XXXI WAAGHALZERIJ

Des middags ging ik dikwijls een kleinen neef tegemoet, die bij den heer

S. op de Reguliersgracht school ging. Een ander neefje, ruim zes jaar,

hij zat in de tweede klas, vertrouwde zijn Moeder gewoonlijk toe aan een

dienstmeisje. Het gebeurde wel dat dit meisje te laat kwam, dan holde

Dirk maar vast naar buiten. Eens bemerkte ik bij mijn komst een heele

opschudding dicht bij de school. Een vrouw uit het volk werd besprongen

door een kleinen woesteling, die haar uit alle macht sloeg en schopte,

tot leedvermaak van zijn vriendjes en de omstanders. Zij allen toch

vonden dat het kind onrecht aangedaan werd. Zoodra Dirk mij in het oog

kreeg, vloog hij op me af, klampte zich aan mijn rokken vast en brak in

snikken uit. Daarop vertelde mij de vrouw, nog geheel overstuur, de

oorzaak van zijn driftaanval.

De arme Moeder, diep bewogen bij het ophalen van hare pas geleden groote

smart, overtuigde me, werkelijk haar plicht gedaan te hebben.

Drie maanden geleden was haar eenig kind, een jongen in den leeftijd van

Dirk, dood thuis gebracht. Spelende langs het smalle, blauwe randje van

de kade, was hij in de gracht gegleden en jammerlijk verdronken. Bij het

plotseling ontwaren van Dirks waaghalzerij, had ze in moederlijke

opwelling, den jongen naar het midden van de kade gesleept en hem een

klap gegeven.

Ik kalmeerde Dirk door hem te doen begrijpen, waaròm die vreemde vrouw

hem aldus behandeld had. Hij voelde nu wel, dat het hier geen

machtsmisbruik was. Ik liet het kind de vrouw beloven, dat hij nooit

meer op het kantje van de kade zou spelen.

Ook Dirk had niets misdaan.

Bestaat er één echte jongen, die niet telkens weer de moeilijkheden en

het gevaar zoekt?

Het is zijn natuurlijke oefening in zelfvertrouwen, moed,

zelfbeheersching, in zedelijke krachten.

Maar _ik_ wil er voor waken, dat hij de juiste grens niet overschrijdt,

n' en déplaise Jan Ligthart, die het begaan van elke gekozen

waaghalzerij, een onmisbare factor acht voor het winnen in willen en

kunnen.

Ik raad u, uw kleine jongens niet toe te staan langs de leuning van de

trappen naar beneden te glijden, waar de afgrond gaapt, langs de dakgoot

te wandelen of op het randje van de kade te balanceeren.

Evenals ik onzen achtjarigen Jo, die met een stalen gezicht zijn

lepeltje chinine slikt--terwijl hij tegen zijn zusjes er op snoeft, dat

ze zoo lekker smaakt--_belet_, de geheele flesch te ledigen.

Hij beweerde het gaarne te willen.

Paedagogische Overwegingen · 第 42 / 57 题