"Dus je wilt het wel voor me doen? Ik zal het heerlijk vinden. Het geeft
me rust tijdens de reis, te weten, dat je voor hem zorgt. O, hij is
heelemaal niet lastig. Maar "het kind" te begrijpen is voor een ander
dan de Moeder zoo moeilijk. 's Morgens bijv. laat hij me na half zes
niet één oogenblik meer slapen, tot hij om zeven uur door het meisje
weggehaald wordt. Het mooiste speelgoed kan hem niet bekoren. Hij eischt
me geheel. Dat is zijn recht."
"Oho Mevrouwtje!"
* * * * *
"Kukelekuku!... Kukelekuku!... Ik is het haantje van de buren!...
Kukelekuku!... Ku-ke-le-ku-ku!... Kukelekuuuuuuu...
KukelekuuuuuuUW!......"
Als gehypnotiseerd lag ik tegenover hem.
Bob bracht nu zijn ééne beentje over den dicht geknipten neerslag van
zijn ledikant, hield zich met de mollige knuistjes om den rand stevig
vast en hoonde "...Kijk us, ik klim... ik gao faole... Je moet toch op
me passe... Eetje..."
Niet één willekeurige spier van mijn lichaam bewoog zich. Behalve één
oog lichtelijk om hem te kunnen volgen. Ik overtrof me zelf bij dien
leuken snuiter.
"Plots" ligt hij op de mollige vacht. Onder hevig angstgeschrei had hij
zich voorzichtig laten afglijden en kermde nu of hij zoowat al zijn
ledematen had gebroken.
"En werd u niet boos?"
"Boos? Welneen. Hij was in zijn recht, juist! Want ik moest hem toch
eerst _leeren_, dat wij, die ons met veel opoffering en liefde aan onze
kinderen wijden, ook het recht hebben op de noodige rust, zonder welke
we trouwens onze taak bij hen niet behoorlijk kunnen vervullen. Ook, dat
in het leven zijn recht eens niet geteld zou kunnen noch moeten worden,
waar de meer belangrijke rechten van anderen in het spel waren."
Na zich een poosje vergeefs vermoeid te hebben, nam hij een stoel, klom
zeer behoedzaam in zijn bedje en ging liggen uitrusten van zijn
krijgsverrichtingen.
Allerlei verschillende geluiden, als van den spoortrein, de auto, de
stoomboot, de vliegmachine, liet hij verder van tijd tot tijd met
grooter tusschenpoozen en al mindere krachtsverheffing hooren.
Om zes uur genoot Bob den gezonden slaap, waaraan hij tot zeven uur nog
behoefte scheen te hebben. Den volgenden morgen probeerde hij het nog
met verschillende korte dialogen, als: "Ik ben zoet, jij Eetje is een
slaapmuts."
De latere dagen merkende, dat mijn standvastigheid grooter was dan zijn
hardleerschheid, bleef hij doorslapen of rustig liggen tot het appèl.
Het was na drie weken een teeder afscheid tusschen den driejarigen Bob
en mij. Daarom beloofde ik, als Moeder 's morgens vroeg tevreden over
hem was, ik hem nog eenige malen Zaterdagmorgen om twaalf uur van de
fröbelschool zou komen halen en dat hij dan tot Maandagochtend bij mij
mocht logeeren.
Moeder verklaarde me dankbaar, dat ze nog nimmer een zóó afdoend succes
met eene of andere behandeling bij hare kinderen had ondervonden.