(_Genomen uit zijne Politiek, Boek_ II.)
Nademaal wij van zins zijn de staatkundige vereeniging te beschouwen,
daar deze meer dan alle andere vereenigingen dienstig schijnt te wezen,
om levensgeluk te bevorderen, moeten wij ook de andere staatsregelingen
onderzoeken; én die, waarvan sommige staten, die goed ingerigt heeten,
zich bedienen, én die, welke door sommigen zijn voorgeslagen, en voor
goed gehouden worden; opdat het goede en nuttige voor den dag kome,
en het zoeken van iets anders dan deze niet aan betweterij worde
toegeschreven; maar opdat het blijke, dat wij, omdat deze niet goed
zijn, gemeend hebben op nieuw te moeten gaan zoeken.
Wij moeten beginnen met hetgeen uit zijnen aard het begin van dit
onderzoek is.
Het is noodzakelijk, dat alle burgers óf aan alles gemeenschappelijk
deel hebben, óf aan niets, óf aan sommige dingen wel, aan andere niet.
Aan niets kan niet, want de staat is eene soort van gemeenschap.
Vooreerst toch hebben zij gemeenschappelijk deel aan de woonplaats,
want gemeenschap van woonplaats volgt uit de eenheid van den staat,
waaraan al de burgers gemeenschappelijk deel hebben. Maar wat is nu
beter voor een staat, die goed zal zijn ingerigt; dat alle burgers
aan alle mogelijke dingen gemeenschappelijk deel hebben, of aan
sommige wel, aan andere niet? Want het is denkbaar, dat de burgers
aan kinderen, vrouwen en bezittingen gemeenschappelijk deel hebben,
zoo als in de _Republiek van Plato_; dáár toch zegt ~Socrates~, dat
de kinderen, de vrouwen en de bezittingen aan allen gemeen moeten
wezen; en is het nu beter, dat dit zóó ingerigt is als tegenwoordig,
of zóó als in de _Republiek_ wordt voorgeschreven? Deze gemeenschap
van vrouwen heeft én vele andere zwarigheden, én schijnt niet om die
reden, waarom ~Socrates~ het noodig vindt haar voor te schrijven,
als noodzakelijk beschouwd te moeten worden. Daarenboven kan zij,
zóó als zij besproken is, nooit tot het doel leiden, dat hij aan den
staat voorstelt; en hoe men dat doel beschouwen moet, is volstrekt
niet bepaald. Ik heb op het oog, dat de geheele staat één moet wezen,
daar dit het beste is; want hiervan gaat ~Socrates~ uit. Edoch het
is duidelijk, dat, wanneer de staat meer en meer tot de eenheid
nadert, hij eindelijk geen staat meer wezen zal, want uit zijnen aard
is de staat eene menigte, en door dat streven naar eenheid, zou hij
dan van een staat een huisgezin, en van een huisgezin een individu
worden; want het huisgezin is meer één dan de staat en de individu
meer dan het huisgezin; zoodat, al kon men die eenheid daarstellen,
het beter was dit te laten, omdat zij den staat zou vernietigen. En
de staat is niet slechts zamengesteld uit verscheidene menschen, maar
uit menschen van verscheidene soort; want uit menschen van eenerlei
soort wordt geen staat gevormd. Want een bondgenootschap en een staat
is niet hetzelfde; bij het eerste toch is het aantal nuttig, ook al
zijn allen van dezelfde soort, daar het slechts tot het verleenen
van hulp gesticht wordt, even als men het gewigt vermeerdert, om de
schaal te doen zakken. En daarin verschilt ook een staat van een
volk, wanneer de menigte niet in dorpen verdeeld is, maar zoo als de
Arcadiers [verspreid woont.] Die deelen nu, waaruit de eenheid [van
den staat] moet zamengesteld worden, zijn verschillend van soort.
Waarom het ook tot behoud der staten dient, dat zij, die gelijk zijn,
gelijkelijk deel aan het bestuur hebben, daar dit een noodzakelijk
gevolg is der vrijheid en gelijkheid; want allen kunnen niet te gelijk
regeren, maar wel bij jaarlijksche afwisseling, of naar eenige andere
orde en tijdmaat. Zóó gebeurt het dan, dat allen regeren, even alsof
de schoenmakers en de timmerlieden van beroep verwisselden en niet
steeds dezelfde personen schoenmakers of timmerlieden waren. Daar
echter dit laatste beter is, zoo loopt het in het oog, dat het ook in
het staatkundige beter is, dat, als het kan, steeds dezelfde personen
regeren. En waar dat wegens de gelijkheid van allen niet kan, is het
tevens billijk, dat, hetzij het regeren een voorregt of een last is,
allen daarin deelen, en dáár steeds op dezelfde wijs het ééne bestuur
door het andere wordt opgevolgd, zoodat beurtelings de een regeert en
de ander gehoorzaamt, als werden zij telkens andere menschen. En op
diezelfde wijs nemen dan telkens anderen uit de overheden dezelfde
bedieningen waar. Hieruit blijkt, dat die eenheid van den staat,
gelijk sommigen haar prijzen, niet bestaan kan; en dat hetgeen als het
grootste goed voor een staat geprezen wordt, den staat vernietigt. En
toch brengt hetgeen voor eenig ding goed is [geen vernietiging, maar]
behoud te weeg. Ook nog op eene andere wijs kan het blijken, dat het
niet goed is den staat volkomen één te willen maken. Een huisgezin toch
heeft meer aan zich zelf genoeg dan een individu, en een staat meer dan
een huisgezin; en de begeerte om een staat te vormen wordt geboren,
wanneer de gezamenlijke menigte aan zich zelve genoeg is. Edoch daar
meer zelfgenoegzaamheid verkieselijker is, is het ook verkieselijker
minder één te wezen. Maar zelfs al was het het beste, dat die
staatkundige vereeniging zoo veel mogelijk één is, dan schijnt dit nog
niet daardoor tot stand te komen, dat allen de woorden _mijn_ en _niet
mijn_ van hetzelfde zeggen; dit toch houdt ~Socrates~ voor een teeken,
dat de staat volkomen één is. _Allen_ toch is dubbelzinnig. Want als
het beteekent _ieder_, dan zou misschien hetgeen ~Socrates~ wil kunnen
plaats hebben; want dan zal ieder denzelfden zijnen zoon en dezelfde
zijne vrouw noemen, en dit zal dan ook met de bezittingen en alle
andere dingen plaats hebben. Zóó echter zullen zij het niet zeggen,
die gemeenschap van vrouwen en kinderen hebben; maar _allen_ zullen
het wél zeggen, doch niet _ieder_; en evenzoo zullen _allen_ het van
de bezittingen zeggen, maar niet _ieder_. Dus is het klaarblijkelijk
een spelen met woorden, te beweren, dat allen het zeggen zullen; en dit
woord: _allen_, wordt dan ook in het twisten om zijne dubbelzinnigheid
tot het maken van drogredenen gebruikt; en daarom is dat zeggen van
hetzelfde door allen in het ééne geval mooi, maar onmogelijk; in het
andere volstrekt niet bevorderlijk voor de eensgezindheid. Daarenboven
heeft het nog een ander gebrek; want hetgeen aan de meesten gezamenlijk
toebehoort, wordt het minst verzorgd; daar ieder het meest op zijn
eigen zaken let, en op de gemeenschappelijke minder dan hij voor zijn
deel doen moest; want behalve om andere redenen verwaarloozen zij ze
daarom te meer, dewijl anderen er wel voor zorgen zullen; gelijk in
een huisgezin vele bedienden somtijds slechter bedienen dan weinige.
Zoo heeft dan ieder der burgers duizend zonen, en dat wel niet van
hem in ’t bijzonder, maar naar het uitkomt is ieder zoon van ieder,
zoodat allen [die zonen] evenzeer zullen verwaarloozen. Verder noemt
ieder der burgers den gelukkigen of ongelukkigen in omgekeerde reden
van hun aantal den zijnen, b. v. hij is de mijne, of de zijne, [of van
dien, of van dien,] en zoo de rij der duizend burgers, of zoo veel
als er zijn, af; en dat nog aarzelend; dewijl het onbekend is, wie
een kind heeft verwekt, of wiens kind in het leven is gebleven. En
wat is nu beter, zóó ieder van die twee of tienduizend [of zoo veel
als er zijn] den zijnen te noemen, of liever dit zóó te doen als het
tegenwoordig plaats heeft? Want [tegenwoordig] wordt dezelfde door den
eenen zoon, door den anderen broeder genoemd, en een ander noemt hem
neef, of benoemt hem naar eenen anderen graad van bloedverwantschap
of aanverwantschap met hem of de zijnen, en noemt dan weer anderen
wijk- of stamgenooten; en het is toch beter een eigen neef te zijn
dan een zoon op die wijze. Verder is het niet eens mogelijk, dat niet
sommigen hunne natuurlijke broeders, kinderen of ouders herkennen
zouden; althans dit moeten zij wel van elkander vermoeden, daar de
kinderen gewoonlijk op de ouders gelijken. En dit wordt ook door het
getuigenis van sommige reizigers bevestigd; want zij zeggen, dat bij
eenige volken van Opper-Libye gemeenschap van vrouwen bestaat, en
evenwel de kinderen naar de gelijkenis verdeeld worden. Ook zijn er
wijfjes van andere dieren, b. v. van paarden en runderen, die jongen
ter wereld brengen, welke zeer op hunne ouders gelijken, zoo als
onder anderen de beroemde Pharsalische merries. Verder is het niet
gemakkelijk voor hen, die zulk eene gemeenschap willen daarstellen, de
volgende zwarigheden te vermijden; te weten: onwillige en moedwillige
beleedigingen en doodslag, en gevechten en smaad, het welk alles nog
vrij wat goddeloozer is als het tegen ouders of bloedverwanten dan als
het tegen vreemden gepleegd wordt; en noodzakelijk meer zal plaats
hebben, wanneer zij elkander niet kennen dan wanneer zij elkander
kennen. En als het gebeurt, kan het, wanneer zij elkander kennen,
behoorlijk geboet worden; maar, wanneer zij elkander niet kennen, niet.
Ook schijnt die gemeenschap van vrouwen en kinderen voor de boeren
nuttiger te zijn dan voor de wachters; want als de vrouwen en kinderen
gemeen zijn, zal er minder onderlinge genegenheid bestaan; en die moet
er niet zijn bij de onderdanen, opdat zij gehoorzaam zijn en geen
zamenzweringen maken. En over ’t geheel is het noodzakelijk, dat door
dusdanig eene wet het tegendeel plaats heeft van hetgeen goede wetten
bewerken moeten, en ~Socrates~ bij het maken dezer bepalingen omtrent
vrouwen en kinderen beoogt; want wij beschouwen onderlinge genegenheid
als het grootste goed voor de staten, omdat daardoor de burgertwist
wordt voorkomen, en ~Socrates~ prijst voornamelijk de éénheid van
den staat, die toch, zoo als hij zelf zegt, door de onderlinge
genegenheid moet bewerkt worden; maar door zulk eene gemeenschap moet
die genegenheid waterig worden, en de zoon het allerminst den vader
of de vader den zoon als den zijnen beschouwen. Want even als een
weinig zoet met veel water vermengd onmerkbaar wordt, zoo moet ook het
onderlinge verband, dat door deze betrekkingen ontstaat, in zulk eene
staatsregeling zoo goed als geen wederzijdsche belangstelling tusschen
ouders en kinderen of tusschen broeders te weeg brengen. Want twee
dingen vooral brengen onderlinge belangstelling en genegenheid onder de
menschen te weeg, te weten: de persoonlijke betrekking en de band van
het bloed; en geen van beiden kan bij zulk eene staatsregeling plaats
hebben. Verder is het lang niet gemakkelijk aan te toonen, hoe dat
overbrengen der kinderen uit de boeren en handwerkers naar de wachters,
en omgekeerd, moet geschieden; en het is onvermijdelijk, dat de
personen, die ze overbrengen, merken, wie zij aan ieder geven. Verder
moet het boven, aangaande beleediging, doodslag, enz., gezegde bij
dezen nog veel meer plaats hebben, want zij, die naar de andere burgers
zijn overgebragt, noemen de wachters niet langer broeders, of kinderen,
of ouders; en evenmin zij, die naar de wachters zijn overgebragt, de
andere burgers; zoodat zij zich wegens de verwantschap niet meer voor
zulke daden zullen in acht nemen. Dit nu moge volstaan omtrent de
gemeenschap van vrouwen en kinderen.
Hiermede hangt het vraagstuk van den eigendom zamen; hoe die in een
volmaakten staat moet geregeld worden, en of die gemeenschappelijk of
niet gemeenschappelijk zijn moet. Nu kan de vraag van den eigendom,
ook zonder haar met de vrouwen- en kinderenwet in verband te brengen,
beschouwd worden, en men kan vragen of het beter is, dat, al zijn die
andere betrekkingen voor ieder afzonderlijk, gelijk tegenwoordig,
de eigendom en het vruchtgebruik gemeenschappelijk zijn, zoodat b.
v. de landerijen bijzonder eigendom zijn, maar de vruchten in de
gemeenschappelijke voorraadshuizen gebragt worden, gelijk eenige
volken doen; of dat daarentegen de bodem gemeenschappelijk eigendom
is, en gemeenschappelijk bewerkt wordt, maar de vruchten onder allen
voor ieders bijzonder gebruik verdeeld worden, want ook deze soort
van gemeenschap wordt, naar men zegt, bij sommige barbaren gevonden;
of dat én de bodem én de vruchten gemeenschappelijk eigendom zijn.
Wanneer nu de bodem door lijfeigenen bewerkt wordt, dan is het een
ander geval, en alles gaat gemakkelijker; maar wanneer zij zich zelven
bedienen, is de vraag van den eigendom lastiger; want als niet ieder
evenveel gebruikt en evenveel werkt, moeten er noodzakelijk door hen,
die minder krijgen en meer werken, verwijtingen gedaan worden aan hen,
die veel gebruiken of krijgen en weinig werken. Over het geheel is het
zamenleven en zamendeelen in alle menschelijke dingen moeijelijk, maar
vooral in zulke, zoo als ook blijkt uit de gemeenschap van menschen,
die zamen op reis zijn; want deze raken meestal over kleinigheden,
die voor de hand liggen, met elkander overhoop. Ook komen wij het
meest met die bedienden in onmin, die wij het meest tot dagelijksche
diensten bezigen. De gemeenschap van eigendom heeft dus deze en andere
dergelijke zwarigheden. Maar zoo als het nu is, is het veel beter,
wanneer de zeden en de bepalingen der wet maar goed zijn; want dan
heeft dit het voordeel van beiden, én van den gemeenschappelijken
én van den bijzonderen eigendom; want in sommige opzigten moet de
eigendom gemeenschappelijk wezen, maar over het algemeen van ieder
in ’t bijzonder. Want dat ieder zijne taak heeft, veroorzaakt nu
geen onderling verwijt, maar doet veeleer den eigendom toenemen,
doordien ieder zijn eigen belang zoekt te bevorderen; en de deugd [der
mededeelzaamheid] kan toch het spreekwoord: de bezittingen der vrienden
zijn gemeen, doen toepassen. En deze inrigting is ook tegenwoordig in
sommige staten daargesteld, en vooral in goed geordende staten is zij
aanwezig, of althans mogelijk; want ieder heeft dan zijn bepaalden
eigendom, maar vergunt het gebruik van sommige dingen aan zijne
vrienden, en gebruikt andere als algemeen goed; gelijk de Spartanen,
als van hunnen eigendom, van elkanders slaven, paarden en honden, en
zelfs, op reis zijnde, van elkanders veldvruchten gebruik maken. Dus
blijkt het beter te wezen, dat de eigendom afzonderlijk is, maar door
het gebruik gemeenschappelijk gemaakt wordt. En dezen geest onder de
burgers op te wekken, is de taak van den wetgever. Ook scheelt het
in aangenaamheid onuitsprekelijk veel, of men iets als zijn eigendom
kan beschouwen of niet; want ieder mensch heeft toch voor niet geen
genegenheid voor zich zelven, en dit is natuurlijk; hoezeer eigenliefde
met regt berispt wordt. Deze bestaat echter niet in liefde, maar in
te groote liefde voor zich zelven; en het is hetzelfde geval met de
liefde voor het geld, daar die toch eenigzins bij allen gevonden wordt.
Verder is het zeer aangenaam aan vrienden, gasten of makkers genoegen
te doen en hulp te bewijzen, en dit is mogelijk, als er bijzonder
eigendom is. Deze dingen missen zij, die den staat volkomen één maken,
en vernietigen daarenboven twee deugden geheel en al, te weten:
ingetogenheid in de betrekking tot de vrouwen, daar het toch schoon
is zich uit ingetogenheid van de vrouwen van anderen te onthouden; en
onbekrompenheid ten opzigte van de bezittingen, daar de onbekrompenheid
zich bij hen niet kan vertoonen noch hare werking uitoefenen, omdat
die bij het gebruiken van den eigendom moet plaats hebben. Zulk eene
staatsregeling heeft dus een schoon uiterlijk en schijnt menschlievend
te wezen; en die er van hooren hebben er schik in, meenende, dat er
eene verwonderlijk groote genegenheid van allen voor allen zijn zal,
vooral wanneer men daarbij scheldt op het kwaad, dat tegenwoordig
in de staten gevonden wordt, en dit aan den afzonderlijken eigendom
toeschrijft (ik meen de regtsgedingen over geschonden overeenkomsten,
en valsche getuigenis, en het vleien der rijken, enz.) hoewel
dit alles toch niet aan den afzonderlijken eigendom, maar aan de
slechtheid der menschen te wijten is. Want wij zien, dat bezitters
van gemeenschappelijken eigendom veel meer oneenig zijn dan die van
afzonderlijken, doch [dit schijnt minder, omdat] er vrij wat minder
gevallen van de eerste dan van de laatste soort voorkomen. Maar het is
ook billijk niet alleen te zeggen, hoeveel kwaad door die gemeenschap
zal weggenomen worden; maar tevens, hoeveel goed. En dit leven schijnt
ten eenemale onmogelijk. En als oorzaak van de dwaling van ~Socrates~
moet zijne verkeerde grondstelling beschouwd worden, want in sommige
opzigten moet een huisgezin en een staat wel één wezen maar niet in
alle; want hij kan daarin zóó ver gaan, dat hij geen staat meer is, of
dat hij wel een staat, maar een slechte staat is. Het is er mede alsof
men de harmonie tot éénheid van toon wilde maken, of alle lettergrepen
in een vers van dezelfde lengte. Maar men moet den staat, die, zoo als
wij zeiden, eene menigte is, door de opvoeding tot eene gemeenschap, en
tot één maken, en als men een stelsel van opvoeding wil invoeren, en
overtuigd is, dat de staat daardoor goed zal worden, moet men het als
ongerijmd beschouwen hem door zulke bepalingen te willen regelen, en
niet door de zeden en de wijsbegeerte en de wetten; gelijk de wetgever
te Lacedaemon en op Creta door de gemeenschappelijke maaltijden [eene
soort van] gemeenschap van eigendom heeft weten te bewerken. En ook
dit verdient niet vergeten te worden, dat men de ondervinding van zoo
vele jaren [als de wereld bestaan heeft] in aanmerking moet nemen,
daar het in al dien tijd niet zou verborgen gebleven zijn, wanneer
het zoo goed was. Want bijna alles, wat ~Plato~ aanraadt, is reeds
voorgekomen, maar het is deels niet bijeengevoegd, deels, hoewel het
bekend was, niet toegepast. En het zou vooral in het oog loopen, als
men zulk eene staatsregeling eens werkelijk zag bestaan; want men zou
den staat niet kunnen vormen, zonder hem weer in tafelgezelschappen,
wijken en stammen te verdeelen; zoodat er dan eigenlijk niets van die
bepalingen zou blijven, als dat de wachters geen landbouw uitoefenden;
hetgeen de Lacedaemoniers ook tegenwoordig pogen te bewerken. Maar ook
heeft ~Socrates~ niet gezegd, hoe de geheele staat bij die gemeenschap
van eigendom ingerigt zal wezen, en het is niet gemakkelijk, dit te
zeggen. En toch bestaat de staat voor het grootste gedeelte uit de
menigte der andere burgers, waaromtrent volstrekt niet bepaald is, of
ook de boeren gemeenschappelijk, of wel afzonderlijk eigendom moeten
hebben, en of zij gemeenschap van vrouwen en kinderen moeten hebben,
of niet. Want wanneer bij hen op dezelfde wijs alles aan allen gemeen
is, waarin verschillen zij dan van de wachters? of welk voordeel hebben
zij er dan bij, wanneer zij hun onderworpen zijn? of hoe zullen zij
zich die onderwerping laten welgevallen, tenzij een dergelijk middel
als op Creta daartoe verzonnen wordt; want dáár hebben de onderworpenen
aan alle andere dingen gelijkelijk deel, maar van de openbare scholen
en het dragen der wapenen zijn zij uitgesloten. Maar wanneer zij ook
deze dingen zullen hebben, even als in andere staten, hoe moeten
zij dan met de wachters omgaan? Want het is onvermijdelijk, dat er
bij die inrigting in éénen staat twee staten zijn zullen, die tegen
elkander over staan; want hij maakt sommigen wachters, en anderen
boeren, handwerkers, enz. Dan zullen beschuldigingen en regtsgedingen
en wat hij verder voor nadeelen in de tegenwoordige staten opnoemt
ook allen in den zijnen gevonden worden. En toch zegt ~Socrates~, dat
zij ten gevolge van hunne opvoeding niet vele wettelijke bepalingen
over de orde in de stad, en op de markt, enz., zullen noodig hebben,
als slechts die opvoeding aan de wachters gegeven wordt. Verder
maakt hij de boeren tot heeren van den eigendom, die daaruit de
wachters betalen. Maar dan zullen zij denkelijk nog veel lastiger en
hoogmoediger zijn dan de onderworpene klassen in sommige tegenwoordige
staten. En of dit even noodig is als het andere, of niet, daaromtrent
is niets bepaald, noch ook, hoe de inrigting, en de opvoeding, en de
wetten der onderworpenen zijn moeten. Het is ook niet gemakkelijk
te vinden; en hoe dezen zijn, is lang niet onverschillig voor het in
stand blijven van de gemeenschap der wachters. Verder, wanneer hij
de vrouwen gemeenschappelijk, en den eigendom afzonderlijk, of ook
beiden gemeenschappelijk maakt, wie zal dan voor het huis zorgen,
gelijk de mannen voor den veldarbeid? Ook is het ongerijmd hier de
vergelijking met de beesten te gebruiken, om te bewijzen, dat de
vrouwen hetzelfde als de mannen verrigten moeten; want de beesten
hebben geen huishouding. Ook is het gevaarlijk zoo als ~Socrates~ de
overheden aanstelt, want daartoe verkiest hij aanhoudend dezelfde
personen, en dit verwekt ontevredenheid ook bij onbeduidende menschen,
en hoeveel meer dan bij krachtige, oorlogzuchtige mannen? En toch is
het duidelijk, dat hij steeds dezelfden tot overheden moet aanstellen,
daar het goddelijke goud niet dan eens met die, dan weer met die ziel,
maar steeds met dezelfden zielen vermengd is. Want hij zegt, dat
terstond bij de geboorte met sommige zielen goud, met andere zilver,
vermengd is, maar koper en ijzer met de zielen van hen, die boeren of
handwerkers zijn zullen. Verder zegt hij, dat de wetgever niet ééne
klasse, b. v. de wachters, maar den geheelen staat gelukkig moet maken.
Maar de geheele staat kan niet gelukkig zijn, tenzij dat geluk in alle
of de meeste of sommige deelen gevonden wordt. Want het geluk hoort
niet tot dezelfde soort van begrippen als even (in de getallen), want
dit laatste kan in het geheel bestaan en toch in geen van de deelen;
maar met het geluk is dit onmogelijk. Edoch als de wachters niet
gelukkig zijn, wie zijn het dan? want hij bestemt het geluk toch niet
voor de handwerkers en het gemeen.
De door ~Socrates~ voorgestelde staatsregeling heeft dus deze
zwarigheden en nog verscheidene andere van niet minder aanbelang.