleuren. Aan de wanden lange,
breede lappen zijde, een pracht van rood, en groen, en rose en blauw,
in alle tinten, van intense passie-kleur tot effene teederheid,
waarin zwarte karakters, gevat in gouden rand. Deze karakters zeggen
den roem des dooden, en de vriendschap der gevers. Al deze zijden
kostbaarheden zijn geschenken van vrienden, en kleuren het groote
gevoel van liefde om de menschen, die rouwen, als een troost voor
de oogen, die in weening zijn geweest. Ernstig worden de Chineesche
woordkarakters daarin aangezien, als méér dan doode schriftteekens,
als zelf heilige symbolen, en mystieke kostbaarheden. [13]
Ik groette, en boog diep voor de neigende Chineezen in de
ontvangkamer. Het waren vrienden en kennissen, die het Werk der
Deugd kwamen bijwonen. Maar ik zag ze niet goed afzonderlijk, door
de ontroering van zooveel kleuren, waaraan mijne oogen niet gewoon
waren. Ik zag zacht neêrgaande kleuren, lange blauwe gewaden, en
wuiving van fijne zijde. Ik liet mijne oogen zoet zich laven aan
de oostersche pracht, en sprak diepneigende woorden van eerbied en
deelneming. Het zangerige Chineesch is mooi van geluid en gepast aan
de omgeving van glanzend licht.
Daarna voerde mijn gastheer mij mede naar eene groote zaal, de
ceremoniezaal, waar het altaar staat met de huisgoden. Bij het
binnentreden zag ik dat het er vol was van honderden menschen. Het was
er donker-licht als in een kerk. Vóór mij, heel in het achtergedeelte
zag ik kaarsen branden, en lilalicht in lotus-lampen van zilver. Dat
was als blanke lotussen, waardoor een gloed droomde van mystiek paars.
Wij gingen langzaam door de menigte, die uitweek voor den mij
begeleidenden mandarijn. Wij kwamen voor eene tafel, waarop dingen van
offering stonden. In het licht van zilveren lampen en roode kaarsen
stonden groote schotels met wild en gebraad. Kommen met fijne rijst
en groenten, kopjes thee, en bloemkelken van zilver voor den wijn,
met lange, slanke kannen, rijk geornamenteerd. Dit was de zaal, waar
de lijkbaar stond. Een ziel van den doode was er zwevende. Zij feest
onzichtbaar aan de rijke offeringen, en geniet aetherisch van de
essence en de geuren, die daarvan opgaan. De ziel wordt dan gedacht
te zijn zacht-lachende om de deugd der zonen, en te zien de liefde
der rouwenden, in stil zalig zijn.
Om de tafel hing een rood zijden kleed, versierd met gouden vogels,
pheniksen met lange, gracieuse staarten. En achter in het allerdiepste
van de zaal stond de doodkist met het lijk. Om mij heen stonden stille
gestalten, in vaal geel gewaad. Ik was, door eene bijzondere gunst
van mijn gastheer, vlak bij de vrouwen en dochters van den doode
geplaatst, een voorrecht zooals alleen een heel intiem vriend mag
genieten. Zij waren als nonnen gekleed, in grof linnen, en met wijde
kappen om het hoofd.
Toen begon ik, eenmaal rustig zittende, aandachtig om mij heen
te zien. En ik zag een geheele wereld van wezens blinkende in de
lucht. Over mij, boven den ingang, en den geheelen, grooten wand langs,
waren tallooze poppen gehangen. In het eerst moeilijk te zien, door
de fonkeling en warreling der kleuren; maar langzamerhand begon ik ze
te onderscheiden als een stoet van regelmatig schrijdende menschen,
in optocht. Het waren soldaten, gelijkmatig stappend, met de lansen
op hunne schouders, evenwijdig, het waren herauten, en pijpers,
waaierdragers, en koelies, dragende schatten en huisraad. Allen
schitterend van goud en zilver, eene pompeuze processie. Deze prachtige
optocht symboliseert de tocht van de doode ziel naar de hemelen. Het
is het gevolg van de rijzende ziel, en moet haar plechtig uitgeleide
doen, zooals het een hoog mandarijn toekomt. Vóór hen uit was een
grooter beeld, een mensch, die naar een brug schrijdt. Dit was de
doode mandarijn. En boven de brug, die van de aarde naar de hemelen
reikt, zijn de gewesten der gelukzaligen, de regionen waar de reine
zielen heengaan, om in rust te leven met de goden.
Dáár prijkt het beeld van Kwan-Yin, de beschermster van China, de
Maria van het Oosten. De zacht neêrziende op het leed der wereld,
in genade en zoet medelijden. Kwan-Yin, de zacht-schrijdende, de
neigende in liefde. Zij is geïncarneerd als eene Maagd, uit eene
koningsvrouw werd zij geboren. Zij is de zoete martelares, de altijd
zachte in vervolging, die slavenwerk deed met edele koningshanden, en
het Woord verspreidde onder het duistere volk. Zij is de zegevierende
op den brandstapel en pijnloos herrezene uit de vlammen, ongedeerd en
gaaf als een lichte lotus. Zij voerde hare ouders en zusters mede,
in den immensen zwaai van haar heilig ópgaan; geleidde ze voort
op het pad naar Nîrwana, het hoog-mystieke, rustig-bewuste, waar
álle menschengedachten ver van blijven. Zij is de Groote Genade, de
Liefde-Boeddha, die eeuwiglijk licht schijnt op het zware pad naar
Nîrwana, der menschheid ten zegen. En de Goeden onder de menschen
maakten haar beeld, in reverentie. Zij gaat met kuischen gang, in de
heiligheid van stille gewade-plooien, ongenaakbaar rein in de strenge
lijnen die haar ombidden. Haar lichte gewaad wuift de lucht achter
haar, zachtkens. Een sluier omgaat haar hoofd, en vouwt het als een
zoet mysterie in vrome plooien. Hare handen over elkaar in een gebaar
van wijze prediking, eindeloos zacht, dat hare Leer geluidloos zegt,
in essence. Zij is de neigende Wijsheid, de reddende, die tot de
menschen daalde, zacht en ontzaglijk.
Dáár troont ook het beeld van Ma Too Po, de uit het water herrezene, de
uit een bloem geborene. De wijze Liefde, rijzende uit den Lotus. Hare
voeten raken de aarde niet; haar dragen de blanke bladen. Zij was de
op aarde vervolgde, de reine Maagd, die de Wijsheid zocht, en niet den
Lust, de wreed in zee verdronkene, door geweld, de daar óngedeerde, de
blank in water gezetene, roerloos peinzende over de Leer. Om haar hoofd
reide een krans van schelpen, in zachten glans van parelmoer. Toen de
tijden beter werden, in de wenteling der eeuwen, is zij weêr gekomen
uit de zee, en rein herrezen in den Lotus; de blanke bladen dragen
haar, als reinheid de liefde draagt. Zij had jaren gezeten onder
de groot-bewegende zee, zélf roerloos, naar Wijsheid starende onder
het eindeloos golfgezang, stil en liefelijk, in reine rust. In den
lotus herrezen bleef de parelenkrans om haar zweven, en zij zat met de
voeten gevouwen, met de handen opgeheven tot een subliem gebaar, dat de
wijsheid symboliseert van de Leer. Hare borst toont het heilig teeken
-----+ |
| |
+----+----+
| |
| +-----
Ban, het symbool van het Eeuwige, en hare ziel is in de intenze
meditatie puur omhoog gerezen, en schittert in haar voorhoofd als
de Ziele-Parel, de essence van haar wezen, rein als de dauwdrop,
die in een lotus beeft. Zij zit de eerste boven de rijzende brug,
stil in de bloemebladen, en in den glans van parelmoer. Haar omgeven
alle boeddha's en onsterfelijke geesten. De achttien Lô-Hàns-Arhats
rijen zich in twee scharen in de gelukzalige gewesten. Zij waren alle
ééns eenvoudige menschen op aarde, die hunne ziel verreinden tot zij
rustig vergleden in Nîrwana [14], als bloemen in een stillen oceaan.
Daaronder is Tiong-Ló, de zachte slachter, die levende beesten had
gedood in zijn beroep, totdat zijne zonden waadden in meeren bloed,
en het berouw zich verroerde in zijne duistere ziel. Hij was toen een
laag mensch uit het volk, een slachter. Hij zwoer, géén bloed meer te
vergieten en geen vleesch meer te eten, begroef zijn slachtmes, diep
in het zand, zocht het weder op, bang dat een ander het zou vinden
en er zonde mede doen. Hij verborg het op de bergen, in kloven, in
rotsholen. Zijn leven werd één wondere angst, dat het mes weer zonde
zou doen, totdat hij het eindelijk begroef in zijn eigen hart, uit
boete en liefde. En dit berouw verreinde zijne ziel, die in Nîrwana
vergleed, zooals een lucht wolkje wegdroomt in het eindelooze,
stille hemelblauw.
Dáár is ook Bók-Liên, die zijne moeder redde uit de achttien
hellen. Zij had de reinheid geschonden van achttien geslachten, die
geen vleesch hadden geproefd, maar alleen de zachte planten. Toen zij,
door ziekte verleid, het vleesch der zonde at, werd zij gedoemd tot
dood en hel. Maar Bok-Liên, haar zoon, toog uit om haar te redden,
en volgde Kwan-Yin's zachtwuivend gewaad, dat hem leidde. Vrijwillig
schreed hij door de hellen, handen gevouwen, en het vuur week weg
voor zijne heiligheid. Hij redde zijne moeder door de kracht van
zijne liefde, en Kwan-Yin neeg zich tot hem, de genadige, en voerde
hem over naar Nîrwana, zooals een vlam een zoete geur medevoert in
de lucht. [15]
En zestien anderen, even heilig, even recht in hun bewegen, hunne
levens evenwijdig gericht naar het groote Nîrwana, waarin alles
verdroomt...
En al deze pracht van goud, van zilver, en kleuren, daar aan den
wand vóór mij, is pure symboliek, van diepe beteekenis. De Chineesche
geloovigen denken, dat in al deze poppen door een mirakel de wezens
tijdelijk geïncarneerd zijn, die zij voorstellen. Het gevolg van
den mandarijn bestaat uit hellegeesten, die hem uit de hellen moeten
geleiden naar de hemelen.
Om twee uur in den nacht wordt al deze rijkdom verbrand, buiten op het
voorplein. Al de honderden beeldjes aan de wanden, en ook de dingen,
die nog buiten staan. Dáár is nog een groot, hoog huis van papier, met
knechten, en dieren, en huisraad. Een paleis van zijde en goud papier,
dat in de verbranding ten hemel stijgt, door een mirakel. Er staan
nog honderd koffers met papier, dat in de vlammen goud wordt, honderd
levensgroote poppen, in fijne zijde, die den doode moeten volgen, en
een dienaar houdt zijn levensgroot strijdros bij den teugel, een witten
hengst. 's Nachts zal er een festijn van licht zijn, ál de pracht zal
opgaan naar de hemelen, en in dien laaienden brand wordt het symbool
tot waarheid. De honderden beeldjes worden tot onzichtbare geesten,
en zijn een statige stoet achter den doode. De ziel is uit de hellen
getreden, en schrijdt plechtig door de eindeloosheid, met het blinkende
gevolg van dienaren, als een waaiende sleep achter zich aan....
Ik luisterde in gespannen aandacht naar den ouden mandarijn, die
mij deze dingen uitlegde, toen een schaar priesters in pompeuze
kleederen aanschreden. Zij waren in donkerzwarte gewaden van zijde,
met randen van gouden lotussen bewerkt. Deze gewaden heeten "Ka See"
(sanoka kashyapa). Hier en daar in het zwart van hun gewaad fonkelde
een gouden beeldje van Kwan-Yin. Deze priesters moeten de ziel uit de
hellen roepen door hunne gezangen en invocaties. Op mystieke muziek
glijdt de ziel van den doode zachtjes in de eindeloosheid.
Alles was nu stil in de zaal. Er was een gedempt licht van donkerroode
kleur, waarin het goud aan de wanden vreemd glansde. En achter in
het donker blonken vonkjes van wierookstokjes, waaruit een klein
wolkje opsteeg. De gebeden der priesteren gingen nu langzaam op in
de stilte, met zachten rhythmus van monotoon gezang. Litanieën,
veel gelijkend op de bijna niet bewegende, immens rustige muziek
van een oud-gregoriaanschen lijkzang. Mysterieus golven van geluid,
wijd-ademend, als een zee, die naar de kim deint. Melodieënwendingen,
eenvoudig en ontzaglijk als de simpele lijnen om een oud
Boeddha-beeld. Somtijds klonk daarin een zacht-zilveren belleklankje,
alsof de pure Godheid even bewoog.
Een gezang, waarop een verloste ziel wonder-rustig verglijden kan,
als een zachte veer op stille winden....
Toen ben ik heen gegaan, onder eene emotie van almachtig schoon,
zooals er maar weinigen mij zijn gegeven.
's Nachts, op het eilandje Ku Lang Soo, tegenover Amoy, waar de
Europeesche kolonie is, stond ik aan de zee. Ik wachtte, en zag in
het donker, waar geen ster was te zien. De zee sloeg rusteloos op
de rotsen.
En opeens vlamde in den nacht een roode gloed, een hoog uitslaan van
vuur. Lange kolommen rook stegen op, in gigantische plooien, rijzende
luchtgewaden, zacht waaiende in het ijle, en weer wègwuivend in den
nacht. Duizenden sterren schoten op van de aarde, en rezen omhoog,
als zielen. Ik stond in den glans van groote vlammen.
Daar ging de doode mandarijn. Heilige tocht van eene ziel naar de
paleizen der wijsheid, de regionen van reine rust. De nacht brak
open, en duizenden roode vlammengestalten schreden aan, in glorieuse
processiën. Een roode glans viel er van op de zee, en ik zag de golven,
bloedkleurig, gaande rusteloos en vér.
De doode mandarijn ging hóóg boven de wilde zee, naar het stille
Nîrwana.
Hij ging naar Ma Too Po, de uit een bloem geborene, naar Kwan-Yin,
de neigende, zacht en ontzaglijk....