BIJVOEGSEL, VEERTIENDE DRUK; 1883.

Ziedaar het voorbericht der _zesde_ uitgave, in deze _veertiende_

wederom, waar men getoond heeft prijs op te stellen, in zijn geheel

afgedrukt. In de _zevende_ (1871), met den _Brief van Hildebrand aan

Schipper Rietheuvel_, en met het _Laatst_ en weemoedig _Bijvoegsel tot

de Narede en Opdracht aan_ den in datzelfde jaar ontvallen _Vriend_

vermeerderd, voegde de Schrijver aan de zeven jaar te voren gedane

opgave van blijken van belangstelling in den Vreemde eene aanteekening

toe van den volgenden inhoud: "Deze opgave kon, bij gelegenheid van

den tegenwoordigen, zevenden druk, nog vrij wat vermeerderd worden,

daar ik dankbaar erkennen moet dat alle Duitsche landen, Brunswijk,

Saksen, Pruisen, Oostenrijk, om strijd van hunne belangstelling

hebben doen blijken. Ik bespaar het echter tot den achtsten. Voor

mijne eigenliefde is het op dit oogenblik meer dan genoeg hier aan te

stippen, dat de Duitschers nu laatstelijk begonnen hebben ook hunne

_reisherinnerinqen_ uit de _Camera Obscura_ te putten. (Zie _Im Neuen

Reich_ 1871, N°. 18)" [3]. Wat echter, volgens deze aanteekening,

voor de _achtste_ uitgave werd bespaard, werd, ondanks het aangroeien

van de stof, ook in die achtste (1872), en voorts in alle volgende,

teruggehouden, om plaats te maken voor eene verklaring, welke thans

aldus zou kunnen luiden: "Wat er ook streelends moge zijn in de eer

zich, met beter of slechter gevolg, in het Fransch, het Engelsch,

het Hoogduitsch, het Italiaansch, en wellicht ook in 't Deensch en

Zweedsch vertolkt te zien, en lezers te vinden tot in het verre Japan:

voor het hart van den Schrijver der Camera Obscura heeft het weinig

te beteekenen bij de zoete ondervinding der duurzame genegenheid van

eigen land- en taalgenoot" [4].

Wat betreft de in de voorrede van 1864 uitgedrukte meening omtrent

het nog niet bereikt zijn van het _noodpeil_ voor ophelderende

aanteekeningen: zij bleef bij volgende uitgaven nog steeds dezelfde,

en "zijn gevoel van kieschheid tegenover de geleerden der toekomst

werd bij den Schrijver nog altijd niet overwonnen." In den laatsten

tijd echter, wordt hij mondeling en schriftelijk, door geleerden en

ongeleerden, met zoovele vragen bestormd, dat hij in dit opzicht een

ander begrip begint te krijgen van zijn plicht, en er ernstig aan

begint te denken, in de meer en meer "dringende behoefte" eenigszins,

in den een of anderen vorm, te gaan voorzien.

Intusschen zou het hem niet mogelijk zijn deze, nu _veertiende_

uitgave van zijn werk in het licht te zenden, zonder dat zij de

openlijke betuiging bevatte zijner erkentelijkheid aan zijn vriend

_Johannes Dyserinck_.

Een belangstellender en oplettender lezer dan dezen, beide in

oostersche en vaderlandsche letteren, zoo zeer ervaren landgenoot,

heeft onder hare duizenden de _Camera Obscura_ niet gevonden. Hare

_dertiende_ uitgave (1880) gaf hem aanleiding tot het schrijven dier

voortreffelijke monographie, welke, eerst in _De Gids_ verschenen,

later in "vermeerderden herdruk" afzonderlijk uitgegeven is [5]. In

dit keurig opstel worden het leven en de lotgevallen, zoo in den

Vreemde als in het Vaderland, van het nu meer dan veertigjarig boek

beknoptelijk, maar vollediglijk, verhaald, en heeft de vriendelijke

ingenomenheid van den geachten letterkundige, in verband met vroegere

en latere oordeelen en beschouwingen van anderen, eene hartelijke en

door den Schrijver der _Camera Obscura_ hooggewaardeerde uitdrukking

gevonden.

Maar wat bij dit alles voor dien Schrijver een zeer groot gewicht

hebben moest, waren de hier geleverde bewijzen der allerbijzonderste

oplettendheid door den heer _Dyserinck_ aan de onderlinge vergelijking

der elkander opgevolgde uitgaven gewijd, aan welke nog de zin-storende

of zin-veranderende drukfouten welke van tijd tot tijd in den tekst

waren ingeslopen, noch de niet onbelangrijke uitlatingen, welke

daarin van lieverlede hadden plaats gehad en door de onoplettendheid

der correctie van de eene uitgave in de andere waren overgegaan,

waren ontsnapt, noch ook de kleine, maar opzettelijke verbeteringen,

door den Schrijver gaandeweg in de redactie aangebracht. Dit heeft

bij dezen de uitwerking gehad, dat hij zich voelde aangespoord in elk

dezer opzichten dubbel werk te maken van den toen reeds in uitzicht

zijnden, thans in 't licht verschijnenden, _veertienden_ druk, en zich

daarbij van de hoog te waardeeren hulp van zijn vriend _Dyserinck_

te verzekeren. Zij is hem rijkelijk te beurt gevallen en, met een goed

geweten, als die overtuigd is, in dezen niets bereikbaars verzuimd te

hebben, meende hij dan ook ditmaal het "_met zorg_ herziene" op den

titel te mogen stellen. Bij de zuivering der drukproeven, is van elk

der opstellen nu weder de eerste druk tot grondslag gelegd, al het

gaandeweg verdwenene, voor zoo veel het niet opzettelijk geschrapt of

opgeofferd was, aan zijne vroegere plaats hersteld, en zijn tal van

(niet slechts _druk_-) fouten weggenomen, menige gebrekkige of min

gelukkige uitdrukking door een juistere en betere, maar vooral een

goede hoeveelheid onduitsche woorden door vaderlandsche taal vervangen.

Het zal den Schrijver niet dan aangenaam wezen, indien de wijzigingen,

die de vrucht van deze ernstige herziening zijn, door hen, die alleen

_deze_ uitgave in handen nemen, bij het lezen onopgemerkt blijven

en zelfs niet worden vermoed; maar die het der moeite waardig mocht

achten haar met de vorige te vergelijken, zal ze, zoo hij hoopt,

niet onbelangrijk vinden en aan het meerendeel zijne goedkeuring

niet onthouden.

Camera Obscura · 第 6 / 64 题