Voetnoten

[156] Zie _Phaedo_, Cap. XIX. XLVIII-L.

[157] Hier komt het principium indescernibilium voor den dag, volgens

hetwelk beweerd wordt, dat er geen twee volmaakt gelijke dingen

bestaan. In de wereld der ideeën is deze stelling volkomen waar, gelijk

~Plato~ hier heeft bewezen; maar of zij daarom ook van de enkele wezens

gelden moet, en of er b. v. werkelijk geen twee volkomen gelijke

bladeren gevonden worden is eene andere vraag. Het is mij meermalen

voorgekomen, dat men deze stelling, die in de wereld der ideeën en

begrippen te huis behoort, zonder eenig regt op de werkelijkheid wil

toepassen.

[158] Als dit oordeel de kunst in het algemeen moet treffen, is

het niet van onbillijkheid vrij te pleiten. Dan oordeelt ~Cicero~

billijker, als hij zegt: «toen die kunstenaar (~Phidias~) het

beeld van ~Jupiter~ of ~Minerva~ maakte, aanschouwde hij niemand,

wiens gelijkenis hij uitdrukte; maar in zijnen geest huisvestte

eene uitstekende idee van schoonheid, in wier beschouwing hij zich

verdiepte, om overeenkomstig met haar de werkzaamheid zijner handen

te besturen,» _Orat._ § 9. ~Plato~’s oordeel te dezer plaatse is

wel juist, als schilders, beeldhouwers, dichters, enz. geen hooger

standpunt kiezen, dan hij hier veronderstelt; maar de ware kunstenaar

zal toch met zulk een laag standpunt niet tevreden zijn. Ik meen het er

echter voor te mogen houden, dat ~Plato~ het bestaan van dat hoogere

standpunt erkende, zoo omdat hij hier altijd van _nabootsende_ kunst,

niet van kunst in ’t algemeen spreekt, als omdat hij Boek VI. Hoofdst.

I., diegenen blind noemt, die niet in staat zijn _als schilders_ het

waarachtige origineel bij het maken van wetten tot voorbeeld te nemen.

[159] Of van ~Socrates~ in _Xenophons Gedenkwaardigheden_, Boek III.

Hoofdst. X.

[160] De naam ~Creophilus~ beteekent vleeschminner, gulzigaard.

[161] Zie mijne aanteekening op den _Theaetetus_, blz. 24 (3).

[162] Boek III. Hoofdst. VI.

[163] Zie mijne vertaling van den _Theaetetus_, blz. 207, (1).

[164] Zie Boek IV. Hoofdst. XIV., en VII. Hoofdst. VII.

[165] Zie Boek III. Hoofdst. II.

[166] In de _Apologie_, Hoofdst. XVII, zegt ~Socrates~ tot zijne

regters: den dood te vreezen is niets anders dan zich voor wijs

te houden, terwijl men het niet is; want het is hetzelfde als te

meenen, dat men iets kent, hetwelk men niet kent. Niemand toch kent

den dood, en niemand weet, of hij niet misschien het grootste geluk

voor een mensch is, maar de meesten zijn er bang voor, alsof zij

heel goed wisten, dat hij de grootste ramp is. En dit is toch wel de

schandelijkste onwetendheid, als men meent te weten, wat men niet weet.

[167] Zie _Phaedo_, Hoofdst. XV--XVII.

[168] Zie _Phaedo_, Hoofdst. XXV., en de noot op blz. 37 van mijne

vertaling, benevens mijne aanteekening op _Aristoteles de Anima_, II.

II. § 10 in het achtste nommer van de _Symbolae Literariae_.

[169] _Phaedo_, Hoofdst. XXVI.

[170] Boek II. Hoofdst. IV en V.

[171] _Theaetetus_, Hoofdst. XXV.

[172] Sommigen denken hier aan ~Zoroaster~, maar het is eigenlijk

geheel onzeker vanwaar dit verhaal ontleend is. Zie echter de

aanteekening (2) op blz. 142 van mijne vertaling van den _Phaedo_.

[173] Dat is de beroemde harmonie der spheren, die wij niet hooren

omdat wij er van jongs af aan gewend zijn. Het schijnt oorspronkelijk

een Pythagorisch denkbeeld te wezen, gebouwd op hunne theorie der

getallen. Zie mijne inleiding voor den _Phaedo_; blz. 8, 9 en 11.

[174] Zie _Phaedo_, Cap. LVII.

De republiek van Plato · 第 57 / 65 题