Der ongerechte busse, heeft, zonder staatverschooning,
Den eenen vorst gezet tot 's anders vorst en koning?
Wat euvler[236] God verdeelt de slaven hier en daar?
Wat, den bedrukten streng en onzacht, middelaar
Zoo luttel kennis draagt in heeren uit te keuren,
En leît d' ellendige nog heilloos ramp te veuren[237],
In 't wreken al te wreed, van hand en van gemoed?
Wie voegt de moeder doch van Hector bij het bloed
Van Æacus[238], en bij zijn' wapenen en troepen?
Of word ik weder naar den Ithakois geroepen?
Nu dunkt me, ik ben slavin: nu wint de Griek den kamp:
Nu dunkt me, ik ben bezet van allerhande ramp.
Ik schaam mij zulken heer, maar niet, dat ik moet slaven.
Zal die met Hectors buit zoo trotsch gaan henen draven,
Die, Ajax eer te spijt, Achilles' roof[239] ontdroeg?
Daar ooit de zee rondom 't onvruchtbaar eiland sloeg,
Zal hier mijn grafsteê zijn? koom hier, koom hier, verbolgen
Ulysses! leid me weg, ik zal mijn meester volgen;
Ik kreunsme[240] niet, mijn lot mij navolg', naar mijn lust.
Geen stilte zij op zee, noch aangename rust.
Van winden woede 't meer; dat Priaams ongelukken,
En mijne, en krijg en vier der Grieken legers drukken:
En ondertusschen dat deze onderwege zijn,
Zoo woed' dees straf alreê. Ik, vol verdriet en pijn,
Heb u een lot verstrekt, dies is u 't loon onttogen.
Maar Pyrrhus komt daar aan, met wrevelmoedige oogen,
En spoedt met snelle treên. Wat wacht ge Pyrrhus? hoe!
Koom, opent mijne borst met ijzer: treê vrij toe,
En help den schoonvaâr doch en schoonmoêr van uw vader
Eens bij malkanderen. Gij slachter, gij verrader
Van grijze en oude liên! dit bloed dy meê betaamt[241];
Koom, sleept me, ontrukt me meê; met neêrslag[242] onbeschaamd
Ook d' Oppergoôn bevlekt, en schimmen dieder waren[243].
Wat zee wensch ik uw vloot? ik wensch haar zulke baren
Gelijk uwe offerande en gruwel wel vereischt.
De gansche Grieksche vlote, als gij nu henen reist,
Uw duizend schepen fluks (als mijn' bedroefde ziele[244]
Gevoerd wordt) overkoom' hetgeen ik wensch mijn kiele.
REI.
Die treurt en zit verslagen,
Is 't zoet, dat vele klagen,
Is 't zoet, dat heele volken
Bang stenen naar de wolken.
De tranen en misbaren
Min nijpen, als er scharen
Bedrukt te gader weenen,
En om haar rampspoed stenen.
Die groote droefheid smaken,
Zich altijd nog vermaken,
Dat hunn' kwade avonturen
Vele andere ook bezuren,
En dat ze niet alleene
Zijn weerloos voor die peene[245].
Geen mensch ontzeit te dragen
's Volks algemeene plagen.
Geen acht zich dan ellendig
Al is hij 't schoon inwendig.
Neemt weg die zaliglijken
Bedijen; zet de rijken
Ter zijden, die beklijven
Met goude en zilvre schijven;
Neemt weg, die steeds met zwoegen
De rijke landen ploegen,
Met honderd ossen tevens:
Zoo zal, vol moeds en levens,
Zich 's armen moed verheffen,
Ziende alle staten effen;
Want niemand, hoe bezweken,
Is arm, als[246] vergeleken.
Zoet valtet[247] boven allen
Wiens zaken zijn vervallen,
Dat niemand onder 't maanlicht
Lacht met een vrolijk aanzicht.
Die met een schip, uit liefde
Van winst, de baren kliefde,
Wanneer hij naakt ontzwommen
De zeestrand heeft beklommen,
Hij zal bedroefd, och armen!
Om zulk een rampspoed karmen.
Hier tegens wij bevinden,
Dat, _dien_ de storremwinden,
Ja, schade minder wonden,
Die in de woeste gronden
Zag teffens duizend schepen
Van 't onweêr onder slepen,
En 't heele vlak zag drijven
Vol hout en doode lijven,
Als Corus'[248] strenge onweêren
De zee belet te keeren,
Met d' aangeparste golven.
Eer Fryxus[249], schier bedolven
Van 't schuim, vol schriks en beven,
En eenig overbleven,
Heeft Helles lijk bekreten,
Helaas! doen ze afgesmeten
Viel midden in de vloeden,
Die tuimelen en woeden;
Doen haar de ram afschudde,
De leidsman van de kudde,
Wiens lijf was overtrokken
Met glinsterende vlokken;
Wiens gouden rug de broeder
En zuster, hunn' stiefmoeder
Ontvluchtende, beschreden.
Zelf Pyrrh'[250] hiel zich tevreden,
Als haar gemaal behouden
En zij de zee aanschouwden,
En niet als zee vernamen,
Doen zij 't alleene ontkwamen.
De vloot nu schielijk herwaarts
Gedreven, nu weêr derwaarts,
Zal dit gezelschap scheyen,
En onze tranen spreyen:
Als schippers en stierlieden,
Op scheeptrompets gebieden,
Tzeil gaan, en hunne roeyers,
Als kloeke waterspoeyers,
De diepte eens vatten vlugge,
Als 't strand zal vliên te rugge:
Hoe zullen dan uw zinnen
Te moê zijn, o slavinnen?
Als gij de groote plassen
Ziet groeyen, 't land ontwassen;
Als Ide allengs zal blaauwen,
Neerduiken, en verflaauwen?
De moeder zal haar zonen,
De zoon de moeder toonen,
In welken oord en wegen,
Dat Trojen is gelegen;
En met den vinger wijzen
En zeggen: "daar gij rijzen
Ziet hemelhoog dat smoken,
Die damp, en 't leelijk rooken,
Daar zijn Neptunus' vesten
Verwoest, vernield, ten lesten
Van dees vervloekte Greeken."
De Frijg zal bij dat teeken
Van verre zich gewennen,
Zijn vaderland te kennen.
DE VIJFDE HANDEL.
BODE, ANDROMACHE, HECUBA.
BODE.
O noodlot, vol van vloek, van wreedheid, deernis, schrik!
Heeft Mars, in tien jaar krijgs, met zoo verwoed een stik[251],
Zijne oogen ooit vermaakt: wat zal ik eerst verklaren?
Wat heft mijn klacht eerst op: uw eiselijk bezwaren,
O uitgeleefde vrouw? Of zal 't uw rouwe zijn?
HECUBA.
Wat leed, dat gij beschreit, gij zult beschreyen 't mijn.
Elk heeft zijn eige ramp; mij zij te gaâr aantaste',
En wie ellendig is, die is te mijnen laste.
BODE.
Ik heb de maagd zien slaan[252], 't kind worpen[253] van de tin,
Maar met een moedig hart haar sterven, hem niet min.
HECUBA.
Verhaal de dobble moord, en reeks van schelmerijen.
Het wroeten in mijn wonde is mijn gemoeds verblijen.
Leg al de toekomst uit.
BODE.
Één toren heeft de brand
Van 't groote Trojen slechts gelaten in zijn stand:
Van wiens verheven top en gekanteelde boorden,
Plag Priaam zittende te stieren de slagoorden,
En d' oorloogsmaat te slaan. Hij, grootvaâr, hier zijn neef[254]
In zachten schoot gestoofd, wees aan, hoe Hector dreef
Den Griek, en deê terug gemeenen man en heeren,
Als hij met vier en zwaard daar achter her was, keeren,
Door last van grooten angst; en liet den jongen held
Aanschouwen, welk een man zijn vader was in 't veld.
Dees toren, eerst bekend voor een cieraad der vesten,
Maar nu een moordklip, wordt door 't graauw en door de besten
Van ieder oord omringd. Al 't volk, met ééne veeg,
Komt derwaarts aangerukt. De schepen loopen leêg.
Een menigt' hier van liên zich op een heuvel zette,
In vrije lucht, daar niets het uitgezicht[255] belette;
Daar, op eene hooge rots zijn kruin[256]; alwaar zij gaan
Zich plantende in 't gewicht op hunne tenen staan;
Andre op een pijnboom, beuk, of lauwer zich begeven,
En 't opgehangen volk het gansche woud doet beven.
Zulk, voor de keur[257], den kant van steilen berge nam,
Een ander een stuk daks vergeten van de vlam.
Zulk een beklimt een muur, die reed staat om te breken,
En 't lijf waagt op een steen, onvast door 't oversteken;
Ja, 'k heb gezien de tomb van Hector dienen meê,
Fy onbarmhartigheid! den kijker tot een steê.
Doen kwam, met fieren moede en hooggeheve schreden,
Scheil[258] makende in den drang, Ulysses aangetreden:
Bij zijner rechtehand hij Priaams neefken[259] had,
En trok hem voorts. Het kind met wakkren gange trad
Na d' hooge vest; het sloeg niet eens versaagd nu herwaart,
Staande op den torenkant, zijn streng[260] gezicht, nu derwaart.
Gelijk een teder jong van een geweldig wild,
Al is 't nog zwak van tand, zijne ijdle beten spilt
In 't toonen van den aard, die 't doet tot forschheid neigen,
En, van verbolgenheid gezwollen, woedt met dreigen;
Alzoo dat brave kind, van vijands hand bekneld,
Had volk en vorsten, ja, Ulysses zelf ontsteld,
En zijn gehardheid deê den mannen 't hart ontvallen;
Alleen en schreit hij niet, die wordt beschreit van allen.
En middlerwijle dat Laërtes' zoon bestond
Den paap[261] te bidden na, en aanhitst, stijf van mond[262],
Ten offer wreede Goôn, is de onversaagde jongen
Van zelven midden in zijn grootvaârs rijk gesprongen.
ANDROMACHE.
't Geslacht van Colchos, fel en bitter in den aard,
De onburgerlijke Scyth, met wien zijn huis vervaart[263],
Of 't wetloos volk, hetwelk bewoont d' Hyrcaansche stranden,
Waar heeftet ooit geschend aan zulk een stuk zijn handen?
Wie hoorde van Busyr[264], dien wreedaart, zulk een maar,
En dat ooit kinderbloed besprenkelde 't altaar?
Zijn paarden, menschen-vleesch gewend voor voeder t' eten,
En heeft het Diomeed zoo jong nooit voorgesmeten.
Maar wie bestelpt[265] uw leên, en levert ze aan het graf?
BODE.
Wat leden spaarde doch de steile plaats daar af?
De zwaarte, die, recht toe recht aan, en zonder horten,
Met zoo gezwind een slag kwam tegens d' aarde storten,
Heeft al de leên geknist[266] en vliegen doen om veer.
't Uitmuntend lijf, die mond gelijkt zich zelf niet meer.
Zijns vaders edel kroost[267], in hoogsels, diepsels, holten
Zich openbarende, leît t' eenemaal gesmolten.
De nek is uit het lid, en uit het harsen-vat,
Door eenen keizelsteen gekraakt, is 't brein gespat.
Het lijf leît maakselloos[268].
ANDROMACHE.
Het zweemt[269] zijn vader weder.
BODE.
Na dat geworpen was het kind van boven neder,
En 't heer den grouwel, dien 't gewrocht had, heeft beweend,
Valt aan een ander stuk de zelleve[270] gemeent,
En aan Achilles' tomb. De golven slaan van buiten
Hier tegens zachtlijk aan. Van de andre zijde stuiten
De vlakke velden op een heuvel, die al heel
Het middelst sluit, en rijst als zitsteên van tooneel[271].
De groote toeloop vult terstond den ganschen oever.
Een deel is van geloof, dat deze daad de schroever[272]
Der schepen wezen zal, en brengen ze in gebruik;
Een ander ziet met lust uitdrogen 's vijands struik[273];
Een groot deel graauws (waarbij zijn lichtigheden blijken)
Verfoeit het schellemstuk, en loopt het lijkwel[274] kijken.
Niet min en spoeit zich naar zijne uitvaart de Trojaan,
Die met zich zelven komt te lijk en graafnis gaan;
Onmachtig, door den angst, van siddren zich t' onthouwen,
Zoekt hij den laatsten val van Trojens vest t' aanschouwen.
Met[275] komen huwlijkswijs de fakkelen voor uit;
Heleen, met bukkend hoofd, gaat treurig voor de bruid.
Den Troischen dunkt die toorts gehaald uit Pluto's hoeken,
En zulk een stacy zij Hermione[276] toevloeken,
De vuil' Heleen alzoo haar man zij thuis gevoerd!
Een schrik ter wederzijds 't verbaasde volk ontroert.
De maagd haar aanschijn laat van schaamt voor over hangen,
Een glans, die speelt haar op de jeugdelijke wangen;
Des niettemin, en 't fraai[277] nu loopende op een end,
Ruim zoo bevallijk blinkt als het ooit was gewend;
Gelijk als op zijn schoonst Apol is, wen zijn rossen
Te wedd' gaan, en hem 't licht der starren komt verlossen,
En dat de twijfeldag[278] den nacht krijgt op den hals.
De menigt staat versuft. Men prijst, doch naauw van all's
Een ding zoo zeer, als 'tgeen dat ons nu wordt onttogen;
Die[279] door haar schoonheid, dees is door haar jeugd bewogen,
Dees door het dwaalziek luk, dat heining kent noch sloot,
Al tzamen door dien moed, uitdager van de dood;
Z' heeft Pyrrhus achter haar; ja, d' harten zelfs der riddren,
Zoo wel als van het schuim des legers, staan en siddren,
Vol van meêdoogendheid en van verwondering.
Na dat den steilen berg ten top de jongeling
Beklommen, en dat hij nu op de kruin verheven
Van vaders hooge tomb zich had in stand begeven,
De dappere mannin in 't minste niet en zwicht;
Zij staat hem, forsch den slag biênde een fel[280] aangezicht.
Zoo kloek een moed doorsnijdt het hart van stoute en bloode.
En een nieuw wonder is hier Pyrrhus suf op doode'[281].
Met dat[282], van zijner hand de stijfgejaagde kling
In d' overschoone borst tot aan 't gevest toe ging,
En maakt een wijde wond, zoo dat de ribben knarsten,
De dood daar in, het bloed daar schielijk uit kwam barsten;
In 't sterven zelf nochtans zij van den moed niet scheidt:
Voor over stortte zij met gramme krachtigheid,
Alsof ze Achilles had met d' aarde willen pletten.
De scharen schreyende zich allebeide ontzetten:
De Frygiaan bedeesd geluid van stenen slaat,
De triomfeerder klaar zijn stenen hooren laat.
Dus ging het offer toe. Al 't bloed werd van 't verbolgen
En wreede graf, eer 't staan of vloeyen kon, verzwolgen.
HECUBA.
Gaat Grieken, gaat! u roept een veilge weg te rug:
Ontvouwt het laken[283], maakt uw hooge stevens vlug,
En spouwt[284] de zee; gij hebt haar weigren niet te schromen.
De maagd en 't kind zijn om-, de krijg ten end gekomen.
Waar met mijn tranen heen? waar, leider! spuw ik uit
D' oûwijfelijke[285] ziel van dezen taayen huid?
Zal ik mijn docht'r, of neef, mijn man of land betreuren?
Of all' of mij? o, dood! mocht gij mij slechts gebeuren!
De jonge kinderen, de maagden gij verdoet[286]
Met kracht, en overal met haastigheden woedt;
Alleene schreumtge[287] mij, en weet me tusschen 't stuwen
Der pijlen, onder 't zwaard, en in den brand te schuwen.
Gij hebt mij, die u zocht, den heelen nacht geweerd,
En vijand, val, noch vier mijn leden heeft gedeerd.
Stond ik u niet zoo reed[288] als Priaam?
BODE.
Slaafsche hoopen,
Ras t' scheep! de vloot wil t' zeil, en is al afgeloopen.
[1] Priam's weduwe van Troje.
[2] van Priam.
[3] _kwansuis_; wellicht verbasterd van 't Spaansche _achaque_;
anders met het gewone _kak_ (in _kak_peis, kak_hiel_, 't Zeeuwsche
_kekkemegge_ en 't plat-Engelsche _cackmag_ (voor _ijdele praatjens_))
in verband te brengen, en in zooverre De Vries' verklaring van 't
woord op Warenar (bladz. 132) te wijzigen, als ook _kecke_ vandaar wel
herkomstig zijn zal.
[4] Reael en Hooft hadden haar namelijk eerst naar Seneca's _Troades_
in proza vertaald, en was zij daarop door Vondel in verzen gebracht.
[5] Voor _hoort_ of _behoort_ (verg. 't Hoogd. _gehört_).
[6] _dij_; verg, vroeger.
[7] _Dithyrambe_, met averechtsche afleiding als ware het _door twee
deuren gegaan_. 't Woord is van onzekere herkomst, maar met _thriambos_
(zang) verwant.
[8] Hugo de Groot.
[9] De Huberts _Psalmberijming_.
[10] _eindbesluit_ (verg. 't Hoogd. Reichs-_abschied_).
[11] De _Waerschouwinge_ voor die Psalmberijming in 't licht gegeven,
als de uitkomst der Taalbespiegelingen van de dichters Hooft, Vondel,
en De Hubert in hun onderlinge bijeenkomsten.
[12] Hecuba's dochter.
[13] Achilles.
[14] _uitgedost_.
[15] _steeds_.
[16] Thans _Don_.
[17] _Van den Tigris tot de Roode Zee_.
[18] _Penthesilea_; zie boven, bl. 157b, aant. 77.
[19] Lees: _Pérgamum_, en niet (als de maatslag verkeerdelijk
meêbrengt) _Pergámum_.
[20] Voor _welfsel_.
[21] _opdwarrelen_.
[22] Voor _bezadigd_.
[23] Haar overleden echtgenoot, koning Priam.
[24] _Daarbij_.
[25] _Hector_.
[26] De onheilspellende Cassandra.
[27] _Van den geest vervoerd_.
[28] _lang vóór Cassandra_.
[29] _stel ter zij; laat daar_.
[30] Van zijn _lijk-verbranding_, niet (met V. L.) van zijn levensvlam
te verstaan. De vertaling, in deze drie breedsprakige regels, van twee
bondige Latijnsche, is niet zeer gelukkig.
[31] _terwijl_.
[32] Verouderd voor _schoondochters_.
[33] Voor _vrouw, Andromache_.
[34] De berg, waar Paris zijn uitspraak deed.
[35] Versta: _voor haar, die_.
[36] De stad _Amyclae_, in den Peloponnezus.
[37] Voor _geheiligd_ (aan de Godin Cybele).
[38] Versta: _te verbranden_.
[39] _Aan welke_ (volgsters nam.).
[40] _in reizang betreure_.
[41] _vrouwenrok_; hier voor 't onderkleed in 't algemeen.
[42] _verledigt u, houdt u onledig_.
[43] _past, voegt mij_.
[44] Thans _niets_.
[45] _open-baar, leg bloot_.
[46] Herkules, die eerst (tijdens 't bewind van Laomedon) zelf de stad
ingenomen had, en wiens boog en pijlen thans door Filoctetes waren
meêgebracht.
[47] _beenderen_.
[48] Voor _Grieken_ (verg. 't Lat. _Græci_).
[49] Spreek uit als met dubbele i, naar den oorspronkelijken aard der
ij.
[50] Rijmshalve voor _zwaaide_.
[51] Agamemnons hofstad.
[52] Naar de levende spreektaal, voor _welke God_.
[53] _droggezicht_.
[54] _gepersd_.
[55] _vermorseling, vergruizing_.
[56] _Achilles_.
[57] Stoplap van Vondel.
[58] Achilles, als hoofd van Scyros.
[59] _leidde_.
[60] Cygnus.
[61] Voor _bedding_.
[62] Verkeerdelijk voor _nalatige_.
[63] _ontbindt, maakt los_.
[64] Germ. voor _zee_.
[65] Ontkennend; verg. vroeger.
[66] Naar de dagelijksche spreektaal. Evenzoo 16 regels lager _wanneer
dat_.
[67] _goed gemaakt_.
[68] _vertoefd, vertreuzeld_.
[69] Zoo lees ik voor _val_, dat geen zin geeft.
[70] _vallen zou_.
[71] Het _zwaard_, dat hij van den vermomden Ulysses aannam, en
waardoor hij zich--in zijn vrouwelijke kleeding--als man verried.
[72] Zie boven, aant. 66.
[73] Voor _wond, hem, den koning,_ (van Myzië) _toegebracht_.
[74] Door de genezing, die hem (naar de uitspraak van het orakel) van
dezelfde hand gewerd.
[75] _vermaard_.
[76] Rivier van Myzië.
[77] Thans met verscherping en afsluiting _ter loops_; (verg.
_trouwens, doorgaans, benevens_, enz.).
[78] Rijmshalve voor _plaatsen_.
[79] _voorbereiding, inleiding_.
[80] _drom_.
[81] Koning van Ethiopië, die Priam was komen helpen.
[82] Thans in 't verlengde _vertoonen_ zaamgetrokken.
[83] _vorm, voorkomen_.
[84] Zoo lees ik, naar Vondels doorgaande gewoonte, voor 't wanluidende
latere _zijn'r eige daad_.
[85] _laatste vrees_.
[86] _wakkerste, stoutste_.
[87] _rondborstig spreken_.
[88] _overwinning_.
[89] In zijn oorspronkelijke beteekenis van _verdriet_ ('t Lat.
_dolor_).
[90] _verheft, verheugt_.
[91] Priamus.
[92] Gelijk steeds voor _toen_.
[93] Versta: _levensadem, leven_.
[94] Agamemnons vader en oom, Atreus en Thyestes.
[95] Door zijne grootmoeder, Thetis, als Zeegodin.
[96] Achilles' grootvader, die met Rhadamanthus en Minos de
onderaardsche vierschaar vormde.
[97] Namelijk Calchas, tot wien hij zich thans wendt.
[98] Zaamgetrokken uit _Godes_, anders _Gods_.
[99] _voor_.
[100] _prijs_.
[101] _leiden tot_.
[102] "In dezen Rei wordt voorgesteld het schadelijk gevoelen der
Epicureën en Stoïcynen; daar zich geen Kristen aan zal argeren, te min
alzoo het hier met sommige gelijkenissen eer opgepronkt en verlicht
wordt, als bewezen." (Vondel).
[103] _verergere, afneme_.
[104] _echt-_ (d. i. eigenlijk _wet-_) _genoot_.
[105] Voor _urn, lijkbus_.
[106] Ontkennend.
[107] Het bekende, gevleugelde _dichtpaard_.
[108] Die van den Dierenriem.
[109] Als Maangodes.
[110] _kromme_.
[111] Verbeter: _Voor korte wijl_ (spatium per breve).
[112] Thans _niets_.
[113] Voor _ondeelbaar_; verg. vroeger.
[114] Thans _vreezen_ (verg. ons _Godsvrucht_, en 't Hoogd. _Furcht_ en
_fürchten_).
[115] Die van haar gemaal namelijk.
[116] Astyanax.
[117] _belet, weêrhoudt_.
[118] _stand_ (verg. _ge-stal-te_).
[119] Thans _konden_.
[120] Verbeter _mond_.
[121] _ijlenden, suffenden_ (verg. nog ons _bazelen_ en _verbazen_).
[122] _vroeger_ (tijdens zijn _wijlen_ hier).
[123] De eigen, ware, wapenen van Peleus' zoon.
[124] Den daarmeê getooiden Patroclus.
[125] _Ware daarmeê de val van Troje voldongen!_
[126] _ergens_, gelijk nog in de volkstaal.
[127] _over-edel_.
[128] _zwaaide, schudde_.
[129] Thans _zich verstrooyen_; verg. bl. 113b, aant. 225.
[130] _het leven verstrekt, behouden_.
[131] _maar_.
[132] De ontfutseling van Astyanax.
[133] _beveelt_.
[134] Anders _bij_.
[135] _verbergt_.
[136] Latinisme voor _elders_.
[137] Ulysses.
[138] _schrikwekkenden, onheilspellenden_.
[139] Minder gelukkig voor _dubbelzinnig_.
[140] _spruit_.
[141] _uitgedoofd_.
[142] Voor _zou eischen_.
[143] _zie me aan, houd mij_.
[144] Voor _weggerukt_.
[145] Anders _doeken, verschalken_.
[146] Van Thetis bij Achilles; zie boven, bladz. 173.
[147] _daagt_; verg. vroeger.
[148] _gunne_.
[149] Voor _'t licht ontberend_; verg. aant. 355 op bladz. 24.
[150] Lat. voor _nu gesust is_.
[151] _verzinnen_.
[152] _een volkomen Ulysses, in sluwheid zijner waard_.
[153] Vrij onduidelijk voor _om aan dien eisch tot afwerping te
voldoen_, anders _om afgeworpen te worden_.
[154] _glansrijk, doorluchtig_.
[155] Versta, naar de thans verouderde woordvoeging, _hij is_.
[156] Astyanax.
[157] _'t beschikte, beschorene_.
[158] Achilles nam. aan Priamus.
[159] _ongebruikt_.
[160] Met verkeerden klemtoon voor _Amazóón_.
[161] Door den geest gedreven Bacchante.
[162] _staf_.
[163] _ontstellen_.
[164] _den ingang der Onderwereld_.
[165] _verhaast het lot_.
[166] _Wat begint gij_.
[167] _beheerscht_; verg. boven, bladz. 168.
[168] Laertes, Ulysses' vader.
[169] Voor _doen vluchten, verborgen_.
[170] Thans _verschoveling_ of (sterker) _verschoppeling_; de ware
Hollandsche naam voor 't Fransche _misérable_.
[171] Rijmshalve voor _oplegt_, daar _te laste leggen_ in gewijzigde
beteekenis gebezigd wordt.
[172] Voor _rechtsbewind_.
[173] _Priamus_.
[174] Verg. boven, bl. 173.
[175] Thans verouderd voor _woest_ of _woedend_.
[176] Laomedon.
[177] _beter_.
[178] _van_.
[179] _ontstelde_; zie boven.
[180] _openlijk, flinkweg_.
[181] _onschuldige_.
[182] Verouderd voor _dapperheid_.
[183] _begeerige_.
[184] Verouderd voor 't Fransche _grootvader_.
[185] _bestieren_.
[186] Thans _hanteeren_.
[187] _kromme horen_.
[188] Rijmshalve voor _breekt met geweld af, stuit uw tranen_, daar
anders de tegenstelling met den volgenden versregel verloren gaat.
[189] _vertraging_.
[190] Voor Griekenland in 't algemeen.
[191] _door den dood verloste_.
[192] _Gelijk_.
[193] _vol_ (verg. nog ons _opgekropt_).
[194] _die van Hector_ nam.; verg. boven, blz. 176b, aant. 115.
[195] Voor _assche, asch_.
[196] Verkort voor _mede_, gelijk nog steeds in de spreektaal.
[197] _al onze gevangenen_.
[198] _loof, loover_.
[199] Thans _bewonderd_.
[200] _Diana_.
[201] Bij de beklimming der Titans.
[202] De Centaur of Paardmensch, met Achilles' opvoeding belast.
[203] Gelijk nog steeds in de spreektaal voor _wier_.
[204] Voor _waait_, gelijk reeds herhaaldelijk _zweit_ voor _zwaait_.
[205] Bij de zoogenaamde _Mysteriën_ of _Geheimenissen_ van Eleuzis.
[206] _echte_ (blijkens den Latijnschen text behoort het echter niet
bij Ajax, maar bij Salamis).
[207] De zoogenaamde Olympische spelen.
[208] Versta: _als slavinnen_.
[209] Voor _doe landen_.
[210] Thans _na_, en hier rijmshalve gebezigd.
[211] Thans _naar_.
[212] _netst_.
[213] _uitgedacht_.
[214] het _puik_; zie vroeger.
[215] _schoondochter_; zie vroeger.
[216] _onbehaaglijk_.
[217] Voor _dees_.
[218] Germanisme voor _eens_.
[219] Voor _koelbloedig_.
[220] Polyxena.
[221] Germ. voor _omlaag_.
[222] Voor _doen schieten_.
[223] _gespleten_.
[224] _van boven_.
[225] _wreed, hard_.
[226] _korte poos_.
[227] Die hem nam. doodde.
[228] Verouderd voor: _daar aanstonds nog, kort geleden_.
[229] Thans _der beproefde_.
[230] _meesters_.
[231] _Wel_; verg. boven.
[232] Pyrrhus.
[233] Verouderd voor _razernij, geestdrift_.
[234] Als profetes.
[235] Ulysses.
[236] _booze_.
[237] _voor_.
[238] Achilles' grootvader. Rijmshalve schijnt Vondel het _bloed_ (het
_geslacht_) maar bij de _wapenen_ (_arma_ Achillis) genomen te hebben,
maar heeft daardoor den zin bedorven. Achilles' wapenen toch waren
Ulysses vereerd, aan wien ook Hecuba door 't lot was toegewezen; zie
boven.
[239] _zijn wapenen_; zie de vorige aant.
[240] _kreun mij des_.
[241] _voegt, past_.
[242] Voor _doodslag, moord_.
[243] _die er rond waren_.
[244] Voor _persoon_.
[245] _straf_.
[246] Thans _dan_.
[247] _valt het_.
[248] _De Noord-Westewind_.
[249] Die met zijn zuster Helle, den naar haar gedoopten _Helles-pont_
op den goudgevliesden ram overschreed.
[250] Deucalions gade.
[251] Voor _stuk_.
[252] _dooden_.
[253] Thans _werpen_ (verg. daarentegen ons _worden_ tegen 't oude
_werden_).
[254] Naar zijn oorspronkelijke beteekenis ('t Lat. _nepos_)
_kleinzoon_.
[255] Voor _uitzicht_.
[256] Verg. boven, bladz. 169a, aant. 3.
[257] _bij voorkeur_.
[258] _Scheidel, scheiding_.
[259] Astyanax; verg. boven, aant. 254.
[260] _strak, effen, onbewogen_.
[261] Voor _priester_.
[262] _met stoute taal_.
[263] _wegtrekt_.
[264] De Egyptische dwingeland.
[265] _begraaft_.
[266] _gescheurd_.
[267] _gelaatstrekken_.
[268] _van vorm ontdaan_.
[269] _lijkt op, evenaart_.
[270] Thans _zelfde_.
[271] _zitplaatsen in 't schouwtooneel (amfitheater)_.
[272] _uitbrenger_.
[273] Voor _stam_.
[274] _evenwel_.
[275] _Tevens_.
[276] Helena's dochter.
[277] _haar schoon_.
[278] _schemering_.
[279] _Gene_.
[280] Voor _stout, moedig_.
[281] _traag in 't dooden_.
[282] _Daarmeê, toen_.
[283] _zeildoek_.
[284] _klieft_; verg. boven, bl. 182b, aant. 223.
[285] _oude wijven_.
[286] _brengt om 't leven_.
[287] _vreest ge_.
[288] _voor de hand_.
Correcties gemaakt door de bewerker
pagina originele tekst correctie
177a De spruit van Hectors huis! De spruit van Hectors huis!"
Noot 167 verwijzing onduidelijk.
Noot 256 verwijzing onduidelijk, aant. 3 lijkt niet gerelateerd.
n 284 verg. boven, bl. 182a, verg. boven, bl. 182b,