ARISTOTELES.

(_Genomen uit zijne Politiek, Boek_ II.)

Nademaal wij van zins zijn de staatkundige vereeniging te beschouwen,

daar deze meer dan alle andere vereenigingen dienstig schijnt te wezen,

om levensgeluk te bevorderen, moeten wij ook de andere staatsregelingen

onderzoeken; én die, waarvan sommige staten, die goed ingerigt heeten,

zich bedienen, én die, welke door sommigen zijn voorgeslagen, en voor

goed gehouden worden; opdat het goede en nuttige voor den dag kome,

en het zoeken van iets anders dan deze niet aan betweterij worde

toegeschreven; maar opdat het blijke, dat wij, omdat deze niet goed

zijn, gemeend hebben op nieuw te moeten gaan zoeken.

Wij moeten beginnen met hetgeen uit zijnen aard het begin van dit

onderzoek is.

Het is noodzakelijk, dat alle burgers óf aan alles gemeenschappelijk

deel hebben, óf aan niets, óf aan sommige dingen wel, aan andere niet.

Aan niets kan niet, want de staat is eene soort van gemeenschap.

Vooreerst toch hebben zij gemeenschappelijk deel aan de woonplaats,

want gemeenschap van woonplaats volgt uit de eenheid van den staat,

waaraan al de burgers gemeenschappelijk deel hebben. Maar wat is nu

beter voor een staat, die goed zal zijn ingerigt; dat alle burgers

aan alle mogelijke dingen gemeenschappelijk deel hebben, of aan

sommige wel, aan andere niet? Want het is denkbaar, dat de burgers

aan kinderen, vrouwen en bezittingen gemeenschappelijk deel hebben,

zoo als in de _Republiek van Plato_; dáár toch zegt ~Socrates~, dat

de kinderen, de vrouwen en de bezittingen aan allen gemeen moeten

wezen; en is het nu beter, dat dit zóó ingerigt is als tegenwoordig,

of zóó als in de _Republiek_ wordt voorgeschreven? Deze gemeenschap

van vrouwen heeft én vele andere zwarigheden, én schijnt niet om die

reden, waarom ~Socrates~ het noodig vindt haar voor te schrijven,

als noodzakelijk beschouwd te moeten worden. Daarenboven kan zij,

zóó als zij besproken is, nooit tot het doel leiden, dat hij aan den

staat voorstelt; en hoe men dat doel beschouwen moet, is volstrekt

niet bepaald. Ik heb op het oog, dat de geheele staat één moet wezen,

daar dit het beste is; want hiervan gaat ~Socrates~ uit. Edoch het

is duidelijk, dat, wanneer de staat meer en meer tot de eenheid

nadert, hij eindelijk geen staat meer wezen zal, want uit zijnen aard

is de staat eene menigte, en door dat streven naar eenheid, zou hij

dan van een staat een huisgezin, en van een huisgezin een individu

worden; want het huisgezin is meer één dan de staat en de individu

meer dan het huisgezin; zoodat, al kon men die eenheid daarstellen,

het beter was dit te laten, omdat zij den staat zou vernietigen. En

de staat is niet slechts zamengesteld uit verscheidene menschen, maar

uit menschen van verscheidene soort; want uit menschen van eenerlei

soort wordt geen staat gevormd. Want een bondgenootschap en een staat

is niet hetzelfde; bij het eerste toch is het aantal nuttig, ook al

zijn allen van dezelfde soort, daar het slechts tot het verleenen

van hulp gesticht wordt, even als men het gewigt vermeerdert, om de

schaal te doen zakken. En daarin verschilt ook een staat van een

volk, wanneer de menigte niet in dorpen verdeeld is, maar zoo als de

Arcadiers [verspreid woont.] Die deelen nu, waaruit de eenheid [van

den staat] moet zamengesteld worden, zijn verschillend van soort.

Waarom het ook tot behoud der staten dient, dat zij, die gelijk zijn,

gelijkelijk deel aan het bestuur hebben, daar dit een noodzakelijk

gevolg is der vrijheid en gelijkheid; want allen kunnen niet te gelijk

regeren, maar wel bij jaarlijksche afwisseling, of naar eenige andere

orde en tijdmaat. Zóó gebeurt het dan, dat allen regeren, even alsof

de schoenmakers en de timmerlieden van beroep verwisselden en niet

steeds dezelfde personen schoenmakers of timmerlieden waren. Daar

echter dit laatste beter is, zoo loopt het in het oog, dat het ook in

het staatkundige beter is, dat, als het kan, steeds dezelfde personen

regeren. En waar dat wegens de gelijkheid van allen niet kan, is het

tevens billijk, dat, hetzij het regeren een voorregt of een last is,

allen daarin deelen, en dáár steeds op dezelfde wijs het ééne bestuur

door het andere wordt opgevolgd, zoodat beurtelings de een regeert en

de ander gehoorzaamt, als werden zij telkens andere menschen. En op

diezelfde wijs nemen dan telkens anderen uit de overheden dezelfde

bedieningen waar. Hieruit blijkt, dat die eenheid van den staat,

gelijk sommigen haar prijzen, niet bestaan kan; en dat hetgeen als het

grootste goed voor een staat geprezen wordt, den staat vernietigt. En

toch brengt hetgeen voor eenig ding goed is [geen vernietiging, maar]

behoud te weeg. Ook nog op eene andere wijs kan het blijken, dat het

niet goed is den staat volkomen één te willen maken. Een huisgezin toch

heeft meer aan zich zelf genoeg dan een individu, en een staat meer dan

een huisgezin; en de begeerte om een staat te vormen wordt geboren,

wanneer de gezamenlijke menigte aan zich zelve genoeg is. Edoch daar

meer zelfgenoegzaamheid verkieselijker is, is het ook verkieselijker

minder één te wezen. Maar zelfs al was het het beste, dat die

staatkundige vereeniging zoo veel mogelijk één is, dan schijnt dit nog

niet daardoor tot stand te komen, dat allen de woorden _mijn_ en _niet

mijn_ van hetzelfde zeggen; dit toch houdt ~Socrates~ voor een teeken,

dat de staat volkomen één is. _Allen_ toch is dubbelzinnig. Want als

het beteekent _ieder_, dan zou misschien hetgeen ~Socrates~ wil kunnen

plaats hebben; want dan zal ieder denzelfden zijnen zoon en dezelfde

zijne vrouw noemen, en dit zal dan ook met de bezittingen en alle

andere dingen plaats hebben. Zóó echter zullen zij het niet zeggen,

die gemeenschap van vrouwen en kinderen hebben; maar _allen_ zullen

het wél zeggen, doch niet _ieder_; en evenzoo zullen _allen_ het van

de bezittingen zeggen, maar niet _ieder_. Dus is het klaarblijkelijk

een spelen met woorden, te beweren, dat allen het zeggen zullen; en dit

woord: _allen_, wordt dan ook in het twisten om zijne dubbelzinnigheid

tot het maken van drogredenen gebruikt; en daarom is dat zeggen van

hetzelfde door allen in het ééne geval mooi, maar onmogelijk; in het

andere volstrekt niet bevorderlijk voor de eensgezindheid. Daarenboven

heeft het nog een ander gebrek; want hetgeen aan de meesten gezamenlijk

toebehoort, wordt het minst verzorgd; daar ieder het meest op zijn

eigen zaken let, en op de gemeenschappelijke minder dan hij voor zijn

deel doen moest; want behalve om andere redenen verwaarloozen zij ze

daarom te meer, dewijl anderen er wel voor zorgen zullen; gelijk in

een huisgezin vele bedienden somtijds slechter bedienen dan weinige.

Zoo heeft dan ieder der burgers duizend zonen, en dat wel niet van

hem in ’t bijzonder, maar naar het uitkomt is ieder zoon van ieder,

zoodat allen [die zonen] evenzeer zullen verwaarloozen. Verder noemt

ieder der burgers den gelukkigen of ongelukkigen in omgekeerde reden

van hun aantal den zijnen, b. v. hij is de mijne, of de zijne, [of van

dien, of van dien,] en zoo de rij der duizend burgers, of zoo veel

als er zijn, af; en dat nog aarzelend; dewijl het onbekend is, wie

een kind heeft verwekt, of wiens kind in het leven is gebleven. En

wat is nu beter, zóó ieder van die twee of tienduizend [of zoo veel

als er zijn] den zijnen te noemen, of liever dit zóó te doen als het

tegenwoordig plaats heeft? Want [tegenwoordig] wordt dezelfde door den

eenen zoon, door den anderen broeder genoemd, en een ander noemt hem

neef, of benoemt hem naar eenen anderen graad van bloedverwantschap

of aanverwantschap met hem of de zijnen, en noemt dan weer anderen

wijk- of stamgenooten; en het is toch beter een eigen neef te zijn

dan een zoon op die wijze. Verder is het niet eens mogelijk, dat niet

sommigen hunne natuurlijke broeders, kinderen of ouders herkennen

zouden; althans dit moeten zij wel van elkander vermoeden, daar de

kinderen gewoonlijk op de ouders gelijken. En dit wordt ook door het

getuigenis van sommige reizigers bevestigd; want zij zeggen, dat bij

eenige volken van Opper-Libye gemeenschap van vrouwen bestaat, en

evenwel de kinderen naar de gelijkenis verdeeld worden. Ook zijn er

wijfjes van andere dieren, b. v. van paarden en runderen, die jongen

ter wereld brengen, welke zeer op hunne ouders gelijken, zoo als

onder anderen de beroemde Pharsalische merries. Verder is het niet

gemakkelijk voor hen, die zulk eene gemeenschap willen daarstellen, de

volgende zwarigheden te vermijden; te weten: onwillige en moedwillige

beleedigingen en doodslag, en gevechten en smaad, het welk alles nog

vrij wat goddeloozer is als het tegen ouders of bloedverwanten dan als

het tegen vreemden gepleegd wordt; en noodzakelijk meer zal plaats

hebben, wanneer zij elkander niet kennen dan wanneer zij elkander

kennen. En als het gebeurt, kan het, wanneer zij elkander kennen,

behoorlijk geboet worden; maar, wanneer zij elkander niet kennen, niet.

Ook schijnt die gemeenschap van vrouwen en kinderen voor de boeren

nuttiger te zijn dan voor de wachters; want als de vrouwen en kinderen

gemeen zijn, zal er minder onderlinge genegenheid bestaan; en die moet

er niet zijn bij de onderdanen, opdat zij gehoorzaam zijn en geen

zamenzweringen maken. En over ’t geheel is het noodzakelijk, dat door

dusdanig eene wet het tegendeel plaats heeft van hetgeen goede wetten

bewerken moeten, en ~Socrates~ bij het maken dezer bepalingen omtrent

vrouwen en kinderen beoogt; want wij beschouwen onderlinge genegenheid

als het grootste goed voor de staten, omdat daardoor de burgertwist

wordt voorkomen, en ~Socrates~ prijst voornamelijk de éénheid van

den staat, die toch, zoo als hij zelf zegt, door de onderlinge

genegenheid moet bewerkt worden; maar door zulk eene gemeenschap moet

die genegenheid waterig worden, en de zoon het allerminst den vader

of de vader den zoon als den zijnen beschouwen. Want even als een

weinig zoet met veel water vermengd onmerkbaar wordt, zoo moet ook het

onderlinge verband, dat door deze betrekkingen ontstaat, in zulk eene

staatsregeling zoo goed als geen wederzijdsche belangstelling tusschen

ouders en kinderen of tusschen broeders te weeg brengen. Want twee

dingen vooral brengen onderlinge belangstelling en genegenheid onder de

menschen te weeg, te weten: de persoonlijke betrekking en de band van

het bloed; en geen van beiden kan bij zulk eene staatsregeling plaats

hebben. Verder is het lang niet gemakkelijk aan te toonen, hoe dat

overbrengen der kinderen uit de boeren en handwerkers naar de wachters,

en omgekeerd, moet geschieden; en het is onvermijdelijk, dat de

personen, die ze overbrengen, merken, wie zij aan ieder geven. Verder

moet het boven, aangaande beleediging, doodslag, enz., gezegde bij

dezen nog veel meer plaats hebben, want zij, die naar de andere burgers

zijn overgebragt, noemen de wachters niet langer broeders, of kinderen,

of ouders; en evenmin zij, die naar de wachters zijn overgebragt, de

andere burgers; zoodat zij zich wegens de verwantschap niet meer voor

zulke daden zullen in acht nemen. Dit nu moge volstaan omtrent de

gemeenschap van vrouwen en kinderen.

Hiermede hangt het vraagstuk van den eigendom zamen; hoe die in een

volmaakten staat moet geregeld worden, en of die gemeenschappelijk of

niet gemeenschappelijk zijn moet. Nu kan de vraag van den eigendom,

ook zonder haar met de vrouwen- en kinderenwet in verband te brengen,

beschouwd worden, en men kan vragen of het beter is, dat, al zijn die

andere betrekkingen voor ieder afzonderlijk, gelijk tegenwoordig,

de eigendom en het vruchtgebruik gemeenschappelijk zijn, zoodat b.

v. de landerijen bijzonder eigendom zijn, maar de vruchten in de

gemeenschappelijke voorraadshuizen gebragt worden, gelijk eenige

volken doen; of dat daarentegen de bodem gemeenschappelijk eigendom

is, en gemeenschappelijk bewerkt wordt, maar de vruchten onder allen

voor ieders bijzonder gebruik verdeeld worden, want ook deze soort

van gemeenschap wordt, naar men zegt, bij sommige barbaren gevonden;

of dat én de bodem én de vruchten gemeenschappelijk eigendom zijn.

Wanneer nu de bodem door lijfeigenen bewerkt wordt, dan is het een

ander geval, en alles gaat gemakkelijker; maar wanneer zij zich zelven

bedienen, is de vraag van den eigendom lastiger; want als niet ieder

evenveel gebruikt en evenveel werkt, moeten er noodzakelijk door hen,

die minder krijgen en meer werken, verwijtingen gedaan worden aan hen,

die veel gebruiken of krijgen en weinig werken. Over het geheel is het

zamenleven en zamendeelen in alle menschelijke dingen moeijelijk, maar

vooral in zulke, zoo als ook blijkt uit de gemeenschap van menschen,

die zamen op reis zijn; want deze raken meestal over kleinigheden,

die voor de hand liggen, met elkander overhoop. Ook komen wij het

meest met die bedienden in onmin, die wij het meest tot dagelijksche

diensten bezigen. De gemeenschap van eigendom heeft dus deze en andere

dergelijke zwarigheden. Maar zoo als het nu is, is het veel beter,

wanneer de zeden en de bepalingen der wet maar goed zijn; want dan

heeft dit het voordeel van beiden, én van den gemeenschappelijken

én van den bijzonderen eigendom; want in sommige opzigten moet de

eigendom gemeenschappelijk wezen, maar over het algemeen van ieder

in ’t bijzonder. Want dat ieder zijne taak heeft, veroorzaakt nu

geen onderling verwijt, maar doet veeleer den eigendom toenemen,

doordien ieder zijn eigen belang zoekt te bevorderen; en de deugd [der

mededeelzaamheid] kan toch het spreekwoord: de bezittingen der vrienden

zijn gemeen, doen toepassen. En deze inrigting is ook tegenwoordig in

sommige staten daargesteld, en vooral in goed geordende staten is zij

aanwezig, of althans mogelijk; want ieder heeft dan zijn bepaalden

eigendom, maar vergunt het gebruik van sommige dingen aan zijne

vrienden, en gebruikt andere als algemeen goed; gelijk de Spartanen,

als van hunnen eigendom, van elkanders slaven, paarden en honden, en

zelfs, op reis zijnde, van elkanders veldvruchten gebruik maken. Dus

blijkt het beter te wezen, dat de eigendom afzonderlijk is, maar door

het gebruik gemeenschappelijk gemaakt wordt. En dezen geest onder de

burgers op te wekken, is de taak van den wetgever. Ook scheelt het

in aangenaamheid onuitsprekelijk veel, of men iets als zijn eigendom

kan beschouwen of niet; want ieder mensch heeft toch voor niet geen

genegenheid voor zich zelven, en dit is natuurlijk; hoezeer eigenliefde

met regt berispt wordt. Deze bestaat echter niet in liefde, maar in

te groote liefde voor zich zelven; en het is hetzelfde geval met de

liefde voor het geld, daar die toch eenigzins bij allen gevonden wordt.

Verder is het zeer aangenaam aan vrienden, gasten of makkers genoegen

te doen en hulp te bewijzen, en dit is mogelijk, als er bijzonder

eigendom is. Deze dingen missen zij, die den staat volkomen één maken,

en vernietigen daarenboven twee deugden geheel en al, te weten:

ingetogenheid in de betrekking tot de vrouwen, daar het toch schoon

is zich uit ingetogenheid van de vrouwen van anderen te onthouden; en

onbekrompenheid ten opzigte van de bezittingen, daar de onbekrompenheid

zich bij hen niet kan vertoonen noch hare werking uitoefenen, omdat

die bij het gebruiken van den eigendom moet plaats hebben. Zulk eene

staatsregeling heeft dus een schoon uiterlijk en schijnt menschlievend

te wezen; en die er van hooren hebben er schik in, meenende, dat er

eene verwonderlijk groote genegenheid van allen voor allen zijn zal,

vooral wanneer men daarbij scheldt op het kwaad, dat tegenwoordig

in de staten gevonden wordt, en dit aan den afzonderlijken eigendom

toeschrijft (ik meen de regtsgedingen over geschonden overeenkomsten,

en valsche getuigenis, en het vleien der rijken, enz.) hoewel

dit alles toch niet aan den afzonderlijken eigendom, maar aan de

slechtheid der menschen te wijten is. Want wij zien, dat bezitters

van gemeenschappelijken eigendom veel meer oneenig zijn dan die van

afzonderlijken, doch [dit schijnt minder, omdat] er vrij wat minder

gevallen van de eerste dan van de laatste soort voorkomen. Maar het is

ook billijk niet alleen te zeggen, hoeveel kwaad door die gemeenschap

zal weggenomen worden; maar tevens, hoeveel goed. En dit leven schijnt

ten eenemale onmogelijk. En als oorzaak van de dwaling van ~Socrates~

moet zijne verkeerde grondstelling beschouwd worden, want in sommige

opzigten moet een huisgezin en een staat wel één wezen maar niet in

alle; want hij kan daarin zóó ver gaan, dat hij geen staat meer is, of

dat hij wel een staat, maar een slechte staat is. Het is er mede alsof

men de harmonie tot éénheid van toon wilde maken, of alle lettergrepen

in een vers van dezelfde lengte. Maar men moet den staat, die, zoo als

wij zeiden, eene menigte is, door de opvoeding tot eene gemeenschap, en

tot één maken, en als men een stelsel van opvoeding wil invoeren, en

overtuigd is, dat de staat daardoor goed zal worden, moet men het als

ongerijmd beschouwen hem door zulke bepalingen te willen regelen, en

niet door de zeden en de wijsbegeerte en de wetten; gelijk de wetgever

te Lacedaemon en op Creta door de gemeenschappelijke maaltijden [eene

soort van] gemeenschap van eigendom heeft weten te bewerken. En ook

dit verdient niet vergeten te worden, dat men de ondervinding van zoo

vele jaren [als de wereld bestaan heeft] in aanmerking moet nemen,

daar het in al dien tijd niet zou verborgen gebleven zijn, wanneer

het zoo goed was. Want bijna alles, wat ~Plato~ aanraadt, is reeds

voorgekomen, maar het is deels niet bijeengevoegd, deels, hoewel het

bekend was, niet toegepast. En het zou vooral in het oog loopen, als

men zulk eene staatsregeling eens werkelijk zag bestaan; want men zou

den staat niet kunnen vormen, zonder hem weer in tafelgezelschappen,

wijken en stammen te verdeelen; zoodat er dan eigenlijk niets van die

bepalingen zou blijven, als dat de wachters geen landbouw uitoefenden;

hetgeen de Lacedaemoniers ook tegenwoordig pogen te bewerken. Maar ook

heeft ~Socrates~ niet gezegd, hoe de geheele staat bij die gemeenschap

van eigendom ingerigt zal wezen, en het is niet gemakkelijk, dit te

zeggen. En toch bestaat de staat voor het grootste gedeelte uit de

menigte der andere burgers, waaromtrent volstrekt niet bepaald is, of

ook de boeren gemeenschappelijk, of wel afzonderlijk eigendom moeten

hebben, en of zij gemeenschap van vrouwen en kinderen moeten hebben,

of niet. Want wanneer bij hen op dezelfde wijs alles aan allen gemeen

is, waarin verschillen zij dan van de wachters? of welk voordeel hebben

zij er dan bij, wanneer zij hun onderworpen zijn? of hoe zullen zij

zich die onderwerping laten welgevallen, tenzij een dergelijk middel

als op Creta daartoe verzonnen wordt; want dáár hebben de onderworpenen

aan alle andere dingen gelijkelijk deel, maar van de openbare scholen

en het dragen der wapenen zijn zij uitgesloten. Maar wanneer zij ook

deze dingen zullen hebben, even als in andere staten, hoe moeten

zij dan met de wachters omgaan? Want het is onvermijdelijk, dat er

bij die inrigting in éénen staat twee staten zijn zullen, die tegen

elkander over staan; want hij maakt sommigen wachters, en anderen

boeren, handwerkers, enz. Dan zullen beschuldigingen en regtsgedingen

en wat hij verder voor nadeelen in de tegenwoordige staten opnoemt

ook allen in den zijnen gevonden worden. En toch zegt ~Socrates~, dat

zij ten gevolge van hunne opvoeding niet vele wettelijke bepalingen

over de orde in de stad, en op de markt, enz., zullen noodig hebben,

als slechts die opvoeding aan de wachters gegeven wordt. Verder

maakt hij de boeren tot heeren van den eigendom, die daaruit de

wachters betalen. Maar dan zullen zij denkelijk nog veel lastiger en

hoogmoediger zijn dan de onderworpene klassen in sommige tegenwoordige

staten. En of dit even noodig is als het andere, of niet, daaromtrent

is niets bepaald, noch ook, hoe de inrigting, en de opvoeding, en de

wetten der onderworpenen zijn moeten. Het is ook niet gemakkelijk

te vinden; en hoe dezen zijn, is lang niet onverschillig voor het in

stand blijven van de gemeenschap der wachters. Verder, wanneer hij

de vrouwen gemeenschappelijk, en den eigendom afzonderlijk, of ook

beiden gemeenschappelijk maakt, wie zal dan voor het huis zorgen,

gelijk de mannen voor den veldarbeid? Ook is het ongerijmd hier de

vergelijking met de beesten te gebruiken, om te bewijzen, dat de

vrouwen hetzelfde als de mannen verrigten moeten; want de beesten

hebben geen huishouding. Ook is het gevaarlijk zoo als ~Socrates~ de

overheden aanstelt, want daartoe verkiest hij aanhoudend dezelfde

personen, en dit verwekt ontevredenheid ook bij onbeduidende menschen,

en hoeveel meer dan bij krachtige, oorlogzuchtige mannen? En toch is

het duidelijk, dat hij steeds dezelfden tot overheden moet aanstellen,

daar het goddelijke goud niet dan eens met die, dan weer met die ziel,

maar steeds met dezelfden zielen vermengd is. Want hij zegt, dat

terstond bij de geboorte met sommige zielen goud, met andere zilver,

vermengd is, maar koper en ijzer met de zielen van hen, die boeren of

handwerkers zijn zullen. Verder zegt hij, dat de wetgever niet ééne

klasse, b. v. de wachters, maar den geheelen staat gelukkig moet maken.

Maar de geheele staat kan niet gelukkig zijn, tenzij dat geluk in alle

of de meeste of sommige deelen gevonden wordt. Want het geluk hoort

niet tot dezelfde soort van begrippen als even (in de getallen), want

dit laatste kan in het geheel bestaan en toch in geen van de deelen;

maar met het geluk is dit onmogelijk. Edoch als de wachters niet

gelukkig zijn, wie zijn het dan? want hij bestemt het geluk toch niet

voor de handwerkers en het gemeen.

De door ~Socrates~ voorgestelde staatsregeling heeft dus deze

zwarigheden en nog verscheidene andere van niet minder aanbelang.

De republiek van Plato · 第 62 / 65 题