VOORBERICHT, ZESDE DRUK; 1864.

Het is nu juist vijfentwintig jaren geleden dat, in het najaar

van 1839, de _Camera Obscura_ hare intrede in de wereld deed. De

pseudonieme Schrijver, toen zelf nog maar even vijfentwintig jaren oud,

ofschoon in een ander vak van letterkundige voortbrengselen, onder

zijn eigen naam, niet onvriendelijk door zijne landgenooten opgenomen,

zag zijne stoutste verwachtingen overtroffen, als de buitengewoon

hartelijke ontvangst van dit zijn werk binnen 't halfjaar een _tweeden_

druk noodzakelijk maakte, welke dan ook in 't voorjaar van 1840 het

licht zag. Toen, elf jaren later, een _derde_ druk noodig werd, had

hij den moed de nieuwe uitgave met eenige tot hiertoe onuitgegevene

opstellen zoodanig te vermeerderen dat het boekdeel, hetwelk nu

(1851) het licht zag, schoon kleiner van formaat, wat den inhoud

betrof meer dan verdubbeld was. Van dat oogenblik af, kwam er een

nieuw leven in eene belangstelling, die van den beginne aan boven

verwachting was geweest en nimmer was afgebroken. De Belgische pers

vereerde het Hollandsche boek eerlang met een nadruk (1853); maar deze

verhinderde niet dat reeds in het volgende jaar een _vierde_ wettige

uitgave in het vaderland noodzakelijk was, onder wier omslag nu ook

de tot nog toe hier en daar _Verspreide Stukken van_ _Hildebrand_

aan zijn hoofdwerk werden toegevoegd. Ook deze was echter in 1858

uitgeput en maakte plaats voor eene _vijfde,_--en zie hier nu de

_zesde_, in alles aan de vijfde gelijk, behalve dat eenige druk-

en stijlfouten verbeterd en waarschijnlijk ook weder eenige nieuwe

gemaakt zijn, en dat de verstandige lieden, die tot deze _zesde_

uitgave gewacht hebben zich het boekdeel aan te schaffen, zonder

vermeerdering van kosten, daarbij nog dit voorbericht winnen.

Het is den Schrijver eene streelende gedachte, dat aan zijn werk, in

deze _zesde_ uitgave, het voorrecht te beurt mag vallen in handen te

komen van een geslacht van landgenooten, nauwelijks of niet geboren,

toen hij het voor het eerst aan het licht bracht; het volwassen,

meerderjarig kroost van dat, waaronder hij zelf is opgegroeid, waarvoor

hij schreef, en dat hij schetste; maar niet minder treft het hem,

zich daarbij inderdaad te moeten afvragen of niet dit nieuw geslacht

ruim zoo zeer behoefte zou hebben aan ophelderende aanteekeningen bij

zijn werk gevoegd, als aan deze, min of meer historische, voorrede? Of

maakt niet het vierde eener eeuw; en eener eeuw als de negentiende;

maakt niet het vierde eener eeuw een tijdperk uit, lang genoeg om

een boek als het zijne hier en daar zonderling te doen voorkomen en

op menige plaats onverstaanbaar te doen worden?

De mannen, die met den Schrijver het jaar van den "Volksgeest"

beleefd hebben, tot welks eer wij nu in de hoofdstad een gedenkteeken

zien pralen, dat--eenig in zijn soort mag worden genoemd, herinneren

zich b.v. zonder twijfel de loffelijke poging nog wel, destijds van

diezelfde hoofdstad uitgegaan, om in Nederland, tot schitterender

triomf over België, eene nationale kleederdracht te improviseeren. Als

zij hunne oogen sluiten, zien zij gewis nog weder voor hun geest

oprijzen die nationale "_tunica's_", waarop de eerste nommers van het

nationale modeblad de nationale oogen deden verlieven! Maar wat stelt

het tegenwoordige geslacht zich voor, wanneer het den Schrijver van

"nationale hoeden" ziet gewagen? Wat denkbeeld vormt het zich, in dit

jaar 1864, van dameshoeden met luifels, van Rapponische krachten, van

een mathesisexamen in het Latijn, of van eene Vierde Klasse van het

Koninklijk Nederlandsch Instituut? Hoe ondenkbaar moet in zijn oogen

een Nederland _zonder_ spoorwegen; hoe buitensporig een Sint-Nicolaas

_met_ verguldsel voorkomen; hoe ongepast een karakteristiek der

periodieke pers, als in "_Gerrit Witse_" beproefd is! Wat weet het van

baleintjes om lange pijpen door te steken? van achtëntwintigen? van

veete tegen de Belgen? wat van lantarenvullers? En waar de namen van

een Smallenburg, een Macquelyn, een Don Carlos genoemd worden, waar

van de Industriëlles van Bertolotto, _De Avondbode_, de _woestijn_

van het Koegras, gewaagd wordt, zou daar voor zeer velen een kleine

aanteekening wel overbodig zijn?

Met dat al heeft de Schrijver nog niet kunnen besluiten, bij

de tegenwoordige uitgave reeds in deze "dringende behoefte" te

voorzien. Het blijve voor gehoopte latere drukken bewaard, als

de behoefte nog dringender, de _notennood_ nog hooger gestegen

zal zijn. Ook mag de Schrijver zich afvragen, of het niet al te

onedelmoedig wezen zoude, door het voorshands nutteloos maken van

hunnen arbeid, aan de oudheidkenners, Navorschers en Commentatoren

van volgende tijden een bewijs van wantrouwen te geven, hetwelk zij

in geen opzicht hebben verdiend.

De oudste stukken in dit boekdeel, waarin geene van een latere

dagteekening dan het jaar 1841 voorkomen, zijn: _Een Beestenspel_,

dat reeds in den _Studenten-Almanak_ voor 1837 een plaats vond,

en _Vooruitgang_, opgenomen in het October-nommer van _De Gids_

van dat zelfde jaar.

Wat _Een Beestenspel_ betreft, ik hoop dat het _Nederlandsch

Woordenboek_ zich ontfermen zal over den Naam. Sedert de loffelijke

instelling, welke het groot publiek zich verhardt _Apentuin_ te noemen,

en die door beschaafde lieden _Artis_, door niemand _Diergaarde_

geheeten wordt, behoort de Zaak nu reeds tot de antiquiteiten, en

heeft de wel wat woorden- en tegenstellingrijke strafrede grootendeels

uitgediend. Het "hybridisch" stukje _Vooruitgang_ dankt aan dit

zijn gebrek zelf, in verband met de wel wat ruwe, maar niet geheel

onrechtvaardige tuchtiging, welke daaraan terstond na zijn verschijning

in het genoemde maandwerk, van eene scherpe pen te beurt viel, zijn

onsterfelijkheid en voor den Schrijver een groot gewicht. Het heugt

hem als de dag van gisteren, hoe weinig de kastijding, ten dage dat

zij uitgedeeld werd, hem smaakte, en met welk eene verontwaardiging

hij zijne pen opnam en aanpuntte en een antwoord schreef en overschreef

en--ter zijde legde... "De Heer G. schijnt te hechten aan den steller,

wiens stukje hij aldus eert. Een wezenlijk talent zoekt zulk een

regter"--vond hij ergens geschreven door eene andere pen, waaruit

wel nooit iets, dat niet puntig was, is voortgekomen. [1] Dit was en

olie, en zout. Beide deden goed. Zonder dat woord, hetwelk hier, na

vijfentwintig jaren, dankbaar vermeld wordt, ware de _Camera Obscura_

misschien niet, en stellig niet beter, geschreven.

Dat echter het boek, zooals het is, in meer dan één opzicht de sporen

draagt van den jeugdigen leeftijd waarop het is tezamengesteld, ziet de

Schrijver zelf nu beter dan menig ander, en hij weet de zoo ongemeene

gunst, welke het bij zijne landgenooten steeds gevonden heeft, aan

niets anders toe te schrijven dan daaraan, dat het zijner onbekommerde

jeugd, hij weet zelf niet hoe, over het algemeen eenigszins gelukt moet

wezen, met waarheid te schetsen, zoodat in zijne kleine tafereelen de

Mensch den Mensch, en de Nederlander zijn Vaderland gevonden heeft;

terwijl de herkenning niet al te pijnlijk was gemaakt door een jong

gemoed dat, van boosaardigheid vrij, zijn vaderland en de menschen

liefhad. En, ook na vijfentwintig jaren, is dat gemoed niet veranderd.

Ook in den Vreemde is zijn arbeid niet onopgemerkt gebleven. Behalve

vertalingen van enkele episoden (die van _Keesje_ en van de

_Verguldpartij_) in het Bngelsch in _Fraser's_ en in _Chamber's

Magazine_ (1854), en in het Fransch in de _Revue des Deux Mondes_

(1856) blijkbaar van zeer bekwame hand, en van _Gerrit Witse_,

in het Hoogduitsch in _Die Niederlande_ door _Dr. Alb. Wild_

(1862), zag eene volledige overzetting van de _Camera Obscura_,

gedeeltelijk onder den titel van: _Scènes de la Vie Hollandaise_

(1856), gedeeltelijk onder dien van _Chambre Obscure_ (1860), te

Parijs het licht. Van deze zegt de Schrijver dit: dat de hem hierdoor

wedervaren eer hier en daar nog al zeer verbitterd wordt door blijkbaar

misverstand van zijne bedoeling; en dat niemand het hem al te kwalijk

kan nemen, indien hij aan hoogmoedige gedachten toegeeft, wanneer

het blijken mocht, dat het geestigste volk der wereld met zijn werk,

in _deze_ vertaling, opheeft. Er zijn voorbeelden dat vertalingen van

tijdgenooten, in latere dagen, tot opheldering van duistere plaatsen

in het oorspronkelijke werden te baat genomen. Hiertegen echter

acht de schrijver zich verplicht de nakomelingschap, met opzicht

tot _deze_ vertaling, eenigszins te waarschuwen. Wat hij b.v. met

de "leerwijze van Prinsen" mag bedoeld hebben, zal, indien het ooit

duister kon worden, niet veel licht verkrijgen uit eene overzetting

met "la doctrine des princes": en indien er ooit een tijd kon komen,

dat een volzin, als waarmede het hier in de laatste plaats voorkomende

stukje aanvangt, niet terstond begrepen werd: _nooit_ voorzeker zal

hij begrepen worden, indien men opheldering zoekt bij de volgende vrije

vertaling: "Le nom de la garde (_Baker_) est une preuve évidente--qu'il

ne faut pas avoir d'accès aux étoiles (_ster_) pour faire connaitre

le titulaire d'un emploi féminin par excellence". Ik ben benieuwd te

weten wat de Fransche _gardes_ er van gemaakt hebben [2].

Camera Obscura · 第 3 / 64 题