Zij helde na dien weg; de vrees heeft haar verraân;
Ik zal een nieuwen schrik haar weder jagen aan:
Dewijle dan het kind, tot zoen des muurs[153] verkoren,
En nu voor uit getreên, een zachtre dood deê smoren,
Waardoor het niet en kan den priester, als 't behoort,
Ten offer volgen na; zoo zeid' ons Calchas voort,
Dat Hectors assche moet tot zoen der golven strekken,
En zijn in zee verspreid, op dat we mogen trekken
Ontslagen van dien vloek met onze schepen thuis,
En moet zijn heerlijk[154] graf gemorseld zijn tot gruis.
Vermids dan Hectors zoon de dood, die hij was schuldig,
Door 't sterven is ontslipt, zoo moet ge zien geduldig,
Dat wij onz' handen aan dees heilge rustplaats slaan.
ANDROMACHE.
Rampzalig mensch! wat raad? wat zult ge best bestaan?
Een dobble vreeze breekt mijn hart nu in twee stukken:
Hier komt me 's mans gebeente, en daar mijn zoontje rukken,
Wat zijde of 't winnen wil? Ik zweer, ik zweer bij all'
De Goôn, bij u, mijn man! wiens ziel mij altijd zal
Verstrekken voor een God, dat mij niets kan behagen
In mijnen zoon als gij; dat hij nog rekk' zijn dagen,
Opdat ik in hem zie 't afzetsel van uw beeld.
Leed ik dan, dat men dus met uw gebeente speelt,
En dat m' uwe asschen sprei, en uitstorte op de baren?
Neen, dat dees liever sterve. O moeder vol bezwaren!
Hoe zult ge konnen zien, dat uw geliefde zoon
Gemarteld worde, en sterf zoo veel vervloekte doôn?
Hoe zult ge konnen zien, met onbetraande kaken,
Hem komen rollen neêr van d' hooge torendaken?
Och ja, en met geduld, als slechts 's verwinners hand
Mijn Hector, na zijn dood, niet strooye langs de strand.
Maar hoe? dees zal zijn straf met smarte en pijne smaken;
Den afgestorven kan noch smert noch pijne raken,
Maar is[155] in veilge rust. Wat drijft ge tusschen twee,
En twijfelt wien ge wilt bevrijden van dit wee?
Staat niet uw Hector daar? Neen, neen, ik zie warachtig
Een Hector hier en daar; maar dees, zijn zinnen machtig,
Zal mooglijk vaders dood nog dienen tot een wraak.
Wat doet gij, droeve vrouw! in dees benaauwde zaak?
Zij konnen beide doch niet wel behouden wezen,
Behoed dan liever dien, die Griekenland doet vreezen!
ULYSSES.
Gaat heen, gaat snellijk voort, en haalt mij voor den dag
Den vijand onzes naams[156], 't zij waar hij steken mag,
Door moeders list verschuild, de leste schrik der Greeken.
Daar is hij vast. Vaart voort. Wat mag u doch ontbreken?
Wat vreest ge, en ziet nog om? 't is doch met hem gedaan.
ANDROMACHE.
Och, dat mij vreeze kost nog eenigzins bevaân!
Maar 't is gewoonte nu voor mij, altijd te schromen,
En 't wordt niet haast verleerd, dat vast is aangenomen.
ULYSSES.
Ik zal der Goden raad uitvoeren na 't bescheer[157],
En zal het hooge graf omrukken, gants om veer.
ANDROMACHE.
't Geen ge eenmaal hebt verkocht[158]!
ULYSSES.
't Zal evenwel geschieden.
ANDROMACHE.
Waar is Achilles' woord, waar zijn nu d' Hemellieden,
Beroepen in den eed? o, Pyrrhus! koom, beschut
Uw eigen vaders gift!
ULYSSES.
't Graf zal terstond onnut[159]
Verspreid zijn over 't veld.
ANDROMACHE.
Zoo grouwelijke werken
Dorst nooit de Griek bestaan. Gij hebt Godheilge kerken,
Ja zelfs van Goden, die u gunstig zijn geweest,
Ontheiligd en geschend; maar hebt tot nog gevreesd,
De dooden in hun graf uit dolheid aan te randen.
Ik zal u tegen zijn, en met ontwapend' handen
Uw wapens tegen staan. De gramschap zal me macht
Verleenen tot dit werk; gelijk met dolle kracht
De forsche Amazon[160] plag te slopen Grieksche scharen,
Of als een Maenas[161], daar de God is ingevaren,
Gewapend met haar thyrs[162], met een bezeten tred
De boomen dreigt en 't woud, en, van verstand ontzet,
Kwetst, dat ze 't niet en voelt; zoo zal ik mij begeven
In 't midden van 't gedrang, en als ik heb bedreven
Al 'tgeen tot voorstand van dees' grafsteed' helpen kan,
Ik vergezellen zal mijn overleden man.
ULYSSES.
Wat toeft ge, kan een vrouw, met kermen en met razen
En ijdle dolligheid, uw harten nog verbazen[163]?
Doet, dat men u gebiedt!
ANDROMACHE.
Velt mij, velt mij veel eer,
En met uw vinnig staal mij liever houwt ter neêr;
Scheurt op d' Avernsche poel[164], en breekt des noodlots
marren[165];
Mijn Hector! de aarde rijt, en doet z' haar keel opsparren!
Om dezen Ithakees den moed te doen vergaan
Is mans genoeg uw schim. 'k Zie hem gewapend staan:
Hij drilt, en schiet met vier! Ziet gij hem niet, o Greeken!
Of zie ik hem alleen?
ULYSSES.
'k Zal alles af doen breken.
ANDROMACHE.
Wat gaatdy, moeder, aan[166]! Gij velt met eenen slag
Uw zoon, en eêgemaal! misschien gij, met geklag
En met gebeên, den haat der Grieken zult verzetten,
Het zwaar gewicht van 't graf 't verborgen kind zal pletten;
't Ellendig wicht verga veel eer, 'tzij aan wat oord,
Eer van den vader 't kind gekneusd wordt en versmoord,
Eer 's vaders last den zoon zou pletten en vernielen!
Ulysses ach! ik koom demoedig voor u knielen;
En d' hand die nooit en dede hetgeen dat zij nu doet,
Raakt met verslagenheid, Ulysses! uwen voet:
Der moeder u erbarm! wilt gunst aan mij besteden,
En hoort met zachten zin mijn smeken en gebeden;
En hoe gij hooger van de Goden zijt gesteld,
Zoo veel te zachter drukt[167] die staan in uw geweld.
De weldaad die ge doet aan hen, die moeten zwichten,
Dient om 't geluk aan u nog wijders te verplichten.
Zoo moet uw kuische vrouw u in haar bedde ontvaân,
Zoo moet uw vader nog in jaren groeyen aan,
Tot dat hij zijnen zoon met wellekomst mag groeten;
Zoo moet uw zoon u na uw wederkomste ontmoeten;
Zoo moet hij meerder heils, als gij zelf wenscht, ontvaân,
Laërt[168] in jaren, u in raad te boven gaan.
Erbarm u over dit ellendig moeders leven,
Die niet als dezen troost in 't lijden is gebleven.
ULYSSES.
Breng ons het kind te voorschijn,
Dan zalder eerst gehoor zijn.
ANDROMACHE.
Koom uit het hol, daar ik u heb gevlucht[169],
O droefste vrouws beschreyelijke vrucht!
Dit 's 't kind, dat gij, Ulysses, wenscht verstikt,
Waarvoor een vloot van duizend schepen schrikt.
Duik, jongske, duik! werp u ter aarde neêr,
En 't handje vlei de voeten van uw heer.
Beeld u niet in, dat ietwes kwalijk past,
't Geen de Fortuin haar schoovling[170] leit te last[171].
Uw oud geslacht, dien koninklijken glans,
En het gerecht[172] des grooten ouden mans[173],
Al 't aardrijk om vermaard, zet uit den zin:
En nimmermeer en valle u Hector in!
Buig, kleine kniên! uw lijf naar 't slaven zet!
Zoo u de kindsche onnoozelheid belet,
Ter halver dood uwe uitvaart te bevroên,
Schrei dan, omdat gij 't ziet uw' moeder doen.
Oud Troje zag zijn konings kindschheid meê
Van tranen nat; de kleine Priam deê
Den dreigenden Alcides[174] worden week;
Die forsschert, die! voor wiens geweld bezweek
't Woed[175] ongediert, daar ooit af werd gehoord:
Die, na de bres gemaakt in Pluto's poort,
Zich ruggeling te maken wist ruimbaan,
Door 't duister heen, verwonnen van een traan,
Welk op de wang zijns kleinen vijands lag:
"Ik," zeid' hij, "gun u 't koninklijk gezag;
Zit op den troon uws vaders[176] hoog in 't goud,
En zijnen staf, maar bet[177] uw woorden houd."
Dit was, woû hij, 's gevangens hardste straf.
Leer Hercules zijn zachte gramschap af[178];
Of en vermaakt u niet als zijn geweer?
Geen smeeker leît voor uwe voeten neêr
Van mindren staat, en bid maar lijfs genâ,
Dat het naar lust van 't luk zijn erfrijk ga.
ULYSSES, ANDROMACHE, ASTYANAX.
ULYSSES.
Verbaasde[179] moeders rouw ontroert me wel het harte,
Nochtans ontroert me meer der Grieksche moedren smarte,
Tot wier groot hartenleed dit kind opwassen zal.
ANDROMACHE.
Zou dit de man wel zijn en hand, die Trojens val
Oprechten zal uit d' asch? Moet Troje daar op hopen,
Zoo is het hopeloos. 't Is veel te veer verloopen,
't En leît zoo niet met onz' Trojaansche borgerij,
Dat iemand vreest met recht voor onze muiterij.
Of zou zijn vaders moed hem wel den moed verhoogen,
Te weten hij, wien zelf rondom den muur getogen
De moed ontvallen zou, die door veel tegenspoed
En ramp gebroken wordt. Indien ge van zijn bloed
Eischt welverdiende straf, wat zoudt ge meer begeere'?
Veroorlooft hem voor slaaf te dienen u ter eere,
Zijn knechtelijken hals ontvange 't dienstbre jok;
Wie weigert dat een vorst?
ULYSSES.
Ulysses noch zijn wrok;
Maar Calchas slaat het af.
ANDROMACHE.
O oorzaak van mijn lijen!
Toesteller van bedrog, en tuk op schelmerijen,
Die niemand voor de vuist[180] in 't strijden hebt vermand,
Maar door wiens kwaden aard en dubbel schalk verstand
Zelfs Grieken zijn vermoord! stoffeert ge, om 't kind te dooden,
Uw zaak met wichlerij en met onnoozle[181] Goden?
Uit uwen boezem komt dit schelmstuk, nachtsoldaat!
Een man in kindermoord! nu zijt ge een held op straat,
Bij lichten dage, alleen!
ULYSSES.
Mijn vroomheid[182] is den Greeken
Genoeg, den Frygiaan niet dan te veel gebleken.
De vloot hare ankers licht. 't Is ongelegen tijd,
Dat ik den ganschen dag met ijdle woorden slijt.
ANDROMACHE.
Vergunt me een korte wijl, opdat ik mijnen zone
Voor 't uiterste bediene, en mijne gunst betoone,
En voor het laatste omarm dengene, dien ik droeg,
En zoo mijn gierge[183] trouw omhelzende vernoeg.
ULYSSES.
Och! of 't geoorloofd waar, dat ik, uit mededoogen,
Mij uwer deeren mocht; doch 'tgeen we alleen vermogen,
Dat wordt uw beê vergund, te weten tijd en wijl
Naar uw begeerte en wensch. Verzaad u in der ijl
Met tranen. Droefheid wordt verlicht door bitter schreyen.
ANDROMACHE.
O zoet en waardig pand! o eere van 't gescheyen
En neêrgeslagen huis, en Trojens laatste lijk!
O schrik van Griekenland! o moeders ijdle wijk!
Wien ik zijns vaders lof en oorloogskunst ervaren
Toewenschte, en ook den tijd, die, in zijn middeljaren,
Zijn bestevader[184] heeft gelukkig doorgebracht:
Maar d' Hemel heeft mijn bede helaas! niet veel geacht.
Gij zult van Ilium den scepter niet eens zwieren
In koninklijke zaal, noch met geboden stieren[185]
De volken wijd en zijd. Voortaan en zult ge niet
Zoo menig land gebracht zien onder zijn gebied;
Gij zult niet eenmaal, laas! de Grieksche ruggen wonden,
Noch slepen Pyrrhus' lijk aan uw karos gebonden;
De kleine wapens gij met uwe teedre hand
Niet handlen[186] zult, noch 't wild, verspreid door 't woeste land,
In berg, in bosch en dal, gezwind en stout najagen,
En, na elk vierde jaar, op de ingestelde dagen,
Den sleep van Trojens spel voortbrengen op de baan,
En voeren, edel kind! de wakkre benden aan:
Gij zult, met snellen voet en met gezwinde keeren,
Niet eens om d' outers gaan, en met uw dans vereeren
Der Frygen tempelfeest; als 't kromkornets[187] geluid
De snelle passen trekt ten wakkren voeten uit.
O slag van wreede dood! veel droever als het sterven
Zal Troje noch iet zien, 'tgeen zal haar hart doorkerven
Veel meer als Hectors moord.
ULYSSES.
Nu, moeder! 't weenen laat[188]:
Een groote droefheid stelt zich zelve doch geen maat.
ANDROMACHE.
Heel kort, Ulysses! is het marren[189] van ons weenen,
Daar ik om smeek en bid. Gedoog, dat ik den genen,
Die nog in 't leven is, zijne oogen luiken mag.
Klein sterft ge, doch alreê draagt Argos[190] dy ontzag:
Uw Troje wacht uw komst; wij smelten in onz' tranen.
Ga, vrij en vrank, en vindt d' ontslage[191] Frygianen!
ASTYANAX.
O moeder, u erbarmt!
ANDROMACHE.
Wat houdt ge mijnen schoot,
En 's moeders hand, die is eene ijdele hulp ter nood.
Als[192] 't teder kalf zich bij de moeder weet te vlijen,
Wanneer het brieschen hoort de leeuwen van ter zijen;
Maar het verwoede dier de moeder wijken doet,
En zoekt den mindren roof, die 't met zijn tand bebloed
Verscheurt, verrukt, en sleept; zoo zal u uit mijne armen
De vijand rukken ook. Ontvang mijn droevig karmen,
Ontvang mijn laatsten kus, en 't uitgetrokken haar,
En dus gekropt[193] van mij ontmoet uw vader, daar
Hij dwaalt in 't zalig veld; doch wilt hem overdragen
Heel weinig woorden van uw moeders bitter klagen,
Zoo 's overleden schim zich de eerste zorge aanneemt,
Noch door 't verbranden niet van d' oude liefd' vervreemt:
O wreeden Hector! hoe gedoogt ge nu, gij brave!
Dat onder 't Grieksche juk Andromache dus slave!
Wat legt ge, log en traag! Achilles kwam wel weêr.
Neem van mijn tranen, kind! die nog zijt klein en teêr,
Neem van mijn haren weêr, al 'tgeen is overbleven
Van d' uitvaart mijns gemaals! Neem kuskens, die ge geven
Moogt aan uw vaders mond. Dit kleed uw moeder laat
Ten troost; mijn graf en geest[194] aanroerden dit gewaad;
Naauw ik doorsnufflen zal wat asschen[195] hier mag schuilen.
ULYSSES.
Hier is noch maat noch end van schreyen en van huilen.
Fluks weg met Hectors zoon! ruk weg, en neem hem met[196],
Die 't leger marren doet, en Argos vloot verlet.
REI.
Wat plaats of ons gevangene all'[197]
Bij zich ter woon ontvangen zal?
Thessaliën vol bergen of
Koel Tempe, rijk van lauwer-lof[198]?
Of Ftie, een veel bekwamer veld
Om uit te levren menig held?
Of 't steenig Trachyn, beter steê
In vruchtbaarheid van 't sterke vee?
Of is 't Iölcos, hoog van moed,
Betemster van den zouten vloed?
Of 't ruime Creten, bij elk een
Verwonderd[199] om zijn honderd steên?
Of ook Gyrtone, klein van naam?
Of Trice, dor en onbekwaam?
Of is 't Methone, dicht begroeid
Van lichte steekpalm, dieder bloeit?
Methone, dat, alzins bekuild,
Dicht onder 't bosch van Oeta schuilt,
En meer als eens de pijlen straf
Tot Trojens nederlagen gaf.
Of Olenos, wiens hutten licht
En wijd zijn van elkaâr gesticht?
Of Pleuros, dat zich altijd draagt
Als vijand der Godinne-maagd[200]?
Of Trœzen, wiens krombochte reê
Bespoeld wordt van een breede zee?
Of Pelion, wel eer vermaard
De darde trap[201] ten Hemelwaart,
En strekte Proteus voor een rijk?
Op dezen berg, was Chirons[202] wijk:
Daar lag, in uitgehoolde rots,
De meester van het kind, dat trotsch
En moedig doen alreede was,
Mits hij hem zulke lessen las,
Waardoor de grimmigheid van 't hert
Nog meer en meer geslepen werd;
Als hij zijn harrep klinken liet,
Zoo zong hij onder 't snaarspel niet,
Als slechts van houwen, kerven, slaan,
En wat daar voorts mag hangen aan.
Carystos rijk van marmorsteen?
Of Chalcis, daar Euripus heen
En weêr speelt met de onstuime zee?
Of zijn 't de Echidnen, die hun[203] reê
Bekwaam voor alle winden leît?
Of Gonoës, daar 't altijd weit[204]?
De Enispen, bang voor Boreas?
Of Pepareet, ter Noorder as,
Aan Griekens alderuiterste end?
Of is 't Eleusis, dat gewend
Vrouw Ceres stadig t' eeren is,
In stilligheid en duisternis[205]?
Of roept ons, tegens onzen zin,
Des waren[206] Ajax Salamin?
Of Calydon, zou 't dat wel zijn,
Alom bekend door 't wilde zwijn?
Of is het Scarfe en Besse? of 't land
Dat Titaressos, die naar 't strand,
Om onder zee te duiken, sluipt,
Met zijnen tragen vloed doorkruipt?
Of Pylos, dat lang leven geeft?
Of Pyse, dat een tempel heeft,
Jupijn ter eeren opgebouwd?
Of Faar? of Elis, daar men houdt
En viert de feest[207], die 's winners hoofd
Den lofkrans van olijf belooft?
Het razende onweêr hier en gins
Zende ons slavinnen[208] allezins,
En lande[209] en berg', waar 't wil, ons lijf,
Behoudens, dat men verre blijf
Van Sparten; 'twelk, met recht gehaat,
Den Frygen en den Grieken staat
Op zoo veel smarte en ongerijf;
Behoudens, dat men verre blijf
Van Argos en Mycenen, eerst
Door Pelops tiranny beheerscht.
't Klein Neritos, min als Zacynth
En Ithaca, wiens klippen blind,
In 't water duikend voor en naar[210],
De kielen dreigen met gevaar.
Wat lot of u noch wezen zal
Beschoren, of wat ongeval?
Trojaansche koningin wel eer!
Waarheen, en van wat overheer
Zult gij nog worden omgeleid?
Wat land is tot uw graf bereid?
DE VIERDE HANDEL.
HELENE, ANDROMACHE, HECUBA.
HELENE.
Wat bruiloft doodsch en droef, met kermen, bloed, en moord,
En klachten wordt gevierd, daarvan, na[211] recht, behoort
't Beleid toe aan Heleen. Mij derf men nog beladen,
Om den verdelgden Frijg in 't uiterst te beschaden;
Aan mij beveelt men nog te boodschappen 't geveinsd
En ijdel huwelijk van Pyrrhus, en op 't reinst[212]
De bruid, na Grieksche wijs, te cieren en te kleeden.
Prins Paris' zuster wordt door mijne trekken heden
Misleid, en raakt om hals door mijn versierd[213] bedrog.
Verschalkt ze vrij, ik acht zulks voor haar 't lichtste nog.
't Is een gewenschte dood te sterven, zonder schrikken
Voor 't lijden van de dood. Wat draalt ge te beschikken
Hetgeen u is belast? De stichter draagt de schuld
Van 't opgedrongen kwaad. Uw jammer is vervuld,
O welgeboorne maagd, van Dardans bloed gesproten!
Een milder God heeft u, die deerlijk waart verstooten,
Goedgunstig aangezien, en is vast bezig, om
Te schenken aan uw jeugd een zaalgen bruidegom;
Al heerschte Priam zelf, schoon Trojens muren stonden,
Tot zulk een huwelijk zij u niet brengen konden:
Want d' overkijker[214] zelf van d' eedle Grieksche stam
U tot het heilig recht van kuische minnevlam
En wettig bed verzoekt, wiens breed gebied gelegen
Is aan 't Thessalisch veld. O, welk een groote zegen!
De groote Thetis, en zoo menige Godes
Van 't zoute pekelschuim, daartoe de zeeprinces
Vrouw Tethys, de voogdes van de opgeblazen baren,
U voor haar aangehuwde en eigen pand verklaren,
En Peleus, als gij nu zijt Pyrrhus wederga,
U noemen zal zijn' snaar[215], en Nereus even na.
Leg af 't bezwalkt gewaad, trek weder aan een statig,
Verleer slavin te zijn, weest niet zoo ongelatig[216];
Strijk neêr 't gerezen haar, duld, dat het word' geschikt,
En met een aardig' hand getooid en opgeflikt.
Dit[217] ramp misschien u voert tot hoogren staat en orden,
't Heeft velen nut geweest des vijands roof te worden.
ANDROMACHE.
Te schaatren eens van vreugd was 't eenig onheil, dat
Den Frygen nog ontbrak, en d' uitgerooide stad,
't Geslechte Pergamum vast brandt aan allen hoeken.
O tijd van hijliken! maakt iemand zich te zoeken?
Zoude iemand weigeren te treên na 't bruiloftsbed,
Daar 't lief juweel toe raadt, Heleen! 't bederf, de smet
Der beide volleken? Ziet eenmaal[218] doch met weenen
Die vorstengrafsteên aan, deze onbegrave beenen
Langs 't veld gezaaid: die heeft uw bruiloftsfeest verspreid!
Om u men 't Aziaansche, om u men 't vaak beschreid
Europisch heldenbloed, al sissende, zag storten;
Als gij koelmoedig[219] zaagt de mannen t' zamenhorten,
Onzeker wien ge droegt. Vaart voorts, en maakt met groen
De bruiloftskamer toe. Wat is er toorts van doen,
Of fakkel na gewoonte, of vier? Laat Troje uitrichten
Dien dienst, en met zijn' vlam 't nieuw bruiloftsbed toelichten.
Trojaansche borger! viert, viert Pyrrhus' huwlijksfeest,
Ja, viert ze na waardij, dat 's met een bangen geest;
Maakt droefheid en misbaar!
HELENE.
Hoewel de groote smarte
In geene rede staat, noch wordt vermorwd in 't harte,
Ja, boven dat nog vaak haar' rouwgenooten haat;
Zoo is het evenwel, dat zoo mijn zake staat,
Dat ik ze nimmermeer te pleiten mij zal schromen,
Al was de rechter schoon met gramschap ingenomen.
'k En loochen niet, dat u wel overkomen zij
Ondragelijke smart; maar 't staat u echter vrij,
Dat gij Priaam, en gij uw Hector moogt beweenen;
Maar ik, helaas! ik moet in 't heimelijk bestenen
Mijn Paris, dien ik mis. 't Is een ondraaglijk juk,
In slavernij te zijn; dat heb ik ook, met druk,
Als een gevange vrouw, tien jaren lang gedragen.
Uw Trojen leît ter neêr, d' Huisgoden zijn verslagen,
't Is wel een zwaar verlies het derven zijner stad;
Maar zwaarder ik mijn vrees, dan alle rampen schat.
't Gezelschap in uw kwaad uw smart wat kan vergoeden,
Op mij verwinner beide en overwonne woeden.
't Heeft in onzekre kans nu langen tijd gestaan,
Wie dat een' ieder zou voor zijn slavin ontvaân,
Mij kreeg terstond mijn heer, en zonder eenig loten.
De krijg, verwijt gij mij, is eerst uit mij gesproten:
Eene oorzaak van 't verdriet, dat Trojen overviel;
Dit zou zoo wezen, waar 't dat onz' Spartaansche kiel
Uw zeên eerst kloofde. Maar zoo de Trojaansche vechter
Mij roofde, als Venus mij geschonken had den rechter,
Zoo weet het Paris dank. Mijn zaak zal vinden wel
Een scheidsman, maar helaas! voor mij niet dan te fel.
't Is Menelaüs, die hier over recht zal spreken.
Wilt nu, Andromache! uw treuren doch wat breken,
En murwen het gemoed van dees bedrukte vrouw[220],
De tranen dringen mij ten oogen uit van rouw.
ANDROMACHE.
't Moet zijn een groot verdriet, dat ons Heleen doet schreyen,
Wat doet haar doch aldus de vochte tranen spreyen?
Zeg op, zeg op! waar is Ulysses nu op uit?
Wat schelmstuk, of wat list is eindlijk zijn besluit?
Zeg op, hoe dat men zal met d' arme dochter leven:
Zal zij met volle kracht heronder[221] zijn gedreven
Van Ida's toppen, daar hij rijst met heuvelkruin?
Of zal een wreed soldaat haar schieten[222], steil en schuin,
Van 's onlangs hoogen burgs verre uitgesteke klippen?
Of zal ze in 't woeste meer afwentlen van de tippen,
Die Trojens voorgebergt, met zijn gespouwe[223] zij'
En lenden steekt om hoog, zoo dik en vaak als hij
Ziet alsins overheer[224] d' inhammen, licht om gronden?
Zeg op, wat uw gelaat bedekt voor looze vonden.
Dat Pyrrhus zwager wordt van Hecube en Priaam,
Gaat boven alle ramp. Nu geef de straffe een naam.
Zeg op, wat jammer gij ons wijders toe wilt zenden.
Beneem dit eenig leed al overige ellenden,
Dat's d' ijdle en valsche waan vol twijfelmoedigheid,
En deze onzekre hoop. Gij ziet, wij zijn bereid,
Den jongsten slag des doods geduldelijk te lijen.
HELENE.
Och, of der Goden tolk mij toeliet af te snijen
't Verlet van 't hatig licht, of, voor Achilles' graf,
Door Pyrrhus' woedend' hand, als speelnoot van uw straf[225]
En droevig ongeluk, te sneuvlen met den zwaarde!
Helaas, Polyxena! wiens schoonheid de vermaarde
Achilles voor zijne asch ter slachting daagt door 't staal,
Om in 't Elyzisch veld te strekken uw gemaal!
ANDROMACHE.
Ziet, hoe dat moedig dier, gelijk den dag van eeren,
Haar sterfdag noemen hoort. Ze eischt koninklijke kleêren
Tot voegelijk cieraad; dat m' hare vlechten streelt,
En d' handen slaat aan 't haar, haar leed doet noch verveelt;
Het ander hield ze een dood, dit rekent ze bruids stacy;
Maar 't moederlijk gemoed beklagelijk, eilacy!
Verstokt door deze maar, bezwijkt door groote smart;
't Verstand ontzonken is. Schep moed, rampzalig hart!
Hef uwe geesten op! Hoe hangt de ziel des menschen
Aan zulk een dunnen draad? Hier waar niet veel te wenschen;
Een lutske[226] en Hecuba gezaligd ons begeeft.
Zij haalt den aassem weêr, verkomt allengs, zij leeft.
De dood vliedt aldermeest voor die zich baadt in tranen.
HECUBA.
Wel, leeft Achilles nog tot straf der Frygianen?
Steekt hij nog d' ooren op, ruig, woest, en omgetemd?
Hoe weinig heeft mijn zoons, vorst Paris, hand geklemd[227]!
Zijn tombe en de assche zelve ons 't leven nog benijden,
En snakken naar ons bloed. Thans[228] waren beî mijn' zijden
Becingeld van een schaar, en zaalge zielenrei;
Ik werd van 't kussen moede, en 't liefelijk gevlei
Van moederlijke jonst den kindren uit te deelen.
Deze is er nu alleen slechts over van zoo velen;
Mijn wensch, mijn gezellin, verlichting en genucht,
En 's aangevochten[229] rust. Dit 's, Hecube! al uw vrucht:
De naam van moeder vloeit me alleen uit deze lippen.
Rampzaalge en taaye ziel! voorts, voorts, gaat eenmaal slippen,
En schelt me eens endlijk kwijt deze eenige uitvaart, ach!
De kaken zijn bevocht van schreyen dag aan dag,
Van 't drukkig aanschijn stort een onverziensche regen.
Mijn dochter, weest verheugd! Hoe zou, om zulk een zegen,
Om dit uw huwelijk Cassandra zijn begaan!
Hoe zou Andromache naar uwe bruiloft staan!
ANDROMACHE.
Wij, Hecuba! zijn eer, wij, wij zijn te betreuren,
Wie fluks de zeilbre vloot zal van malkandre scheuren,
En spreyen hier en gins; zij, lieflijk uitgestrekt,
Wordt van geboortige aarde in 't vaderland bedekt,
HELENE.
Indien ge uw lot verstondt, gij zoudt haar meer misgunnen.
ANDROMACHE.
Wat straffe dreigt ons dan, die wij niet weten kunnen?
HELENE.
De bus, die is geschud; elk heeft zijn heeren[230] al.
ANDROMACHE.
Wat heer is mij bescheerd? Zeg, wien ik dienen zal.
HELENE.
Maar[231], Scyros' jongeling[232] dy trok ten eersten lote.
ANDROMACHE.
Hoe zalig is de maagd Cassandra, die de vlote
Der Grieken niet en vreest, en door haar razerij[233]
En Fœbus[234] veilig is, en blijft van loting vrij.
HELENE.
Het hoofd der koningen houdt dees voor zijn gevange.
HECUBA.
Wil iemand Hecuba ook voor de zijne ontvange'?
HELENE.
D' onwilgen Ithakois[235] gij vielt tot roof te beurt.
HECUBA.