Een fiere jongen, onze oudste... 'n "Baasje" eigenlijk. Het is de
eenige bijzondere aanmerking, die we op het kind maken. Misschien tilt
Moeder hem wel wat over het paard, door hem reeds in vele ernstige zaken
in te wijden.
Piet is heel verstandig, maar toch pas tien jaar. Hij spreekt zijn
meestal goed oordeel te beslist uit en Moeder hecht er veel waarde aan.
Wat hij merkt.
Rrrrrrrrrt...... gaat de bel, zoolang tot er opengedaan wordt. Een
opgewonden troepje stormt binnen.
"En een penkalapotlood van Rob, een fleschje kleurinkt van Bert, een pak
chocolade van..." alle kinderen schreeuwen door elkaar. Op een verjaardag
wordt door ons veel getolereerd. De twee prentbriefkaarten, die hij van
zijn onderwijzer gekregen heeft zijn voor Piet wel het meest waardevolle
geschenk. Hij ziet er gemeenlijk niet naar om, maar deze kaarten
streelen zijn eigenwaarde.
"Nu komt nog de _lekkerste_ verrassing", grapt Moeder in haar
vreugderoes. Het maakt de kinderen gulzig. Ze vallen haast aan, op het
groote stuk taart, dat de ledige boterhammetjes, tot een koningsmaal
verhoogt. "Zie toch eerst eens hoe leuk", zegt Moeder argeloos en nadat
Piet het opschrift van de taart gelezen heeft--Aan den jarigen zoon van
mijn Dokter, uit dankbaarheid, Bakker N., in sierlijke suikerletters als
gecalligrapheerd op het plateau--is hij doodsbleek en roept gekrenkt
uit:
"Maar _ik_ had ze zelf mogen deelen, de taart is van mij!"
Moeder, uit het veld geslagen, verweert zich (zeer onhandig) met "van
_jou_ is niets, _ik_ heb over alles te beschikken."
Piet loopt weg met tranen in de oogen, nog driftig uitstootende "ik wil
niets van de taart eten!"
Hij spoedt zich naar zijn kamertje.
Moeder, wij allen, zijn ontdaan.
--Toen Vader vanmorgen bij een zijner patiënten binnenkwam, liep het
jarige kind met een feeststrik op den schouder rond. Het ventje was pas
hersteld van een ernstige ziekte. Hé, vertelt de dokter, mijn oudste
jongen viert vandaag ook zijn geboortedag. De Vader van het patiëntje
grijpt blijde de gelegenheid aan om zijn dokter te verrassen.--
"Ga jij eens met hem spreken. Je kunt hem wel kalmeeren", stelt Moeder
me voor.
"Nu liever niet! Met een opgewonden kind is niet te praten. Hij kan best
een maaltje overslaan. Piet gaat stellig op tijd naar school. Daar zal
hij kalm worden. Ik zal hem vanmiddag aan de deur opwachten."
"Dag tante", zegt Piet gemaakt vroolijk, als hij 's middags uit school
komt. "Is er al bezoek in de huiskamer?"
"De tantes zijn er en Mevr. X."...... Hij aarzelt......
"Je kunt het toch wel zacht tot Moeder zeggen, dat het vanzelf sprak,
dat zij de taart zou verdeelen. Dat is _haar_ taak!" Wanneer ik als
huisgenoote een taart krijg, zou ik ze immers ook door Moeder laten
deelen.
"Maar hij is tòch van mij", streeft hij tegen.
"Nu ja... krijg jij een geschenk van iemand die je heelemaal niet
kent?... Waarvoor is bakker N. je zoo dankbaar?... het was een attentie
aan Vader bewezen, het gezin ter eere van je verjaardag te tracteeren,
dat voel je nu wel. Zoo vatte Moeder het op."
Als uit een droom ontwaakt, kijkt Piet me met opengesperde oogen
verhelderd aan.
"Maar Moeder zei dan toch, dat zij altijd over alles beschikken mocht en
ik nooit zelf iets mocht bezitten."
"Je deedt Moeder onrecht en daarnaar antwoordde ze. Heb je ooit ervaren,
dat Moeder iets van je weggenomen heeft! Je moogt de chocolade, die je
krijgt, toch altijd zelf deelen. Heeft Moeder ooit zonder je toestemming
een ander kind met je speelgoed laten spelen?"
Verruimd vliegt Piet naar Moeder en maakt het voorgevallene op zijn
eigen innemende wijze bij haar goed.
Het was treffend, 's middags aan tafel, terwijl hij het bijzondere
portie taart zat te smullen, Piet te hooren uitroepen: "Lekker Moes!"...
"dank U vriendelijk!"... "fijn Moes!"...
Allen waren heel tevreden en opgewekt. Moeder, Vader, Piet, de zusjes en
broertjes en... ik niet het minst.
* * * * *
Geen lange redeneeringen, waarbij het kind altijd wel iets vindt, om
zijn inzicht te verdedigen. Met het korte woord, dat aansluit aan zijn
innerlijke ervaring heb ik altijd mijn opvoedelingen tot een juist
inzicht weten te brengen. Dat woord moet slechts aangebracht worden
wanneer het kind kalm is.
* * * * *
=Naschrift.= De geachte inzendster schrijft mij hierbij nog het volgende:
"Ik heb het geval als "beschreven" behandeld. Daarna debatteerden we er
nog met velen over, w.o. medici en juristen. De moraal verlangt
natuurlijk, dat we aan de waarheid niets toevoegen of veranderen om voor
haar te getuigen. Wat ik tot het kind zeg omtrent den bezitter van de
taart is wel juist, maar _juridisch_ is de taart zeker van het kind. In
dat geval had Moeder wel kunnen wachten tot het kind thuis is en dan
zeggen: "Nu, je vindt het zeker wel goed, dat ik ze verdeel" of zoo
iets. Bij mijn redeneering tot het kind laat ik weg, dat de taart van
hem is. Ik zeg wel: "nu ja..." waarmede ik bedoel: "de taart is wel van
jou, maar eigenlijk van Vader". Is mijn redeneering, die hier succes
had, uit een paedagogisch-moraal oogpunt juist?" En dan vraagt zij mij,
hoe ik er over denk en wat ik c.q. zou gezegd hebben.
Mijn antwoord is: als ik iets op dit verhaaltje aan te merken heb, dan
is het zeker niet op de redeneering, waarmede Piet overwonnen werd. Want
die acht ik volkomen juist. Eerder zou ik twijfel kunnen koesteren of
Piet's gedrag wel volkomen historisch juist is voorgesteld. Want een zoo
sterk _juridisch_ begrip van eigendom is bij kinderen zeldzaam. Zij
hebben wel _een zeker_ begrip van eigendom, maar juridisch getint is het
niet. Het is veel naiever, veel ruimer, hoe zal ik zeggen? veel
vloeiender. Ook al gebruiken zij, bij gebrek aan andere, daarvoor
dezelfde woorden, die wij voor den juridischen eigendom gebruiken. "Dat
hoort van mij" beteekent in hun mond zoo iets als: "daarop heb ik een
bijzondere betrekking, meer dan iemand anders. Daarover heb ik dus ook
meer te zeggen dan iemand anders." Wanneer er op een verjaardag een
taart op tafel komt, dan gevoelt de jarige al heel licht daarop zulk een
bijzondere betrekking, ook al staat er geen opdracht aan hem op. Een
betrekking van juridischen eigendom is dat echter niet; mogelijk
evenwel, dat het feit, dat er een opdracht op staat, er een ietwat meer
juridischen tint aangeeft, vooral bij een kind, dat daarvoor aanleg en
temperament heeft. Maar, de hoofdzaak is toch altijd, dat de taart in
nauwere betrekking staat tot hem dan tot één van de anderen. Aan dat
gevoel zal in de meeste gevallen voldaan zijn, wanneer bij de verdeeling
de jarige het eerste stuk krijgt, wat geloof ik iedereen van zelf zal
doen, zoo natuurlijk is het. Voor zelf-uitdeelen komt een taart uit den
aard der zaak niet in aanmerking. Dat is goed voor een doos flikjes of
confituren, die het kind op zijn verjaardag krijgt. Die is inderdaad
"van hem" en daarvan deelt hij dan uit; dat is een deel--en als het goed
is, niet het kleinste deel--van het genot, dat hij ervan heeft. Maar een
taart in stukken deelen behoort niet tot de functies van een kind, en
bovendien, wat belangrijker is: een taart is _per se_ bestemd om te
dienen als een tractatie voor de gansche familie. Dat weet ieder kind
heel goed en daarom kan er ook geen sprake zijn van een juridisch
eigendoms- en verdeelingsrecht over een taart, ook al staat er
honderdmaal een opdracht op, en een kind, dat daarop aanspraak maakt,
heeft m.i. ongelijk. In het onderhavige geval kwam er bij, dat de taart
feitelijk een dankbetuiging was aan den vader, zooals dan ook zeer
terecht Piet onder het oog wordt gebracht.
Dat alles neemt niet weg, dat Piet, in den bovenbedoelden zin, een
zekere bijzondere betrekking had op de taart, en _in zooverre_ is
ongetwijfeld,--indien werkelijk (het verhaal is op dit punt niet
overmatig duidelijk) de taart nog vóór dat die bijzondere betrekking tot
haar recht was gekomen, reeds door moeder was in stukken gedeeld--een
inbreuk gemaakt op het kinderlijk gevoel. Niet echter op het
eigendomsgevoel (ook al gebruikte Piet zulke uitdrukkingen) maar op het
gevoel, dat bij kinderen, gelijk Mej. Asscher ook weet, bijzonder sterk
ontwikkeld is en altijd met verstand ontzien moet worden: het gevoel van
recht en gerechtigheid.
Er is dan zeker een fout begaan, die verergerd werd door Moeders
onhandig antwoord (als ook dit historisch is). Maar dat gaf Piet
natuurlijk niet het recht om op te spelen. Nu hij het toch deed, moest
hij terecht gebracht worden. Hoe? Wel, daarvoor zou ik geen betere
manier weten dan de hier geschilderde, die m. i. in de slotopmerking ook
volkomen juist wordt gemotiveerd.