BESLUIT.

Wij hebben gezien, welke inrigtingen ~Plato~ in een volmaakten staat

verlangt, en welke aanmerkingen ~Aristoteles~ daarop meent te maken. Ik

heb _Plato’s Republiek_ niet zonder de beoordeeling van ~Aristoteles~

willen uitgeven; dewijl ik die beoordeeling als het complement van dat

werk beschouw, en het mij, althans uit een geschiedkundig oogpunt,

zeer belangrijk voorkomt, de tegenspraak te leeren kennen, die de

socialistische begrippen reeds in de oudheid ondervonden hebben.

Nu mogen de lezers beslissen, wiens wijze van zien hun de beste

toeschijnt; mijn oordeel zal ik niet uitspreken, want vraagstukken

van zulk een belang, zijn niet in een paar bladzijden af te handelen,

en eene grondige beoordeeling zou den omvang van dit werk te groot

maken; daar de socialistische en staathuishoudkundige theorieën der

laatste jaren hierbij in aanmerking zouden moeten komen. Alleen houd ik

het voor noodig, hier een paar aanmerkingen bij te voegen, opdat aan

~Plato~ geen onregt geschiede:

1. ~Plato~ wil zijn staat nergens invoeren, maar beschouwt hem als een

onbereikbaar ideaal, en heeft later een uitvoerig werk _Over de wetten_

geschreven, waarin hij eene theorie meêdeelt, die hij voor werkelijke

toepassing geschikt rekent. Alle tegenwerpingen dus, die uit de

zwakheid der menschelijke natuur tegen zijne Republiek te maken zijn,

worden daardoor afgesneden. Zij bewijzen alleen, dat zijn staat niet

bestaan kan, maar tegen het ideaal op zich zelf bewijzen zij niets.

2. Het eigenlijke doel van dit zijn werk is, gelijk ik reeds in de

inleiding zeide, niet zoo zeer een model te geven, waarnaar werkelijke

staten moeten ingerigt worden, als wel, gelijk hij uitdrukkelijk te

kennen geeft, de regtvaardigheid en haren invloed op het wezenlijk

geluk der volken en der enkele menschen in een aanschouwelijk beeld uit

te drukken.

3. Hoeveel er op zijne staatkundige denkbeelden moge te zeggen zijn,

het doel, dat hij zich had voorgesteld, heeft hij, geloof ik, werkelijk

bereikt; en ieder, die de Republiek opmerkzaam gelezen heeft, zal er

door versterkt zijn in de overtuiging, dat voor enkele menschen en

geheele volken de deugd het hoogste goed is.

4. In de Republiek heeft ~Plato~, op het voetspoor van ~Socrates~,

een grondslag der zedekunde aangewezen, die voor alle tijden geldt.

Hij zocht aan te toonen, dat het de inwendige natuur van den mensch

is deugdzaam te zijn, en dat alleen daardoor het begrip _mensch_ in

hem verwerkelijkt wordt; terwijl hij anders op een lager standpunt,

dan waarvoor hij geschikt is, terugzinkt. Nu kunnen wij de zedekunde

in drie hoofddeelen splitsen. _a._ De Theologische zedekunde, die

de zedewet uit de Godheid afleidt. _b._ De Anthropologische zedekunde,

die de zedewet uit de natuur van den mensch ontwikkelt. _c._ De

vereeniging van _a_ en _b_. Dit laatste deel moet dan het volledige

stelsel der zedekunde bevatten, waartoe de twee eerste deelen den

grondslag opleveren; en naarmate die twee eerste deelen beter

behandeld zijn, zal het laatste voortreffelijker wezen. Nu meen

ik _Plato’s Republiek_ als eene uitstekende monographie over _b_ te

mogen aanmerken, en daarom geloof ik, dat, al zijn onze godsdienstige

begrippen zuiverder dan de zijne, onze denkbeelden over de zedekunde

door het bestuderen van dit werk evenwel niet weinig in helderheid

kunnen winnen.

5. Behalve het reeds gezegde zijn er door de geheele Republiek eene

menigte schoone, ware, voor werkelijke toepassing bijzonder geschikte

denkbeelden verspreid. Die allen op te noemen is onnoodig, zij blijken

onder het lezen van zelfs. Deze denkbeelden behouden hunne waarde, hoe

men ook over het werk als geheel moge denken. ~Plato~’s staatkundige

theorie is een snoer, waaraan eene menigte paarlen geregen zijn. Men

make dit snoer los, werpe zelfs sommige paarlen als valsch weg; altijd

zal men er nog genoeg overhouden, om zich de moeite van het uitzoeken

niet te beklagen.

De republiek van Plato · 第 63 / 65 题