I. Wanneer ik nu alles nog eens naga, zeide ik, komt het mij voor,
dat onze wetgeving in vele punten, maar ook vooral ten aanzien van
de dichtkunst goed is.--In welk opzigt?--Daarin, dat de nabootsende
dichtkunst volstrekt niet wordt toegelaten; want, nu wij de
verschillende deelen der ziel beschouwd hebben, blijkt het nog
veel meer en duidelijker, dat wij die moeten buitensluiten.--Hoe
meent gij?--Om het u maar te zeggen, want gij zult mij bij de
treurspeldichters en de anderen niet verklappen, vind ik al die
soort van dichtstukken verderfelijk voor de gezindheid van zulke
toehoorders, die in de kennis van het wezenlijk zijnde geen tegengift
hebben.--Waarom?--Dat zal ik zeggen. Wel is waar verbiedt de
genegenheid en achting, die ik van jongs af voor ~Homerus~ had, mij te
spreken, daar hij van al die tragische sieraden de eerste uitvinder en
leermeester schijnt te wezen; maar, dewijl een mensch niet boven de
waarheid gaan mag, zal ik het toch maar zeggen.--Dat is goed.--Hoor
dan; of liever, antwoord op mijne vragen.--Vraag op.--Kunt gij mij ook
in het algemeen zeggen, wat nabootsing is; op het oogenblik zie ik het
niet duidelijk in.--Zal ik het dan inzien?--Dat zou niet onmogelijk
zijn. Dikwijls toch zien zelfs menschen met een zwak gezigt het een of
ander vroeger dan scherpzienden.--Dat is waar, doch nu gij er bij zijt,
zou ik het, als ik het merkte, niet eens durven zeggen; zie liever
zelf toe.--Willen wij dan maar weer op onze gewone wijs onderzoeken?
want wij zijn gewoon van alle enkele dingen, die denzelfden naam
dragen, één idee te stellen. Dat begrijpt gij toch?--Ja wel.--Laat
ons dan maar het eerste het beste nemen. Bij voorbeeld, er zijn vele
rustbanken en tafels.--Ja.--En zijn wij nu niet gewoon te zeggen, dat
de vervaardigers van zulke meubels de idee daarvan in het oog vatten en
dan rustbanken en tafels voor het gebruik maken, en de andere dingen
evenzoo? Geen dier werklieden toch maakt de idee zelve.--Wel neen.--Zie
nu eens, of gij dezen kunstenaar kent.--Welken?--Die alleen alles kan
maken, wat ieder ander maakt.--Dat moet al een knap en verwonderlijk
persoon zijn.--Nog niet, maar spoedig zult gij dit wel meer zeggen.
Diezelfde kunstenaar toch kan niet slechts alle huisraad maken, maar
hij maakt ook al wat op aarde groeit en alle dieren en menschen, ja ook
zich zelven, en de aarde, en den hemel, en de goden, en al wat in den
hemel of in de onderwereld gevonden wordt.--Dat is al een zeer knappe
toovenaar.--Gelooft gij mij niet? Zeg dan eens, of het u voorkomt, dat
zulk een kunstenaar volstrekt niet bestaat, of dat er in zeker opzigt
wel een maker van dat alles kan gedacht worden? Merkt gij niet, dat
gij zelf dat alles in zeker opzigt zoudt kunnen maken?--In welk opzigt
dan?--Het is zoo moeijelijk niet, en wordt dikwijls genoeg gedaan; het
allergemakklijkst, alle kanten heenwenden; want dan zult gij nu eens de
zon en de hemelsche dingen maken, dan eens de aarde, dan eens u zelven
en dan weer andere menschen of dieren, huisraad, planten, enz.--Nu ja;
in schijn, maar geenszins in waarheid.--Nu komt gij waar gij wezen
moet. Want tot deze kunstenaars behoort, geloof ik, ook de schilder,
niet waar?--Ja.--Gij zult echter, denk ik, zeggen, dat hij dat alles
niet in waarheid maakt. In zeker opzigt toch maakt ook de schilder
rustbanken, niet waar?--Ja, in schijn maakt hij die ook.--
II. En de maker van rustbanken maakt immers, zoo als gij daareven
gezegd hebt, niet de idee van een rustbank, maar eene bepaalde
rustbank?--Ja.--Maar als hij de idee niet maakt, dan maakt hij ook
het eigenlijk zijnde niet, maar iets, dat daarop gelijkt[156]; en
als iemand het volkomen zijn aan het werk van den rustbankenmaker
of van eenig ander werkman toeschreef, zou hij dan wel de waarheid
zeggen?--Volgens het oordeel van de kenners der wijsbegeerte zeker
niet.--Dus moet het ons ook niet verwonderen, dat dit werk de
volkomenheid der waarheid der idee mist.--Wel neen.--Willen wij nu
volgens deze beginselen eens nagaan, wat eigenlijk de nabootser
is?--Als het u belieft.--Zoo zijn er dan drie soorten van rustbanken;
ééne in de wereld der ideën, die wij moeten zeggen, dat door God
gemaakt is. Of weet gij een anderen maker?--Neen.--En ééne, die de
werkman gemaakt heeft.--Ja.--En ééne, die de schilder gemaakt heeft;
niet waar?--Juist.--Dus moeten die drie soorten aan drie vervaardigers,
den schilder, den werkman, de Godheid worden toegekend.--Juist, aan
die drie.--Hetzij nu, dat de Godheid het niet wilde, of dat er eenige
noodzakelijkheid was, om er niet meer dan ééne te maken; in de wereld
der ideën is maar ééne idee van een rustbank. Twee dergelijke zijn er
niet gemaakt, en kunnen er niet bestaan[157].--Hoe dat?--Omdat, zoodra
er slechts twee waren, er weder ééne zou voor den dag komen, wier
beeldtenis deze twee droegen, en dat deze dan de eigenlijke idee van
een rustbank wezen zou, niet die twee andere.--Dat is waar.--Daar nu,
geloof ik, de godheid dit inzag en wel de waarachtige idee van een
rustbank wilde scheppen maar geen rustbankenmaker wilde wezen, heeft
zij er in de wereld der ideeën slechts ééne gemaakt.--Dat schijnt
zoo.--Willen wij de godheid dus den schepper der idee noemen?--Dat
is regt, want de geheele wereld der ideeën is toch haar werk.--En
den schrijnwerker moeten wij dan den vervaardiger der rustbanken
noemen.--Juist.--En verdient ook de schilder den naam van schepper
of vervaardiger van rustbanken?--Wel neen.--Maar in welke betrekking
staat hij dan tot de rustbank?--Wij kunnen hem met het meeste regt
den nabootser noemen van hetgeen de anderen vervaardigd hebben.--Dus
staat de nabootser op de derde plaats van de waarheid af?--Ja.--En dus
geldt van den treurspeldichter, daar hij een nabootser is, en ook van
al de andere nabootsers, dat zij op de derde plaats van de waarheid
afstaan.--Dat blijkt.--Wij zijn het dus over den nabootser eens, maar
zeg mij nu nog dit van den schilder. Zoekt hij, naar uwe meening,
die ééne idee na te bootsen, of hetgeen de werklieden vervaardigd
hebben?--Het laatste[158].--En zoekt hij dat zóó na te bootsen als
het is, of zóó als het schijnt? want dit moet gij nog bepalen.--Hoe
meent gij?--Zóó. Of eene rustbank op zijde of van voren gezien wordt,
is zij daarom anders, of is zij steeds dezelfde, hoewel zij zich
anders voordoet?--Het laatste, want zij blijft dezelfde.--Let nu nog
eens hierop. Wat is nu het doel der schilderkunst. Zoekt zij ieder
ding zoo als het is na te bootsen of zoo als het schijnt? Is zij de
nabootsing van de waarheid of van den schijn?--Van den schijn.--Dus is
de nabootsing ver van het ware; en het blijkt, dat zij alles daardoor
maakt, dat zij van alles slechts even den schijn aanroert. Zoo zal b.
v. een schilder eenen schoenmaker, of timmerman, of anderen werkman
schilderen, schoon hij hun vak in het geheel niet verstaat; en toch,
als hij een goed schilder is, zal hij kinderen en domme menschen, door
hun die schilderij van verre te toonen, misleiden, en ze doen meenen,
dat zij in waarheid een schoenmaker, enz., zien.--Natuurlijk.--Maar,
mijn vriend! over al zulke dingen moeten wij zóó denken. Wanneer
iemand ons zeide, dat hij eenen man ontmoet had, die alle kunsten en
wetenschappen verstond, en in alles uitmuntte, dan zouden wij moeten
oordeelen, dat hij een dom mensch was, en waarschijnlijk een goochelaar
en nabootser ontmoet had, en zich door hem had laten foppen, zoodat hij
hem voor bijzonder knap gehouden had, dewijl hij zelf niet in staat was
kennis, onkunde en nabootsing te onderscheiden.--Dat is volkomen waar.--
III. Nu moeten wij de treurspeldichters en hunnen aanvoerder, ~Homerus~
beschouwen, daar men ons somtijds vertelt, dat deze dichters alle
wetenschappen en kunsten verstaan, en van alle menschelijke en
goddelijke dingen kennis hebben; want een goed dichter moet toch,
om fraai te kunnen dichten, de zaken, waarover hij dicht, kennen,
of er anders liever van zwijgen. Wij moeten dus nagaan, of die
lofredenaars in handen van nabootsers gevallen zijnde zich hebben
laten foppen, en niet gezien hebben, dat dit werk op de derde plaats
van de waarheid afstaat en ook zonder hare kennis ligt te maken is,
daar het slechts schijn is en geen wezen; of dat zij gelijk hebben,
en de goede dichters inderdaad kennis hebben van die dingen, waarover
zij naar het oordeel der menigte goed kunnen spreken.--Juist: dat
moeten wij nagaan.--Gelooft gij nu, dat, wanneer iemand beide, het
oorspronkelijke en het afbeeldsel maken kon, hij zich bij voorkeur op
het maken van afbeeldsels werpen, en zich dat tot doel van zijn leven
stellen zou?--Wel neen.--Maar zoo hij, geloof ik, in de dingen, die
hij nabootst, in waarheid bedreven was; dan zou hij zich veel eerder
op het oorspronkelijke werk dan op het nabootsen toeleggen, en dan
zou hij trachten vele schoone werken als gedenkteekens na te laten;
en hij zou liever de geprezene dan de prijzende wezen.--Dat denk ik
ook, want dat zou hem vrij wat meer roem en voordeel aanbrengen.--Van
andere dingen willen wij nu ~Homerus~ en de overige dichters geen
rekenschap vragen, noch onderzoeken, of één hunner van de geneeskunst
verstand had, en niet alleen maar geneeskundige spreekwijzen nabootste;
en of ook eenige dichter even als ~Esculaap~ menschen gezond gemaakt
of eene geneeskundige school heeft nagelaten; en ook over de andere
vakken willen wij maar heenstappen; maar ten opzigte van het grootste
en schoonste, dat ~Homerus~ vermeldt, van oorlog, krijgsbewind,
staatsbestuur en opvoeding is het toch billijk hem eens het volgende
te vragen: beste ~Homerus~! zoo gij in deugd niet op de derde plaats
van de waarheid afstaat en slechts een maker van beelden, een nabootser
zijt, maar op de tweede plaats, en weten kunt, welke bezigheid de
menschen in den staat en in hun bijzonder leven beter maakt: zeg ons
dan eens, welke staat door uw toedoen beter is ingerigt, zoo als
Lacedaemon door ~Lycurgus~, en andere staten door anderen. Roemt
eenige staat u als wetgever en weldoener? Italie toch en Sicilie
roemen ~Charondas~, en wij ~Solon~, maar wie u? Zal hij er één kunnen
opnoemen?--Ik geloof het niet, zeide ~Glauco~; want zelfs zijne school
heeft nimmer iets dergelijks beweerd.--En wordt er ook verhaald van
een oorlog, die onder aanvoering of leiding van ~Homerus~ met goeden
uitslag gevoerd is?--Wel neen.--Of worden er van hem, als van iemand
vol praktische wijsheid, vele schrandere denkbeelden over kunsten of
andere verrigtingen medegedeeld, gelijk van ~Thales~ van Miletus, of
van ~Anacharsis~ den Scyth[159]?--Niets van dien aard.--Maar wordt er
dan welligt verhaald, dat ~Homerus~ niet in ’t openbaar maar in een
kleiner kring eenigen heeft opgeleid, die zijnen omgang lief hadden
en aan de nakomelingen eene Homerische levenswijze overleverden,
gelijk ~Pythagoras~ juist daarom bemind werd, en zijne aanhangers nog
tegenwoordig zich door de zoogenaamde Pythagorische levenswijs van
anderen onderscheiden?--Niets dergelijks is bekend, ~Socrates~! Ja,
zelfs schijnt de beschaving van ~Creophilus~, den vriend van ~Homerus~,
nog minder geweest te zijn dan zijn naam aanduidt[160], wanneer ten
minste de overlevering waar is. Want zij zegt, dat hij ~Homerus~ reeds
bij zijn leven schandelijk verwaarloosd heeft.--
IV. Juist, zeide ik. Maar, ~Glauco~! meent gij, dat, als ~Homerus~ in
waarheid geschikt was om de menschen te onderwijzen en beter te maken,
en daarvan meer verstond dan nabootsen, hij zich niet vele vrienden,
die hem eerden en beminden, zou verworven hebben? ~Protagoras~ toch van
Abdera en ~Prodicus~ van Ceos en vele anderen kunnen hunne bekenden
wel doen gelooven, dat zij geenen staat, ja geen huisgezin, goed
zullen kunnen besturen, zoo zij hun onderwijs niet bijwonen; en om die
wijsheid worden zij zoo hoog gewaardeerd, dat hunne aanhangers hen
schier op de handen dragen; en zouden dan ~Homerus~ of ~Hesiodus~, zoo
zij de menschen tot het verkrijgen van deugd hadden kunnen helpen,
als liedjeszangers hebben moeten omzwerven, en niet veeleer door
hunne tijdgenooten boven goud gewaardeerd en te huis gehouden zijn;
ja zouden deze, als zij hen daartoe niet konden overreden, hen niet
overal op den voet gevolgd zijn, tot dat zij genoeg van hen geleerd
hadden?--Gij zegt volkomen de waarheid, ~Socrates~! geloof ik.--Dus
moeten wij stellen, dat al de dichters van ~Homerus~ af nabootsers
zijn van beelden van deugd en wat zij verder bezingen, doch de
waarheid daarvan niet bezitten; en dat, zoo als wij zeiden, dat een
schilder zonder het schoenmaken te kennen voor menschen, die dat ook
niet kennen maar alleen op het uiterlijk en de kleur letten, een
schoenmaker schilderen zal, ook de dichter met woorden de uitwendige
gedaante der kunsten afbeeldt, zonder er iets meer dan de nabootsing
van te verstaan, en daardoor aan dergelijke menschen, die alleen op
de woorden letten, wanneer hij van schoenmaken[161], van krijgsbewind
of van wat dan ook in zijne verzen spreekt, bijzonder goed schijnt
te spreken, daar die wijze van voordragt zoo veel kracht heeft om
door streeling des gehoors de menschen in te pakken. Want gij weet,
hoe die voortbrengselen der dichters, als zij in gewone taal worden
overgebragt, er uitzien, want zoo hebt gij ze wel gezien[162].--O
ja.--En zien zij er dan niet uit als alledaagsche gezigten, wanneer
de blos der jeugd die verlaten heeft?--Ja.--Let nu nog eens hierop.
Zeiden wij niet, dat die nabootsende dichter van beelden geenszins
de waarheid kent, maar alleen den schijn?--Ja.--Laat ons dit nu niet
half besproken laten, maar geheel onderzoeken.--Zeg op.--De schilder
zal b. v. toomen en een gebit schilderen.--Ja.--En de leersnijder en
de smit zullen ze maken.--Ja.--En weet nu de schilder, hoe de toomen
en het gebit wezen moeten? of weten dat niet eens de leersnijder en
de smit, die ze gemaakt hebben, maar alleen de ruiter, die de kunst
verstaat, om ze te gebruiken?--Alleen de laatste.--En is het zoo niet
met alles?--Hoe?--Dat ten aanzien van alle dingen drie kunsten bestaan,
de gebruikende, de vervaardigende en de nabootsende.--Ja.--En bestaat
nu de deugd, schoonheid en geschiktheid van eenig werktuig, eenig
dier of eenige daad niet alleen ten opzigte van het gebruik, waarvoor
het bestemd is?--Juist.--Dus moet de gebruiker van ieder ding daar
het meeste verstand van hebben, en aan den vervaardiger zeggen, of
het in het gebruik goed of slecht is. Bij voorbeeld een fluitspeler
zegt aan den fluitemaker hoe hij de fluit moet maken, en deze doet
dat.--Natuurlijk.--Dus heeft de eerste kennis van goede en slechte
fluiten; en de tweede gelooft hem op zijn woord.--Ja.--Dus zal omtrent
de deugd of slechtheid van een werktuig de maker een ware meening
hebben, daar hij met den kenner omgaat en het van hem hooren moet; maar
de gebruiker heeft kennis.--Juist.--Maar zal nu de nabootser omtrent de
deugd en slechtheid van hetgeen hij schildert door het gebruik kennis
hebben, of ware meening door noodzakelijken omgang met een kenner,
die hem zegt, hoe hij schilderen moet?--Geen van beiden.--Dus zal de
nabootser geen kennis noch ware meening van de deugd of slechtheid van
hetgeen hij nabootst bezitten?--Het blijkt van neen.--Maar heeft dan
de nabootsende dichter wel bijzonder veel verstand van hetgeen hij
bezingt?--Neen.--En toch bootst hij na, zonder van ieder ding de deugd
of slechtheid te kennen, maar, zoo als blijkt, bootst hij dat na, wat
aan de onbedrevene menigte schoon voorkomt.--Niets anders.--Hierover
zijn wij het dus genoegzaam eens, dat de nabootser geen noemenswaardige
kennis heeft van hetgeen hij nabootst, maar dat de nabootsing
slechts spel, geen ernst is, en dat zij, die de tragische dichtkunst
uitoefenen, allen tot klasse der nabootsers behooren.--Juist.--
V. Bij ~Zeus~! zeide ik, staan de voortbrengselen dier nabootsing nu
niet op de derde plaats van de waarheid af?--Ja.--En op welk gedeelte
van de ziel des menschen oefenen zij hunnen invloed uit?--Hoe
meent gij dat?--Dat zal ik u zeggen. Dezelfde grootte doet zich aan
ons oog verschillend voor, naarmate wij ze van nabij of van verre
zien.--Ja.--En dezelfde dingen schijnen krom en regt, naarmate zij
half in of geheel buiten het water gezien worden; of hol en bol,
naar dat het spel der kleuren het gezigt misleidt, zoodat duidelijk
al die verwarring slechts in ons zetelt, niet in de dingen zelve; en
de perspectief-teekening[163], de goochelkunst en andere dergelijke
bedriegerijen houden niet op van deze onze vatbaarheid voor dwaling
gebruik te maken.--Dat is waar.--En zijn nu meten, wegen en tellen
niet de beste hulpmiddelen, om ons niet aan het schijnbaar grootere,
of zwaardere, of meerdere te hechten, maar aan hetgeen door maat,
gewigt en berekening als zoodanig erkend wordt?--Natuurlijk.--En dit
is het werk van het redelijke deel der ziel?--Juist.--En nu komt
dikwijls, wanneer dit gemeten en de betrekkelijke grootte der dingen
aangewezen heeft, de uiterlijke schijn daar niet meê overeen.--Ja.--En
zeiden wij nu niet, dat hetzelfde over dezelfe dingen niet te gelijk
twee tegenstrijdige meeningen kan hebben?--Ja.--Dus is het deel der
ziel, dat eene meening tegen die maat koestert, niet hetzelfde, als
hetgeen zich aan die maat houdt.--Dat spreekt.--Edoch wat op maat en
redenering vertrouwt, is het beste deel der ziel.--Ongetwijfeld.--En
wat daartegen strijdt, hoort dus tot het minder goede in den
mensch.--Dat kan niet anders.--Hierop nu had ik het oog, toen ik zeide,
dat de schilderkunst, of liever de nabootsing in het algemeen, ver
van de waarheid haren arbeid verrigt, en zich met die eigenschappen
der ziel, die ver van het verstand zijn, verbindt en verbroedert, en
daarmede niets heilzaams of waarachtigs op het oog heeft.--Dat is
volkomen waar.--Daar dus de nabootsing weinig waarde heeft, en zich
met het minder goede in den mensch verbindt, brengt zij ook niet veel
bijzonders voor den dag.--Dat schijnt zoo.--En geldt dit alleen van
de nabootsing voor het gezigt, of ook van die voor het gehoor, van
de dichtkunst?--Waarschijnlijk ook van de laatste.--Wij moeten dit
echter niet om eene waarschijnlijke overeenkomst met de schilderkunst
aannemen, maar ook hier bepaald onderzoeken, of dat deel der ziel,
waarvoor de nabootsing der dichtkunst bestemd is, tot hare hoogere
of lagere deelen behoort.--Juist.--Dit moeten wij nu voorop stellen,
dat die nabootsing menschen nabootst, die iets ondergaan of zelf
handelen, zich ten gevolge daarvan gelukkig of ongelukkig vinden,
en zich daarover verheugen of bedroeven. Komt het niet alles hierop
neder?--Ja.--En is nu de mensch het in dat alles met zich zelven eens;
of heeft hij, even als bij het gezigt, ook bij het handelen dikwijls
tegenstrijdige denkbeelden, zoodat hij met zich zelven oneens is?
Doch daar herinner ik mij, dat wij dit niet meer behoeven na te gaan;
want wij hebben vroeger reeds genoeg beredeneerd, dat onze ziel met
ontelbare tegenstrijdigheden van dien aard vervuld is[164].--Dat is
waar.--Of het waar is. Iets echter, dat wij toen hebben overgeslagen,
vind ik, dat wij nu nog behandelen moeten.--Wat?--Wij zeiden toen
reeds, dat een redelijk mensch, als hij zijn zoon of iets anders,
dat hem veel waard is, verliest, dit gemakkelijker dan anderen zal
dragen[165].--Ongetwijfeld.--Nu moeten wij nog eens nagaan, of hij
het zich volstrekt niet zal aantrekken, dan wel of dit onmogelijk is,
maar hij toch zijne droefheid zal matigen.--Het laatste.--Zeg mij nu
nog eens dit van hem. Wanneer denkt gij, dat hij meer zal trachten
zich tegen zijn verdriet te verzetten en het meester te worden, als
hij door zijne gelijken gezien wordt, of als hij in de eenzaamheid
is?--Natuurlijk veel meer, als hij gezien wordt.--In de eenzaamheid
echter, zou hij veel durven zeggen, waarover hij zich schamen zou, als
iemand het hoorde; en veel doen, wat hij niet gaarne zou willen, dat
een ander zag.--Dat is wel te denken.--
VI. En wordt hij nu niet door de voorschriften der rede vermaand,
om zich tegen zijn verdriet te verzetten, terwijl de hartstogt hem
drijft, om er aan toe te geven?--Ja.--En als er in den mensch ten
aanzien van hetzelfde tegenstrijdige neigingen zijn, dan zeggen wij
immers, dat er twee deelen in hem zijn moeten?--Natuurlijk.--En is
nu het ééne niet gewillig, om zich naar de voorschriften der rede te
voegen?--Hoe zoo?--De rede zegt, dat het schoon is zich bij rampen zoo
stil mogelijk te houden en niet knorrig te worden, daar men niet weet,
wat in zulke dingen goed of kwaad is[166], en het morren toch niet
helpt, en geen menschelijke zaken zoo veel belangstelling verdienen, en
de droefheid ons belet datgene te doen, wat zoodra mogelijk geschieden
moet.--Wat meent gij?--Over het gebeurde na te denken, en als de
teerling geworpen is, zijne zaken zóó in te rigten, als de rede zegt,
dat dan het beste is, en niet zich gestooten hebbende als een kind
de bezeerde plaats vast te houden en een geruimen tijd te blijven
schreeuwen, maar steeds zijne ziel te gewennen, om spoedig te trachten
het kranke deel te genezen en wat gevallen is op te rigten, en daardoor
dat gejammer te doen ophouden.--Dat is waarlijk het beste gedrag in
tegenspoed.--Aan die voorschriften der rede wil nu het beste deel der
ziel gehoorzamen.--Natuurlijk.--En het deel, dat ons naar het herdenken
van het ongeluk en naar het weeklagen heentrekt, en zich daar niet mee
verzadigen kan; moeten wij niet zeggen, dat dit redeloos, traag en
lafhartig is?--Ja zeker.--En geeft nu dit laatste, het hartstogtelijke,
niet velerlei stof tot nabootsing, terwijl daarentegen een redelijke,
kalme gezindheid, die steeds aan zich zelve gelijk blijft, niet ligt is
na te bootsen, noch uit de nabootsing gemakkelijk te herkennen, vooral
voor zulk eene vergadering van allerlei menschen als in den schouwburg
bijeenkomt, die van een dergelijk karakter geen denkbeeld hebben.--Dat
is zoo.--Dus is natuurlijk een nabootsend dichter daar vreemd van,
en zijne wijsheid is er niet op gemaakt om aan zulk een mensch te
bevallen, zoo hij anders door de menigte zal worden toegejuicht;
maar hij wendt zich naar de hartstogtelijke en afwisselende
gemoedsgesteldheid, daar die gemakkelijk is na te bootsen.--Dat
spreekt.--Dus hebben wij regt hem te nemen en tegenover den schilder
te zetten, want hij gelijkt op dezen in het voortbrengen van dingen,
die heel wat bij de waarheid achterstaan, en tevens daarin, dat ook hij
zich niet wendt tot het beste, maar tot een van de mindere deelen der
ziel. Dus doen wij billijk met hem in een staat, die goed ingerigt moet
wezen, niet toe te laten, omdat hij het lagere der ziel opwekt, voedt
en versterkt, maar de rede verderft; gelijk iemand, die in een staat
de slechtsten magtig maakte en de beteren vervolgde; en wij zullen
zeggen, dat de nabootsende dichter op dezelfde wijs in ieders ziel
eene slechte staatsregeling maakt door het vleien van haar redeloos
gedeelte, dat groot en klein niet kan onderscheiden, maar hetzelfde dan
groot en dan klein noemt; en dat hij slechts beelden voortbrengt, maar
zeer ver van de waarheid afstaat.--Dat is volkomen juist.--
VII. Wij hebben evenwel het ergste nog niet gezegd. Want dat die
dichtkunst zelfs hen, die zich betamelijk gedragen, op weinigen na,
bederft, dat is het allerergste.--Als zij dat doet, natuurlijk.--En
dat doet zij. Hoor maar eens. Wij allen toch, zelfs de besten niet
uitgesloten, ~Homerus~ of een anderen treurspeldichter eenen held
hoorende nabootsen, die zich in rampspoed met vele woorden beklaagt,
en jammert, en zich op de borst slaat, scheppen daar vermaak in en
geven er ons aan over en volgen hem met deelneming, en beijveren ons
hem, die ons het meest in die stemming brengt, als den besten dichter
te prijzen.--Dat is waar.--En wanneer wij daarentegen zelve in ongeluk
komen, dan stellen wij onzen roem integendeel daarin, dat wij ons
bedaard houden en ons zelven beheerschen, daar dit mannelijk, en het
andere, dat wij te voren prezen, verwijfd is.--Dat is óók waar.--Maar
is het dan in den haak, op het zien van zulk een gedrag, waarover wij
ons zelven zouden schamen, geen afkeuring te gevoelen, maar ons te
vermaken en het mooi te vinden?--Dat is eigenlijk ongerijmd.--Toch
niet; zoo gij het aldus beschouwt.--Hoe?--Als gij bedenkt, dat dat
deel onzer ziel, hetwelk bij onze persoonlijke rampen wordt onderdrukt
en belet zich met geween en gejammer naar zijnen lust te verzadigen,
dan door die dichters verzadigd wordt, en daarin behagen schept,
terwijl ons beste deel, als het door redenering en oefening niet genoeg
ontwikkeld is, de wacht verwaarloost, dewijl het lot van andere
menschen beschouwd wordt, en er toch niets schandelijks in steekt, een
ander, die den naam van regtschapen heeft, al jammert hij ten onpas,
te prijzen en te beklagen, en wij geen lust hebben van het vermaak,
dat wij daardoor genieten, afstand te doen en het heele gedicht te
verwerpen. Weinigen toch zijn in staat te begrijpen, dat wij die
beoordeeling van vreemde lotgevallen van zelfs op de onze overbrengen,
want dat, als wij daarbij onze weekhartigheid gevoed hebben, deze in
onze eigene rampen moeijelijk is onder te houden.--Dat is volkomen
waar.--En geldt het nu niet ook van het belagchelijke, dat potsen,
die men zich schamen zou zelf te maken, in de nabootsing van het
blijspel gaarne gehoord en niet afgekeurd worden, daar wij hier evenzoo
handelen als bij het treurige? Want de lust tot potsenmaken, die wij
door de rede bedwongen, om ons niet weg te gooijen, laten wij dan los,
en merken niet, dat wij, als zij dáár versterkt is, haar dikwijls
meê naar huis dragen en ons belagchelijk aanstellen.--Juist.--En ten
opzigte van wellust en toorn, en andere begeerten en aangename of
onaangename gewaarwordingen, waarmeê wij telkens te doen hebben, heeft
de dichterlijke nabootsing dezelfde uitwerking. Want zij begiet hetgeen
zij moest laten verdorren, en maakt dat in ons heerschende, wat wij
moeten beheerschen, zoo wij beter en gelukkiger in plaats van slechter
en rampzaliger zullen worden.--Dat kan ik piet tegenspreken.--Wanneer
gij dus, ~Glauco~! lofredenaars van ~Homerus~ ontmoet, die zeggen,
dat deze dichter Griekenland beschaafd heeft, en dat men, om de
menschelijke zaken te leeren behartigen, hem moet bestuderen en naar
zijne voorschriften zijn geheele leven moet inrigten, dan zult gij
hen wel liefhebben en erkennen, dat zij hun best doen om braaf te
wezen, en toestemmen, dat ~Homerus~ een groot dichter en de vader van
het treurspel geweest is; maar gij zult niet uit bet oog verliezen,
dat _wij_ geen andere dichtkunst dan gezangen ter eere der goden en
lofdichten op edele daden in den staat moeten opnemen; en dat, als wij
die slechts op vermaak doelende muze in toonkunst of verzen toelaten,
vermaak en smart in plaats van wetten en redelijke overtuiging onzen
staat regeren zullen.--Dat is volkomen waar.--
VIII. Dit zij de verdediging onzer vroegere uitspraak over de
dichtkunst, en strekke ten bewijs, dat wij haar met regt uit den
staat verbannen hebben, daar wij niet anders konden. Laat ons, om
niet van hardheid en onbeschaafdheid beschuldigd te worden, haar nu
nog herinneren, dat er een oud verschil tusschen de wijsbegeerte en
de dichtkunst bestaat, gelijk te zien is uit gezegden als deze: _het
hondje, dat tegen zijn meester blaft_, of: _die sterk is in dwaselijk
zwetsen_, of: _waar ’t volk regeert, dat God beweert te kennen_, of:
_die ernstig over kleine zaken twisten, en door gebrek enz._, en uit
ontelbare andere blijken van oude vijandschap. Met dat al moeten
wij zeggen, dat, als de slechts op vermaak doelende dichtkunst en
nabootsing haar regt om in een goeden staat te wonen bewijzen kunnen,
wij bereid zijn ze toe te laten; daar wij, al mag de waarheid er
niet voor achterstaan, gaarne bekennen willen door haar gestreeld te
worden. Of wordt gij niet door haar gestreeld, mijn beste, vooral
wanneer gij haar in de werken van ~Homerus~ beschouwt?--Wel zeker.--Dus
is het billijk, dat zij, om weêrom te mogen komen, zich in verzen
verdedige.--Juist.--Wij zullen ook hare voorstanders, die geen dichters
maar liefhebbers der dichtkunst zijn, de vergunning geven haar in proza
te verdedigen, en te bepleiten, dat zij niet slechts aangenaam, maar
ook nuttig voor de staten en de burgers is; en wij zullen bereidwillig
toeluisteren, daar wij er bij winnen zullen, als zij niet slechts
aangenaam maar ook nuttig blijkt te wezen.--Natuurlijk.--Maar zoo
niet, dan, mijn vriend! moeten wij als iemand, die eene verkeerde
liefde met geweld onderdrukt, hoezeer door onze opvoeding eene groote
liefde voor die dichtkunst in ons ontstaan is, haar ja wel vriendelijk
en met achting bejegenen, maar zoo lang zij zich niet voldoende
geregtvaardigd heeft, aan onze redenering vasthouden, en oppassen niet
weder tot eene verkeerde liefde voor haar te vervallen. Wij zullen
dan bedenken, dat wij zulk eene dichtkunst niet als waarachtig en
prijselijk vereeren moeten, maar dat de toehoorders, uit vrees voor
omkeering van de staatsregeling in hun binnenste, voor haar op hunne
hoede moeten zijn, en het besprokene over de dichtkunst niet uit het
oog moeten verliezen.--Daar ben ik het volmaakt mede eens.--Het is dan
ook van meer belang dan het schijnt, ~Glauco~! of men goed of slecht
is: zoodat eer, noch rijkdom, noch magt, noch dichtkunst waardig
is, dat om haar de regtvaardigheid en de overige deugd verwaarloosd
worde.--Naar aanleiding van het gesprokene stem ik dat geheel toe; en
dat zal, denk ik, een iegelijk doen.--
IX. En nu hebben wij nog de grootste aan de deugd verknochte en
voorgestelde belooningen niet eens doorloopen.--Die moeten al heel
groot zijn, als zij de gezegde nog overtreffen.--Maar wat is eigenlijk
groot in een kleinen tijd? En klein is toch het geheele tijdsverloop
van de kinderjaren tot de grijsheid in vergelijking met den geheelen
tijd.--Zoo goed als niets.--En moet een onsterfelijk wezen dan van
zulk een kort tijdsverloop, en niet van den geheelen tijd werk
maken?--Eigenlijk niet, maar wat bedoelt gij daarmede?--Begrijpt gij
dan niet, dat onze ziel onsterfelijk is, en nimmer vergaat?--Toen zag
~Glauco~ mij met verwondering aan, en zeide: Wel neen ik! kunt gij dat
bewijzen?--Ik hoop van ja, zeide ik, en gij kunt het ook, want het is
volstrekt niet moeijelijk.--Voor mij wel, en ik zou dus gaarne dat niet
moeijelijke bewijs eens van u hooren.--Met vermaak.--Zeg op dan.--
Gij maakt immers onderscheid tusschen goed en kwaad?--Wel zeker.--Denkt
gij daarover dan even als ik?--Hoe?--Dat al wat vernietigt en bederft
kwaad is, en al wat behoudt en bevoordeelt goed.--Ja.--En heeft nu niet
ieder ding zijn eigen kwaad en goed; b. v. de oogen de blindheid, en
het ligchaam in ’t algemeen de ziekte, het graan den brand, het hout
de verrotting, het koper en ijzer den roest, met één woord ieder ding
zijn eigen kwaad?--Ja.--En wanneer dat kwaad eenig ding treft, maakt
het dat slechter en eindigt met het te vernietigen.--Natuurlijk.--Dus
doet ieders eigen kwaad en eigene slechtheid ieder ding vergaan,
of, als dat het niet verdelgt, kan iets anders dit nog veel minder
doen. Het goede toch of het onverschillige is geen oorzaak van
verderf.--Onmogelijk.--Maar als wij dus iets vinden, dat wel een eigen
kwaad heeft, waardoor het slecht wordt, maar dat daardoor toch niet
wordt ontbonden en vernietigd; kunnen wij dan niet besluiten, dat dit
ding niet vergaan kan?--Natuurlijk.--En is er nu ook een eigen kwaad
voor de ziel, dat haar slecht maakt?--Wel zeker; alles wat wij daareven
besproken hebben, de onregtvaardigheid, losbandigheid, lafhartigheid
en dwaasheid.--Kan nu een van deze haar ontbinden en vernietigen? Pas
op, dat wij nu niet gefopt worden, meenende, dat een onregtvaardig
en dwaas mensch, wanneer hij op onregt betrapt wordt, door die
onregtvaardigheid, als slechtheid der ziel, vergaat. Doe liever aldus:
gelijk het kwaad des ligchaams, de ziekte, het ligchaam verteert en
verderft, tot dat het ophoudt een ligchaam te zijn, zoo komt al het
genoemde door zijn eigen kwaad, dat er zich aan hecht en het verteert;
tot vernietiging; niet waar?--Ja.--Komaan dan! beschouw ook de ziel op
dezelfde wijs.--Als de onregtvaardigheid en overige ondeugd zich aan
haar hecht en in haar nestelt, verteert en verderft deze haar dan, tot
dat zij haar van het ligchaam gescheiden en gedood heeft?--Wel neen,
dat volstrekt niet.--Het is echter ondenkbaar, dat de slechtheid van
iets anders een ding zal doen vergaan, dat door zijne eigene slechtheid
niet vergaat.--Dat is ondenkbaar.--Bedenk dan ook eens, ~Glauco~!
dat wij de vernietiging des ligchaams niet aan de slechtheid van het
voedsel, waarin die ook bestaan moge, toeschrijven, maar oordeelen,
dat, als de slechtheid van het voedsel in het ligchaam de slechtheid
des ligchaams te weeg brengt, hetzelve ten gevolge van dat voedsel
door zijn eigen slechtheid, de ziekte, vernietigd wordt; terwijl wij
nooit zullen meenen, dat door de slechtheid van het voedsel, hetwelk
toch heel iets anders dan het ligchaam is, het daarvan verschillende
ligchaam vernietigd wordt; tenzij het eigenaardige kwaad des ligchaams
ten gevolge van hetzelve wordt opgewekt.--Juist.--
X. Op dezelfde wijs nu moeten wij, zoo niet door de slechtheid des
ligchaams in de ziel de haar eigene slechtheid wordt veroorzaakt,
nimmer meenen, dat de ziel door een vreemd kwaad zonder hare
eigene slechtheid vernietigd wordt, dewijl zij dan door het kwaad
van iets anders vergaan zou.--Dat laat zich hooren.--Dus moet óf
deze redenering weerlegd worden, óf, zoolang zij niet weerlegd is,
moeten wij ontkennen, dat door koorts of eenige andere ziekte of
verwonding, ook al sneed men het geheele ligchaam in kleine stukjes,
de ziel vergaat, tenzij men bewijzen kan, dat zij door die rampen des
ligchaams zelve onregtvaardiger en goddeloozer wordt; maar wij moeten
niet toegeven, dat, als een vreemd kwaad in een ander ding ontstaat,
iets, wat dan ook, dat van zijn eigen kwaad verschoond blijft,
daardoor kan vernietigd worden.--Maar, denkelijk zal wel nooit iemand
bewijzen, dat de zielen der stervenden door den dood onregtvaardiger
worden.--En als iemand onze redenering van nabij durft aantasten,
en, om de onsterfelijkheid der zielen niet te moeten erkennen, durft
zeggen, dat de stervende slechter en onregtvaardiger wordt; dan
zullen wij oordeelen, dat, als hij, die dat zegt, gelijk heeft, de
onregtvaardigheid eene doodelijke ziekte is, en door haar eigen kracht
hen, die haar krijgen, doet sterven, en wel meer of minder snel, naar
mate zij meer of minder hevig is; en dat niet, gelijk men nu zegt, de
onregtvaardigen door de straffende hand van anderen gedood worden.--Bij
~Zeus~! de onregtvaardigheid was zoo erg niet, als zij doodelijk was
voor hem, die haar kreeg, want dan was zij eene verlossing van rampen;
maar ik geloof, dat zij integendeel, als zij kan, de anderen doodt,
maar hem, die haar heeft, zoo veel mogelijk in ’t leven en tevens
uit den slaap houdt; zoo ver is het er van daan, dat zij doodelijk
zou wezen.--Dat zegt gij goed. Want als de eigene slechtheid en het
eigen kwaad der ziel haar niet kan dooden en vernietigen; dan zal een
kwaad, dat de strekking heeft om iets anders te verdelgen, haar nog
veel minder doen vergaan.--Nog veel minder.--En daar zij dus door geen
kwaad, noch vreemd, noch eigen wordt vernietigd, is zij natuurlijk
eeuwig en bijgevolg onsterfelijk.--Dat spreekt.--
XI. Dit kunnen wij dus als uitgemaakt beschouwen. Maar, als dit zoo
is, dan begrijpt gij ook, dat het aantal zielen steeds hetzelfde
blijft. Want als er geene vergaat, kan dit niet verminderen; en ook
niet vermeerderen, want, zoo het getal der onsterfelijke dingen
vermeerderde, moesten er sterfelijke dingen onsterfelijk worden, en dan
zou eindelijk alles onsterfelijk zijn[167].--Dat is waar.--Dit moeten
wij echter niet meenen, want het houdt geen steek; noch ook, dat de
ziel inwendig vele verschillende eigenschappen en deelen bevat.--Hoe
zegt gij?--Het is niet denkelijk, dat iets onsterfelijks, zoo als wij
gezien hebben dat de ziel is, uit vele deelen bestaat en niet op de
allerbeste en eenvoudigste wijs is zamengesteld[168].--Dat is niet te
denken.--Dat dus de ziel onsterfelijk is, moet uit onze tegenwoordige
en andere redeneringen worden toegestemd; maar om te weten, hoe zij
wezenlijk is, moet men haar niet beschouwen, zoo als zij zich nu
door de gemeenschap met het ligchaam en andere rampen beschadigd
voordoet, maar zij moet door de redenering in hare zuiverheid beschouwd
worden; en dan zal men haar nog veel schooner vinden en nog vrij wat
duidelijker de regtvaardigheid en onregtvaardigheid en wat wij verder
besproken hebben, doorzien. Hetgeen wij er nu van gezegd hebben, is,
naar het zich op het oogenblik voordoet, wel waar; doch wij hebben
de ziel in zulk eenen toestand gezien als waarin sommigen zeggen den
zeegod ~Glaucus~ gezien te hebben, wiens oude gedaante moeijelijk kan
herkend worden, daar zijn ligchaam door de golven gebeukt en beschadigd
is, en er schelpen, zeegras, enz., aan zijn vastgegroeid, zoodat zijn
uiterlijk meer op een beest dan op zijne vroegere gedaante gelijkt. In
zulk een toestand beschouwen wij ook de ziel ten gevolge van ontelbare
rampen. Gij moet echter derwaarts zien, ~Glauco~!--Werwaarts?--Naar
hetgeen de wijsbegeerte van haar leert; en gij moet bedenken, in
welken omgang zij is; en welke omgang eene behoefte is voor haar,
die verwant is aan het goddelijke, onsterfelijke, eeuwige; en hoe zij
worden zou, als zij zich daaraan geheel kon overgeven en door die
aandrift uit de zee, waarin zij ligt, werd opgeheven en bevrijd van
al die onreinigheden, waarmede zij nu ten gevolge van die zoogenaamd
gelukkige smulpartijen van rondsom begroeid is. En dan zou men haar
kunnen zien, zoo als zij er wezenlijk uitziet, en kunnen beoordeelen of
zij enkel- of meervoudig is, en hoe het eigenlijk met haar staat[169].
Nu hebben wij, geloof ik, hare lotgevallen, en de verschillende
gedaanten, die zij in het menschelijk leven aanneemt, voldoende
behandeld.--Ongetwijfeld.--
XII. Wij hebben dus het overige in onze redenering op zij gezet, en
niet gesproken van het loon of den roem der regtvaardigheid, zoo als
gij zeidet, dat ~Hesiodus~ en ~Homerus~ doen; en wij hebben gevonden,
dat de regtvaardigheid zelve voor de ziel zelve het allerbeste is, en
dat deze regt handelen moet, ook al had zij den ring van ~Gyges~, en
den helm van ~Hades~ nog bovendien.--Juist.--Maar ~Glauco~! zouden
wij nu niet zonder ergernis daarenboven aan de regtvaardigheid en de
overige deugd het loon kunnen toewijzen, dat om harentwil aan de ziel
door goden en menschen bij het leven en na den dood wordt gegeven?--Wel
zeker.--Geeft mij dan maar terug wat ik u geleend heb.--Wat meent
gij?--Hetgeen ik u heb toegegeven, dat de regtvaardige onregtvaardig
mogt schijnen en de onregtvaardige regtvaardig[170]. Want gij meendet,
dat, al kan zoo iets goden en menschen niet verborgen blijven, wij
het toch om de redenering eens moesten veronderstellen; ten einde de
regtvaardigheid zelve met de onregtvaardigheid te kunnen vergelijken.
Herinnert gij het u niet?--Wel zeker.--Daar nu die vergelijking heeft
plaats gehad, vraag ik het geleende terug, en vorder in naam der
regtvaardigheid, dat gij het oordeel van goden en menschen over haar
in rekening brengt; opdat de belooningen erkend worden, die zij door
de openlijke meening aan hare vrienden geeft; nu het toch gebleken
is, dat zij hen door hare innerlijke waarde gelukkig maakt en hare
vereerders niet teleurstelt.--Dat is eene billijke vordering.--Dus
zult gij vooreerst dit wel toegeven: dat de goden zeer goed weten, of
iemand regtvaardig is of niet.--Gaarne.--En als zij het weten, dan
is de eerste bij de goden bemind en de tweede gehaat; zoo als wij in
den beginne toestemden.--Ja.--En die bij de goden bemind is, ontvangt
van de goden niets dan goed, tenzij hem eenig onvermijdelijk gevolg
van vroegere zonden aankleeft.--Dat spreekt.--Dus moeten wij omtrent
den regtvaardigen besluiten, dat als hij door armoede of ziekte of
een ander schijnbaar kwaad getroffen wordt, dit hem bij zijn leven,
of na zijnen dood, tot heil zal gedijen. Want nooit wordt hij door de
goden verwaarloosd, die zijn best wil doen om regtvaardig te wezen en
door het beoefenen der deugd zich, zoo veel een mensch dat kan, aan
de godheid gelijk te maken[171].--Zoo iemand wordt natuurlijk door
hen, op wie hij gelijkt, niet verwaarloosd.--En moeten wij nu niet
omtrent den onregtvaardigen het tegendeel verwachten?--Voorzeker.--Dit
is dus de belooning, die de regtvaardige van de goden ontvangt.--Ik
vind van ja.--En hoe staat hij tegenover de menschen? Is het hier
niet in waarheid zóó meê gesteld, dat slimme onregtvaardigen met
hardloopers kunnen vergeleken worden, die de eerste helft van de
baan met glans afleggen, maar de tweede niet, en in het eerst met
snelheid voortvliegen, maar naderhand bespot worden en met hangende
ooren onbekranst wegloopen; terwijl de ware hardloopers aan het einde
den prijs ontvangen en bekranst worden? Gebeurt het niet meestal
evenzoo met de regtvaardigen, dat zij aan het einde van iedere
handeling, en van iedere gemeenschappelijke onderneming, en aan
het einde van hun leven roem behalen en den prijs van de menschen
ontvangen?--Ongetwijfeld.--Dus zult gij mij nu wel vergunnen van hen
hetzelfde te zeggen, wat gij van de onregtvaardigen gezegd hebt.
Dan zal ik zeggen, dat de regtvaardigen, als zij ouder worden, in
hunnen staat, zoo zij willen, de overheidsposten bekleeden, en zich
verzwageren met wie zij willen; en al wat gij meer van de anderen
gezegd hebt, zeg ik nu van hen. En aan den anderen kant zeg ik van
de onregtvaardigen, dat de meesten hunner, al blijven zij in hunne
jeugd verborgen, aan het einde van de baan bespot en op hun ouden dag
door vreemden en burgers smadelijk bejegend, gegeeseld, gepijnigd en
gedood worden. Dat alles zeg ik nu op mijne beurt dat zij ondergaan
zullen. Wilt gij mij dat nu vergunnen?--Wel zeker; want wat gij zegt is
billijk.--
XIII. Dit zijn dan ongeveer de belooningen en gaven, die den
regtvaardigen bij zijn leven van goden en menschen behalve de
eigenaardige voorregten der regtvaardigheid te beurt vallen.--En die
zijn waarlijk schoon en zeker.--Zij komen echter in geen vergelijking
met hetgeen beiden na hunnen dood te wachten staat. En dit moet gij ook
nog hooren; opdat beiden in onze redenering alles ontvangen wat hun
toekomt.--Zeg op; want weinig dingen zou ik liever hooren.--Hetgeen
ik u ga zeggen, is geen laffe fabel, gelijk de beschrijving van de
oude wereld bij ~Homerus~, maar een verhaal van een dapper man, van
ER, den zoon van ~Armenius~, van geboorte een Pamphylier[172]; die
op het slagveld gevallen zijnde, toen op den tienden dag de reeds
verrotte lijken werden weggenomen, nog in het minst niet vergaan
was; en toen men hem naar huis gebragt en op den twaalfden dag op
den brandstapel gelegd had, weder levend werd en verhaalde, wat hij
in de andere wereld gezien had. Hij nu zeide, dat zijne ziel, na het
ligchaam verlaten te hebben, in gezelschap van vele andere op eene
heilige plaats was gekomen, waar twee openingen in den grond naast
elkander, en twee andere in den hemel daar tegenover waren. Dat in
de ruimte daar tusschen regters zaten, die de regtvaardigen naar de
opening in den hemel aan den regterkant zonden, na op hunne borst
een teeken ter aanduiding van het vonnis vastgehecht te hebben; en
de onregtvaardigen naar de opening in den grond aan den linkerkant,
terwijl dezen insgelijks teekens van al wat zij gedaan hadden, maar op
den rug, meêdroegen. En dat die regters, toen hij naderde, zeiden, dat
hij aan de menschen de dingen, die daar gebeurden, moest berigten, en
dat zij hem dus gelastten oplettend te hooren en te zien naar alles
wat in die plaats voorviel. Dat hij daarop de zielen, wier vonnis was
uitgesproken, door de ééne opening in den hemel of in den grond zag
weggaan; terwijl uit de andere in den grond zielen, die er morsig en
bestoven uitzagen, opstegen, en uit de andere in den hemel reine zielen
nederdaalden. En dat allen, die aankwamen, er uitzagen, alsof zij eene
lange reis hadden afgelegd, en met blijdschap zich gezamenlijk op
het veld nedervleiden, en elkander groetten, zoo zij bekenden waren;
en dat die uit den grond of uit den hemel kwamen de anderen vroegen,
wat zij ondervonden hadden. En dat de eersten jammerend en weenend
verhaalden, wat hun op de reis onder de aarde, die duizend jaar geduurd
had, wedervaren was; en de anderen van allerlei vreugde spraken en van
verwonderlijk schoone dingen, die zij gezien hadden. Om dit alles meê
te deelen, ~Glauco~! zou te lang ophouden, maar hetgeen hij zeide kwam
daarop neder, dat zij voor iedere door haar gepleegde ongeregtigheid
tiendubbeld straf leden, en daarom, dewijl het leven van een mensch
op honderd jaar werd gerekend, duizend jaar beneden vertoefden; en
dat zij, die velen hadden doen omkomen, en staten of legerplaatsen
verraden en in slavernij gestort hadden, of aan eenig ander schelmstuk
medepligtig waren, tiendubbele smart voor elke misdaad ontvingen;
en dat evenzoo zij, die goede daden verrigt en regtvaardig en vroom
geleefd hadden, naar evenredigheid beloond werden. En over hen, die
terstond na de geboorte gestorven waren, of slechts kort geleefd
hadden, zeide hij eenige dingen van weinig belang. En hij verhaalde,
dat verachting der goden of der ouders en eigenhandige moord bijzonder
erg gestraft werden. Want hij zeide gehoord te hebben, dat de een den
anderen vroeg, waar ~Ardiéus de Groote~ was. Deze ~Ardiéus~ nu was
reeds voor duizend jaar tiran eener stad in Pamphylie geweest, en had
zijnen vader en ouderen broeder vermoord en nog vele andere gruwelen
bedreven. Hij zeide, dat de ondervraagde had geantwoord: hij is nog
niet gekomen, en zal wel volstrekt niet komen.
XIV. Want onder andere ijsselijkheden zagen wij ook dit. Toen wij de
opening naderden en al de rest hadden doorgestaan, werd eensklaps ons
oog gevestigd op hem en eenige anderen, meest tirannen; hoewel er
ook eenige ambtelooze misdadigers onder waren. Toen dezen wilden naar
boven gaan, liet de opening ze niet door, maar loeide telkens, als een
der ongeneesselijke booswichten of die nog te weinig geboet hadden,
wilde opklimmen. Zoodra deze stem werd gehoord, traden mannen van een
woest, vurig uiterlijk, die op de wacht stonden, toe en voerden de
overigen weg, maar ~Ardiéus~ en een paar anderen bonden zij aan handen
en voeten, wierpen ze neder, geeselden ze en sleepten ze langs den weg
over doornen voort, aan de voorbijgangers te kennen gevende, waarom
hun dit overkwam; en dat zij werden weggesleept, om in den Tartarus
geworpen te worden; en dat onder alle angsten, die zij dáár moesten
uitstaan, deze de grootste was, dat zij vreesden bij hun opgaan nog
eens die stem te zullen hooren; en dat zij er naar snakten, dat de
opening maar zwijgen mogt. Dat zoodanig de straffen en pijnigingen
waren, en dat de belooningen daar tegenover stonden; en dat allen,
na op dat veld zeven dagen vertoefd te hebben, op den achtsten dag
vandaar vertrekken moesten, en na eene reis van vier dagen op eene
plaats kwamen, vanwaar zij een regte streep van helder licht zagen,
die zich door den geheelen hemel uitstrekte. Dat zij na een dag reizen
die streep bereikten, en zagen, hoe de uiteinden des hemels door haar
verbonden werden. En dat door den geheelen hemel de spil van het
noodlot was heen gestoken en acht spheren van verschillende grootte en
kleur, de ééne in de andere om die spil draaiden. En dat boven op den
rand van iedere spheer eene Sirene zat, die met die spheer mededraaide,
en éénen toon uitte, waardoor acht toonen ontstonden, die te zamen
ééne harmonie vormden[173]. En dat daar rond de drie dochters van het
noodlot, de schikgodinnen ~Lachesis~, ~Clotho~ en ~Atropos~, in witte
kleederen gehuld en met kransen op het hoofd, gezeten waren, en bij de
harmonie der Sirenen een lied zongen, waarin ~Lachesis~ het verledene,
~Clotho~ het tegenwoordige, ~Atropos~ het toekomstige vermeldde. En dat
~Clotho~ met hare regterhand de buitenste spheer omdraaide, ~Atropos~
met de linkerhand de binnenste spheren, en ~Lachesis~ om beurten de
éérste of de laatste met de ééne of andere hand aanraakte.
XV. Dat zij terstond bij hunne aankomst naar ~Lachesis~ hadden moeten
gaan. Dat toen een profeet hen eerst op eene rij had geplaatst, en
vervolgens uit den schoot van ~Lachesis~ loten en verschillende
levenswijzen genomen had, en op een hoog spreekgestoelte geklommen
zijnde, had geroepen: «Zoo zegt ~Lachesis~ de dochter van het noodlot.
Zielen, die bij den dag leeft! het begin van eene andere omwandeling
onder het geslacht der stervelingen is daar. Uw geleigeest[174] wordt
niet aan u gegeven; gij kunt hem zelve kiezen. Die het eerste lot
krijgt, zoeke het eerst eene levenswijs, die hij later niet meer kan
veranderen. De deugd is niet gedwongen; ieder heeft er meer of minder
deel aan, naarmate hij haar eert of veracht. Het is de schuld van den
kiezer; de godheid is onschuldig.» Dat de profeet, dit gezegd hebbende,
de loten allen toewierp, en dat ieder het lot opnam, dat voor hem lag,
behalve hij; want dat het hem was verboden. En dat ieder op zijn lot
vond, welk nommer hij had. Dat daarna de verschillende levenswijzen in
beeldtenis voor hen werden nedergelegd, en dat er veel meer waren dan
het aantal zielen. Dat zij van allerlei soort waren, zoo van allerlei
dieren als van menschen. Want dat er tirannijen onder waren, die deels
tot den dood voortduurden, deels in ballingschap en armoede eindigden;
en ook levenswijzen van mannen, die uitmuntten in schoonheid, of
kracht, of vlugheid, of adel; en van onaanzienlijken desgelijks. En
dat dit met de levens van vrouwen eveneens was. Dat er evenwel geene
bepaling van het karakter bij was, omdat dit zich van zelfs naar de
gekozene levensmanier wijzigt; en dat overigens rijkdom of armoede,
gezondheid of ziekte, bij ieder verschillend was aangewezen. Dáár mijn
beste ~Glauco~! schijnt dan het eigenlijke gevaar voor den mensch
aan te komen, en daarom vooral moet ieder trachten, indien hij kan,
bij voorkeur die wetenschap na te vorschen en te leeren, die hem de
noodige kennis verschaft, om, een goed en kwaad leven onderscheidende,
overal zoo veel mogelijk het beste te kiezen, en alles in rekening te
brengen en na te gaan, welken invloed het op de deugd uitoefent; en
te weten, wat voor uitwerking schoonheid, of rijkdom, of armoede, op
elk karakter heeft, en wat adel of geringe geboorte, ambteloos leven
of heerschappij, kracht of sterkte, onwetendheid of geleerdheid, enz.
in allerlei verbindingen uitwerken; ten einde daardoor, op zijnen
natuurlijken aanleg ziende, goed te kunnen nagaan, welk leven slechter
en welk beter is; een leven dat de ziel onregtvaardiger doet worden,
slechter noemende, en een dat haar regtvaardiger maakt, beter; en de
rest te laten rusten; daar wij toch gezien hebben dat dit voor levenden
en dooden de belangrijkste keus is. En die overtuiging moet bij ons
onverwrikbaar wezen; opdat zij ook dáár door den glans van rijkdom,
enz., niet geschokt worde, en wij niet tiranny of iets dergelijks
kiezende, ongeneeselijk kwaad bewerken, en zelve nog erger verduren;
maar een levenswijs, die in alles de juiste maat houdt, kunnen kiezen,
en zoo veel mogelijk in dit leven en het volgende alle uitersten
vermijden; want zóó wordt de mensch het gelukkigste.
XVI. De berigtgever, die dit alles mededeelde, zeide dan ook, dat
de profeet aldus sprak: «ook hij, die het laatst komt, kan, zoo hij
met verstand kiest en naderhand zijn best doet, een gelukkig leven
erlangen. De eerste zij niet onoplettend in het kiezen, en de laatste
worde niet mismoedig.» En hij verhaalde, dat terstond na deze woorden,
hij, die het eerste nommer had gekregen, toetrad en de grootste
tiranny koos, daar hij door onverstand en begeerigheid verzuimd had
alles behoorlijk na te gaan, en niet had gemerkt, dat het opeten
zijner eigene kinderen en andere gruwelen daarmeê verbonden waren;
en dat hij vervolgens, alles op zijn gemak beschouwd hebbende, ging
klagen en jammeren en de woorden van den profeet vergetende, niet zich
zelven, maar het lot en de goden en al het andere buiten zijne eigene
dwaasheid beschuldigde. En dat hij een van hen was, die uit den hemel
gekomen waren, en in zijn vorig leven in een goed geregelden staat
door gewoonte, zonder wijsbegeerte, een deugdzaam leven geleid had.
En dat over ’t algemeen zij, die uit den hemel kwamen, niet het minst
door zulke dingen werden ingepakt, daar zij geen ondervinding van
leed hadden; maar dat de meesten, die uit den grond kwamen, en zelve
geleden en dit van anderen gezien hadden, met meer overleg zochten. Dat
daardoor en door het lot de meeste zielen goed en kwaad verwisselden.
Want, als iemand in dit leven steeds de gezonde wijsbegeerte beoefende,
en niet het allerlaatste nommer trok, schijnt het volgens deze
berigten, dat hij niet slechts hier gelukkig zou wezen, maar ook van
hier derwaarts en weder terug geen zware, onderaardsche, maar eene
aangename, hemelsche reis zou hebben. En hij zeide, dat het de moeite
waard was te zien, hoe al die zielen hunne levenswijze kozen; want
dat dit een beklagenswaardig, en tevens bespottelijk en verwonderlijk
schouwspel opleverde. Want dat zij meestal naar aanleiding van hun
vroeger leven zochten. Want hij zeide, dat hij gezien had, hoe de ziel
van den dichter ~Orpheus~ het leven van een zwaan koos; omdat hij door
vrouwen vermoord zijnde, dit geslacht haatte, en niet uit eene vrouw
wilde geboren worden; en dat de ziel van den zanger ~Thamyrus~ dat van
een nachtegaal koos; en dat hij ook de ziel van een zwaan het leven
van een mensch had zien kiezen, en die van andere zangvogels, zoo als
te denken is, desgelijks. En dat zekere ziel aan het leven van een
leeuw de voorkeur gaf; en dat dit de ziel was van ~Ajax~, den zoon
van ~Telamon~, die zich het pleitgeding over de wapens van ~Achilles~
herinnerende, weinig lust had om een mensch te worden. En dat daarop de
ziel van ~Agamemnon~ aankwam, die, insgelijks door zijne rampen van het
menschelijk geslacht afkeerig geworden, liever een arend werd. En dat
in het midden van allen de ziel van de jageres ~Atalante~, den grooten
roem van een kampvechter in de openlijke spelen gezien hebbende, de
verzoeking om dit leven te kiezen niet weêrstaan kon. Dat hij daarna de
ziel van den werktuigkundigen ~Epeus~ het leven van eene borduurster
had zien nemen, en onder de laatsten de ziel van den grappemaker
~Thersites~ het leven van een aap had zien kiezen. En dat bij toeval
de ziel van ~Ulysses~ het allerlaatste nommer had getrokken. En dat
deze door herinnering aan hare vroege rampen van eerzucht gespeend
zijnde, een geruimen tijd liep zoeken naar het leven van een rustig,
ambteloos burger, en dit eindelijk ergens door de anderen verwaarloosd
had vinden liggen, en op dit gezigt zeide, dat zij, als het eerste
lot haar was te beurt gevallen, niets anders zou gedaan hebben, en
het gretig opnam. En dat ook van andere dieren de zielen in menschen
en in elkander overgingen, ieder naar haren aard kiezende, zoodat
er allerlei verwisselingen plaats hadden. En dat, toen allen hunne
levenswijs gekozen hadden, allen volgens hun nommer naar ~Lachesis~
gingen, en dat deze aan ieder den geleigeest, dien hij gekozen had,
als bewaker en vervuller van het gekozene levenslot meê gaf. En dat
die geest ieder naar ~Clotho~ en ~Atropos~ bragt, om dat lot te laten
bevestigen, en hem vervolgens onder den troon van het noodlot deed
heengaan. En dat allen daar door gegaan zijnde in de vlakte van Lethe
kwamen, waar het vreesselijk warm was, daar er volstrekt geen boomen of
struiken gevonden werden. En dat zij aldaar tegen den avond zich bij
de rivier der vergetelheid, wier water in geen vat kan bewaard worden,
nedersloegen. En dat allen eene bepaalde maat van dit water moesten
drinken, maar dat zij, wier verstand hen daarvoor niet bewaarde, meer
dan die maat dronken; en dat ieder, die gedronken had, daardoor al het
vorige vergat. En dat, toen zij waren gaan slapen, midden in den nacht
een onweder met aardbeving opkwam, en allen plotseling vandaar, als
sterren flikkerend, naar verschillende plaatsen tot eene vernieuwde
geboorte werden heengevoerd. En dat hij van dat water niet had mogen
drinken, doch volstrekt niet wist, hoe zijne ziel weêr in zijn ligchaam
was gekomen, maar op eens de oogen opende en zag, dat het ochtend was,
en dat hij op den brandstapel lag.
Dit verhaal, ~Glauco~! is bewaard gebleven en kan ons welligt bewaren,
zoo wij er gehoor aan geven, de rivier der vergetelheid goed
overtrekken en onze ziel niet bezoedelen. In allen gevalle echter
moeten wij, naar mijn inzien, gelooven, dat de ziel onsterfelijk is
en alle goed en kwaad kan uithouden, en wij moeten steeds naar boven
streven, en met al ons vermogen regtvaardigheid en wijsheid trachten te
verwerven; om hier, en in den tijd der vergelding, onze eigene vrienden
en die der goden te wezen; en om in die duizendjarige reis, die wij
besproken hebben, waar geluk te genieten.