I. Dit kunnen wij dus vaststellen, ~Glauco~! dat in een volmaakten
staat gemeenschap van vrouwen, kinderen, opvoeding, en bezigheden
in oorlog en vrede moet plaats vinden, en dat zijne koningen uit
hen moeten gekozen worden, die in wijsbegeerte en krijgskunst
uitmunten.--Dit staat vast.--En wij zijn het ook daarover eens, dat,
wanneer de overheden zijn aangesteld, zij de krijgslieden naar zulke
woningen, als wij beschreven hebben, zullen brengen, waarin niemand
iets voor zich alleen zal hebben, maar alles aan allen gemeen is.
En verder hebben wij, zoo gij het u herinnert, besproken, waarin
hunne bezittingen bestaan zullen.--Ik herinner mij, dat, volgens ons
gevoelen, geen hunner iets van die dingen moet bezitten, waarop men
tegenwoordig zoo veel prijs stelt; maar dat zij als oorlogslieden en
wachters tot loon voor hunne moeite door de anderen moeten onderhouden
worden, en slechts voor hun eigen oefening en voor den staat te
zorgen hebben.--Juist. Maar, dewijl dit nu is afgehandeld, moeten
wij ons herinneren, hoe wij hier gekomen zijn, om denzelfden weg nog
eens terug te gaan.--Dat is niet moeijelijk, want gij zeidet omtrent
even als nu, dat gij een staat zoo als den behandelden en een daarop
gelijkenden man voor goed hieldt, hoezeer gij, zoo als gebleken is,
nog een schooner staat en man hadt achtergehouden. Maar verder zeidet
gij, dat, als deze goed is, de andere staatsregelingen slecht zijn.
En van die andere hebt gij, als ik mij niet vergis, vier soorten
onderscheiden, die wel verdienden dat wij er over nadachten, en hare
gebreken benevens de op haar gelijkende mannen beschouwden; opdat, als
wij ze allen gezien hadden, en den besten zoowel als den slechtsten
man hadden uitgevonden, wij zouden kunnen nagaan, of de beste nu de
gelukkigste en de slechtste de ongelukkigste is, of niet. En, toen ik
vroeg, welke die vier staatsregelingen waren, vielen ~Polemarchus~ en
~Adimantus~ in de rede; waarop gij het woord weer hebt opgenomen en
hier zijt aangeland[144].--Dat hebt gij u zeer goed herinnerd.--Pak
het dan nu nog eens van denzelfden kant aan, en doe mij nu eens een
genoegen door hetzelfde te zeggen, dat gij toen voornemens waart.--Als
ik het maar kan.--Och ik verlang maar te weten, welke vier soorten
van staatsregeling gij bedoelt.--Dat verlangen kunt gij gemakkelijk
verkrijgen, want ik bedoel de algemeen bekende; vooreerst de vermaarde
Cretensische en Lacedaemonische staatsregeling; ten tweede de weinig
minder geprezene oligarchie, eene soort die evenwel vol is van
groote gebreken; verder de daarop volgende, te weten de democratie;
en eindelijk de echte tiranny, die de vierde en laatste ziekelijke
toestand van een staat is. Of weet gij nog eene andere in het oog
loopende soort? De vorstendommen toch en verschillende soorten van
koningrijken vallen tusschen deze in, en men kan ze in menigte zoo
bij barbaren als bij Grieken vinden.--Ja er zijn er genoeg, en die er
wonderlijk uitzien.--
II. Ziet gij nu niet in, dat er even zoovele soorten van menschen
als van staatsregelingen zijn moeten? Of meent gij, dat die
staatsregelingen ergens anders uit ontstaan dan uit de zeden der
burgers, die, wanneer zij veranderen, het overige meêslepen?--Nergens
anders uit.--En als er nu vijf hoofdsoorten van staten zijn, dan zijn
er dus ook vijf van enkele menschen.--Natuurlijk.--En wij hebben
hem, die op de aristocratie (regering der besten) gelijkt, reeds
behandeld, en mogen hem goed en regtvaardig noemen.--Ja.--Dus moeten
wij nu de niet goeden behandelen, te weten: den twistgierigen en
eerzuchtigen, die met de Lacedaemonische staatsregeling overeenkomt,
den oligarchischen, den democratischen en den tirannieken; ten einde,
als wij den onregtvaardigsten gevonden hebben, hem tegenover den
regtvaardigsten te stellen, en dan juist te kunnen beoordeelen, in
welke verhouding de volkomene regtvaardigheid en onregtvaardigheid
tot geluk en ongeluk staan; om óf op raad van ~Thrasymachus~ de
onregtvaardigheid, óf volgens het reeds besprokene de regtvaardigheid
na te jagen.--Zoo moeten wij doen.--Willen wij dan nu, gelijk wij
begonnen zijn met eerst de staatsregeling, omdat die meer in het oog
valt, en dan den enkelen mensch te beschouwen, zoo ook nu eerst de
eerzuchtige staatsregeling, (want een anderen naam weet ik er niet
voor, tenzij wij ze timocratie of timarchie noemen) en dan den op
haar gelijkenden man beschouwen; vervolgens de oligarchie en den
oligarchischen man; daarna de democratie en den democratischen man;
om eindelijk de tiranny bezien hebbende, de tirannieke ziel in het
oog te vatten, en dan over het voorgestelde ons oordeel te kunnen
uitspreken.--Dat vind ik goed, want dan wordt die beschouwing en
beoordeeling geregeld afgehandeld.--
III. Komaan dan, laat ons pogen te zeggen, hoe eene timocratie uit
eene aristocratie kan geboren worden. Vindt gij het niet natuurlijk,
dat elke verandering van staatsregeling door hen wordt veroorzaakt,
die de magt in handen hebben, wanneer zij niet eensgezind zijn;
daar zoo lang zij eensgezind blijven, ook al zijn zij weinig in
getal, hun gezag niet kan omgeworpen worden?--Ja; zeker.--Hoe zal
dan nu zulk eene verandering bij ons plaats hebben, en hoe zal er
oneenigheid tusschen onze wachters en overheden ontstaan? Willen wij,
als ~Homerus~, de Muzen bidden, ons te zeggen, hoe er het eerst twist
ontstaan is, en haar dan een deftig antwoord in den mond leggen?--Hoe
meent gij?--Ongeveer aldus: Een zóó ingerigte staat zal wel niet ligt
geschokt worden; maar dewijl al wat ontstaan is weer vergaan moet, zal
ook zulk eene inrigting niet altijd blijven, maar ontbonden worden.
Die ontbinding zal zóó plaats hebben. Niet alleen de planten, maar ook
de dieren zijn op sommige tijden beter tot voortplanting geschikt dan
op andere. Den juisten tijd nu voor de voortplanting van uw geslacht
zullen uwe overheden, hoe wijs zij ook zijn, niet altijd kunnen
treffen; maar zij zullen zich somtijds daarin vergissen en op een
ongunstig oogenblik kinderen laten telen, die bijgevolg niet edelaardig
noch gelukkig zijn zullen. Vervolgens zullen zij wel de besten uit
die kinderen tot hunne opvolgers aanstellen, maar, dewijl deze toch
minder goed zijn, zullen zij, de magt hunner ouders in handen gekregen
hebbende, beginnen met als wachters ons, Muzen te minachten en eerst de
muzenkunst, vervolgens de gymnastiek minder dan betaamt te waarderen.
Ten gevolge daarvan zullen de jongelingen minder beschaafd worden. Deze
zullen, later overheden geworden zijnde, niet in staat zijn het gouden,
zilveren, koperen en ijzeren geslacht[145] goed uit elkander te
houden. Wanneer nu zilver met ijzer en goud met koper vermengd wordt,
ontstaat daaruit ongelijkheid en gebrek aan overeenstemming, waarvan
twist en vijandschap het onvermijdelijk gevolg is. Dit moet als de
oorzaak van alle oneenigheid beschouwd worden.--Ik moet zeggen, dat de
Muzen goed geantwoord hebben.--Dat was van Muzen ook wel niet anders te
denken.--En wat zeggen zij nu verder?--Als die twist ontstaat, trekken
dat ijzer en koper naar het doen van winst en het verkrijgen van huizen
en landerijen en goud en zilver; maar het goud en zilver daaraan geen
behoefte hebbende, omdat zij van nature rijk zijn, trekken de zielen
naar de deugd en naar den ouden toestand. Wanneer zij nu hierover
getwist en gestreden hebben, maken zij eindelijk de overeenkomst, dat
zij het land en de huizen verdeelen, en ieder een bijzonder eigendom
nemen, en dat zij de overige burgers, die vroeger als vrije menschen,
vrienden en voeders door hen bewaakt werden, onder het juk brengen, en
ze tot schatpligtige landbouwers vernederen, terwijl zij den oorlog en
de wacht voor hunne rekening nemen.--Ik vind het zeer waarschijnlijk,
dat die verandering zóó plaats heeft.--En is deze staatsregeling nu
niet in het midden tusschen de aristocratie en de oligarchie?--Ja.--
IV. Zóó zal dus de verandering plaats hebben. En hoe zal vervolgens
de inwendige toestand zijn? zal zij niet in sommige punten de vorige
staatsregeling, in andere de oligarchie nabootsen, daar zij tusschen
die twee in ligt; en zal zij niet ook eenige dingen hebben, die
haar alleen eigen zijn?--Natuurlijk.--Zij zal dan denkelijk in het
bewijzen van eer aan de overheden, en de verachting der krijgslieden
voor landbouw, handwerken en andere geldwinningen, en het houden van
gemeenschappelijke maaltijden, en het beoefenen der gymnastiek en der
krijgskunst, de vorige staatsregeling navolgen.--Ja.--En de vrees
voor het opdragen van het bestuur aan kundige menschen, daar die niet
meer eenvoudig en streng maar bedorven zijn; en het bij voorkeur
aanstellen van moedige en eenvoudige lieden; en het verkiezen van
oorlog boven vrede, en het waarderen van krijgslisten en schrandere
vonden; en het aanhoudend krijgvoeren; dit alles is haar bijzonder
eigen.--Juist.--En zulke menschen zullen even begeerig naar schatten
zijn als de oligarchen, en heimelijk goud en zilver zamenschrapen, daar
zij schatkamers en eigene bergplaatsen hebben, waar zij het kunnen
wegstoppen, en beslotene huizen, als ’t ware eigene nesten, waarbinnen
zij zooveel als zij willen aan vrouwen, enz., besteden kunnen.--Dat
is volkomen waar.--Zij zullen zeker ook gierig op hun geld zijn, daar
zij het niet openlijk kunnen laten zien, en er op uit zijn om op de
klap te loopen, en in ’t geheim vermaak na te jagen, en de wet, als
jongens hun vader, zoeken te foppen, dewijl zij niet door overreding
maar door dwang zijn opgevoed, en de ware Muze, de beschermster van de
bespiegeling en de wijsbegeerte verwaarloosd, en de gymnastiek boven
de muzenkunst gewaardeerd hebben.--Die staatsregeling heeft waarlijk
veel goed en kwaad door elkander.--Dat is er in dooreengemengd, maar
ten gevolge van het overwigt der geestkracht komt de twistgierigheid
en de eerzucht in haar het meest voor den dag.--Ongetwijfeld.--Deze
staatsregeling zal dus zóó ontstaan, en zóódanig wezen, om het nu maar
bij deze schets te laten, en haar niet naauwkeurig uit te werken;
dewijl het genoeg is den regtvaardigsten en den onregtvaardigsten
in de hoofdtrekken te zien, en het een oneindig werk zijn zou alle
staatsregelingen en alle karakters te beschrijven, zonder iets over te
slaan.--Dat vind ik ook.--
V. Wie is nu de man, die met deze staatsregeling overeenstemt, en
hoe wordt hij gevormd?--Ik geloof, zeide ~Adimantus~, dat hij in
twistgierigheid veel van ~Glauco~ zal hebben.--Misschien wel, zeide ik,
maar hierin geloof ik niet, dat hij op hem gelijken zal.--Waarin?--Hij
moet verwaander en onbeschaafder, en wel van de muzenkunst niet geheel
afkeerig, maar toch een groot vijand van welsprekendheid wezen. Ook
zou zulk een mensch voor slaven hard zijn, en zich niet zoo als
de goed opgeleide daar boven verheven vinden, maar jegens vrijen
zachtzinnig, en zeer gehoorzaam aan de overheden, en zeer begeerig naar
overheidsambten en eereposten, die hij niet door welsprekendheid of
kennis, maar door dappere daden en bedrevenheid in ligchaamsoefeningen
verwerven wil, daar hij veel met gymnastiek en jagt op heeft.--Dat zijn
ten minste de eigenaardigheden van zulk eene staatsregeling.--Zoodanig
iemand zou ook in zijne jeugd het geld minachten; maar, naarmate hij
ouder werd, er meer van gaan houden, daar zijn inborst ook met die
van den geldwinner overeenkomst heeft, en hij niet onverdeeld aan de
deugd gewijd is, omdat zijne ziel niet door de beste wachters bewaakt
wordt.--Wie zijn dat? zeide ~Adimantus~.--Dat zijn de wijsbegeerte en
de muzenkunst, die alleen de ziel, waarin zij wonen, levenslang in de
dienst der deugd kunnen bewaren.--Dat zegt gij goed.--Zóó is dus een
jongeling, die op den timocratischen staat gelijkt.--Juist.--En zóó
omtrent wordt hij gevormd. Stel u den zoon voor van een deugdzaam man,
die in een slecht ingerigten staat woont, en zich buiten eereposten,
overheidsambten, regtsgedingen, enz., houdt, en liever de minste wil
zijn, dan zich in onaangenaamheden te steken. Laat nu dien knaap
vooreerst merken, dat zijne moeder knorrig is, omdat haar man niet in
de regering zit, en zij daardoor bij andere vrouwen moet achterstaan;
en omdat hij weinig werk van het geld maakt, en zich met geen
particuliere twisten of staatspartijen wil inlaten; en omdat hij steeds
met zich zelven bezig is en haar wel niet minacht maar toch ook niet
te hoog stelt: en laat hem haar hooren zeggen, dat zijn vader zich
niet als een man gedraagt, maar als een lafaard, die, enz. enz.--Ja,
zeide ~Adimantus~, dat zijn zoo de gewone klagten der vrouwen.--En gij
weet wel, dat ook de slaven van zulke menschen somtijds heimelijk tot
hunne kinderen op dezelfde wijs spreken, en wanneer zij zien, dat de
vader een schuldenaar of beleediger niet in regten vervolgt, met een
schijn van goedwilligheid den zoon aansporen, om, als hij een man is
geworden, zich meer te laten gelden, en zich mannelijker dan zijn vader
te gedragen. En als hij uitgaat, ziet en hoort hij desgelijks, dat zij,
die zich slechts met hun eigen zaken bemoeijen, algemeen flaauw genoemd
en weinig geacht worden, maar dat zij, die zich weten te laten gelden,
tot aanzien komen. Als nu een jong mensch dat alles hoort en ziet,
en van den anderen kant zijn vader hoort spreken en zijne handelwijs
meer van nabij beschouwt, dan wordt hij van twee kanten getrokken,
daar zijn vader zijne rede zoekt te kweeken en te ontwikkelen, en de
anderen zijne begeerlijkheid en driftigheid; en daar hij uit een goed
man geboren, maar door kwaad gezelschap bewerkt is, zeilt hij midden
tusschen die twee door, en geeft de heerschappij over zijne ziel aan
het middelste vermogen, aan de geestkracht, en wordt een hoogmoedig en
eerzuchtig man.--Gij hebt de vorming van zulk een karakter volmaakt
beschreven.--Wij hebben dus hier de tweede staatsregeling en den
tweeden man.--Ja.--
VI. Wij willen dan nu verder de mannen en de staatsregelingen
beschouwen, en wel, volgens ons plan, telkens de staatsregelingen
eerst.--Dat is goed.--De staatsregeling, die nu aan de beurt ligt,
is, geloof ik, de oligarchie.--Maar welke staatsinrigting noemt gij
eigenlijk oligarchie?--Die op eene schatting gebouwd is, waarin de
rijken regeren, en de armen geen deel aan de regering hebben.--Nu
begrijp ik het.--Wij moeten dus eerst zeggen, hoe de timarchie in
oligarchie overgaat.--Ja.--Dit is waarlijk ook voor een blinden
te zien.--Hoe zoo?--Die bijzondere schatkamers vol goud doen die
staatsregeling te gronde gaan. Want vooreerst krijgen de burgers
daardoor lust om verteringen te maken, en ontduiken de wet, haar
met hunne vrouwen overtredende.--Dat is te denken.--Verder maakt,
denk ik, de een den ander aan den gang, tot zij allen met denzelfden
geest bezield worden.--Natuurlijk.--En wanneer zij nu hoe langer hoe
meer werk van het geldwinnen maken, gaan zij de deugd hoe langer
hoe minder achten. Of zijn rijkdom en deugd niet zóó tegenstrijdig,
dat, als de een rijst, de andere dalen moet?--Ongetwijfeld.--Als
dus de rijkdom in den staat wordt geëerd, dan zijn de deugd en hare
beoefenaars minder in tel dan de rijken.--Dat spreekt.--En eer kweekt
beoefening, oneer verwaarloozing.--Ja.--Dus zijn dan onze burgers in
plaats van twistgierig en eerzuchtig, geldgierig en schraapzuchtig
geworden; en den rijken prijzen zij en stellen hem aan, maar den
armen tellen zij niet.--Juist.--En dan bepalen zij bij de wet, hoe
veel geld iemand hebben moet, om deel aan het bestuur te krijgen, en
naarmate de staatsregeling meer of minder oligarchisch is, stellen
zij de daartoe vereischte schatting hooger of lager. En als zij dien
maatregel van voorzorg niet bij tijds genomen hebben, zetten zij hem
met geweld door.--Zoo gaat het gewoonlijk.--Op deze wijs komt dus
die staatsregeling tot stand.--Ja; maar hoe is het inwendig met haar
gesteld, en welke gebreken zijn in haar op te merken?--Vooreerst, de
maatstaf, die door haar gevolgd wordt. Want zie eens: als men bij het
kiezen van stuurlieden op het geld zag, en den armen, hoe knap hij ook
was, niet gebruiken wilde.--Dan zou er een treurige scheepvaart plaats
hebben.--En is het niet evenzoo met elk ander bestuur?--Ik zou zeggen:
ja.--Behalve dat van den staat? of is het daar evenzoo meê?--Neen, maar
daarmeê vooral, dewijl dat het moeijelijkste en belangrijkste is.--Dat
is dus het eerste gebrek van de oligarchie.--Dat blijkt.--En is dit nu
zooveel minder?--Wat.--Dat zulk een staat niet één is, maar dat daarin
noodzakelijk twee staten zijn, één der armen en één der rijken, die te
zamen wonen en elkander belagen.--Dat is waarlijk niet minder.--En is
dit mooi; dat zij bezwaarlijk oorlog kunnen voeren, omdat zij vreezen
aan het volk wapens in handen te geven; en, als zij dat niet doen, te
weinig manschappen voor den oorlog hebben, te meer, daar zij te gierig
zijn, om veel oorlogskosten te betalen.--Dat is alles behalve mooi.--En
dat in die staatsregeling zoo geheel verschillende dingen als oorlog,
landbouw en geldwinnen door dezelfde menschen worden uitgeoefend, vindt
gij dat goed?--In ’t geheel niet.--
VII. En let nu eens op, of hier niet voor het eerst een allerleelijkst
gebrek voor den dag komt.--Wat?--Dat het mogelijk is al zijne
bezittingen kwijt te raken, en dan in den staat te wonen, zonder er een
deel van te zijn, geen geldwinner, handwerksman, ruiter of voetknecht,
maar eenvoudig een arme genoemd wordende.--Dat gebrek vertoont zich
hier het eerst.--De oligarchische staatsregeling doet er dan ook
niets tegen, daar de oligarchen onmogelijk zeer rijk konden zijn, zoo
de anderen niet zeer arm waren.--Juist.--Maar let nu eens hierop.
Toen die verarmde nog rijk was en zijn geld verteerde, was hij toen
nuttiger voor den staat, of behoorde hij toen slechts in schijn tot
de bestuurders, terwijl hij in waarheid geen overheid of dienaar van
den staat, maar slechts een doorbrenger zijner bezittingen was?--Hij
was het eerste schijnbaar, het laatste werkelijk.--Willen wij dus
zeggen, dat, gelijk in een honigraat een hommel tot nadeel van den
zwerm geboren wordt, hij in een huis tot nadeel van den staat wordt
gevormd?--Ja, die vergelijking is goed, ~Socrates~!--Nu heeft de natuur
die gevleugelde hommels zonder angels gemaakt, doch die hommels op twee
beenen hebben soms geen angels, maar soms angels van sta vast. En die
zonder angels blijven tot hun dood toe bedelaars, maar die met angels
worden kwaaddoeners van allerlei soort.--Dat is volkomen waar.--Wanneer
gij dus ergens bedelaars ziet, kunt gij veilig besluiten, dat daar ook
dieven, zakkenrollers, tempelroovers en andere kwaaddoeners verborgen
zijn.--Natuurlijk.--En ziet gij nu geen bedelaars in de oligarchische
staten?--Ja bij heele troepen.--Dus vermoeden wij ook, dat dáár
vele kwaaddoeners met angels zijn, die door de overheden met geweld
worden ondergehouden.--Natuurlijk.--En moeten wij niet zeggen, dat
die personen door slecht onderwijs, slechte opvoeding en verkeerde
inrigting van den staat zóó gemaakt worden?--Ja zeker.--Zóó ziet de
oligarchische staat er uit, en deze gebreken heeft zij, en misschien
nog meer.--Juist.--Dus hebben wij de oligarchie, die naar eene
schatting de overheden aanstelt, ook afgehandeld.
VIII. Willen wij nu den op haar gelijkenden man beschouwen, en zien,
hoe hij is, en hoe hij gevormd wordt?--Gaarne.--Gaat het nu met de
verandering van een timocratische in een oligarchische denkwijze niet
meest aldus toe?--Hoe?--Wanneer de zoon van een timocraat in het eerst
zijn vader nastreeft en in zijne voetstappen wandelt, maar vervolgens
ziet, hoe deze plotseling als op een klip stoot en te gronde gaat,
door, nadat hij veldheer geweest is, of eene andere hooge betrekking
bekleed heeft, belasterd en in een regtsgeding gewikkeld zijnde, tot
dood, verbanning of eerloosheid en verbeurdverklaring van goederen
veroordeeld te worden.--Zoo iets gebeurt al heel ligt.--Wanneer hij
dit ziet, en er het slagtoffer van is, en zijn erfdeel missen moet,
dan wordt hij natuurlijk bevreesd, en werpt eerzucht en geestkracht
van haren troon in zijne ziel naar beneden, en door armoede vernederd,
wendt hij zich tot het geldwinnen, en zoekt door volharding en
spaarzaamheid schatten te verzamelen. Gelooft gij dus niet, dat zoo
iemand dan op dien troon de begeerlijkheid en geldzucht verheft en
door haar zijne heele ziel laat beheerschen?--Ja zeker.--En dan zet
hij verstand en eerzucht naast dien troon op den grond, en maakt ze
dienstbaar aan de geldzucht, en laat het verstand over niets anders dan
over het vermeerderen van zijn geld redeneren, en de eerzucht niets
anders vereeren en bewonderen dan rijkdom en rijken, en in niets anders
eer stellen dan in het verwerven van geld en hetgeen daartoe dienen
kan.--Door zulk eene lotwisseling wordt een eergierige het allerligtst
in een geldzuchtigen veranderd.--En is dat nu een oligarch?--Zijn
karakter is althans ontstaan uit het karakter, dat met den staat,
waaruit de oligarchie voortkwam, overeenstemde.--Laat ons dan eens
nagaan, of hij overeenkomst met de oligarchie heeft.--Dat willen wij
doen.--
IX. Komt hij er vooreerst niet in het boven alles waarderen van
het geld meê overeen?--Zekerlijk.--En ook daarin, dat hij zuinig
en werkzaam zijnde alleen de begeerten naar noodzakelijke dingen
bevredigt, en andere uitgaven nalaat, en de begeerte naar dezelve als
dwaasheid onderdrukt.--Juist.--Hij is dus een gierig geldwinner, die
van alles voordeel weet te trekken, hoedanige menschen meestal geprezen
worden. Heeft hij nu niet veel overeenkomst met de laatstgenoemde
staatsregeling?--Ik vind van ja: geld is althans én voor dien staat, én
voor dien man een voorwerp van groote vereering.--En zulk een mensch
heeft een weinig ontwikkeld verstand.--Dat vind ik ook, anders had hij
den blinden ~Plutus~ niet tot leidsman gekozen.--Juist; maar let nu nog
eens hierop. Moeten wij niet zeggen, dat er bij hem door gebrek aan
beschaving hommelachtige begeerten ontstaan, die deels als bedelaars
onderworpen zijn, deels als kwaaddoeners met geweld door de overige
neigingen bedwongen worden?--Wel zeker.--Weet gij nu werwaarts gij
zien moet, om hare kwaadaardigheid op te merken?--Nog niet.--Naar het
bestieren der zaken van weezen, of zoo zij eenige andere gelegenheid
hebben om straffeloos onregt te doen.--Dat is waar.--Is het nu niet
duidelijk, dat hij in de andere overeenkomsten, waarin schijn van
regtvaardigheid hem aanzien verschaft, zijne kwade begeerlijkheid met
geweld bedwingt; niet omdat hij op redelijke gronden overtuigd is,
dat het beter is die te bedwingen, maar omdat hij dit doen moet, uit
vrees voor zijne bezittingen.--Voorzeker.--Gij zult echter vinden,
mijn vriend! dat, zoodra zij het geld van anderen in handen krijgen,
de meesten hunner van de begeerten des hommels vol zijn.--Ja, maar
al te vol.--Zoo iemand is dus niet met zich zelven in vrede, maar
vol tweespalt, hoewel meestal de betere begeerten de minder goede
onderdrukken.--Dat is waar.--Daarom maakt zoo iemand een vrij goed
figuur, hoezeer de waarachtige deugd van eene goed gevormde en zich
gelijk blijvende ziel in hem niet gevonden wordt.--Ja.--En de gierige
is ook een zwak mededinger, als er door onkosten te maken roem kan
behaald worden, daar hij voor zijn naam geen geld wil uitgeven, en
vreest de verspilzucht bij zich op te wekken; maar hij laat op echt
oligarchische wijs, om rijk te blijven, zijne meeste neigingen door
eenige weinigen beheerschen.--Dat is volkomen juist.--Kunnen wij nu
nog twijfelen, of de gierigaard en geldwinner met de oligarchische
staatsregeling overeenstemt?--Volstrekt niet.--
X. Dan moeten wij vervolgens het ontstaan en den aard der democratie
beschouwen, om ook den democratischen man te leeren kennen, en hem
te kunnen beoordeelen.--Zoo zullen wij althans ons zelven gelijk
blijven.--En wordt nu die overgang van oligarchie in democratie
niet door onverzadelijkheid in het trachten naar rijkdom te weeg
gebragt?--Hoe meent gij?--Daar de overheden in dien staat door hunnen
rijkdom overheden zijn, willen zij de verkwisting der jongelieden
niet door wetten beteugelen, dewijl zij daar voordeel meê doen
kunnen, door de bezittingen dier verkwisters te koopen, en hun
geld op woeker te leenen, en zoo steeds rijker en aanzienlijker te
worden.--Juist.--Blijkt het derhalve niet, dat een staat onmogelijk den
rijkdom kan vereeren en tevens goede zeden onder de burgers aankweeken,
maar dat hij noodzakelijk het een of het ander moet verwaarloozen?--Dat
is vrij duidelijk.--Zoo worden door de oligarchie dikwijls menschen
van aanleg verwaarloosd en door het niet tegenhouden der verkwisting
geheel verarmd.--Dat is waar.--Deze nu zitten, denk ik, in den staat
als hommels met angels, en daar zij door schulden gedrukt, of eerloos
verklaard zijn, of misschien wel beiden te gelijk, haten en belagen
zij degenen, die hun goed aan zich gebragt hebben, en tevens de
andere rijken, en haken naar eene omwenteling.--Zoo gaat het.--De
geldwinners echter zien hen over het hoofd, en steeds op voordeel
bedacht zijnde, zoeken zij door telkens aan anderen geld uit te leenen
hun kapitaal te vermeerderen, en maken door woeker het getal der
armen en der hommels hoe langer hoe grooter.--Dat is natuurlijk.--En
zij willen het uitbreken van dit kwaad niet tegengaan door de
verkwisting met wetten te beteugelen, of eene andere bepaling daartoe
te maken.--Welke?--Eene die met de eerste zamenhangt en de burgers
dwingt de deugd te beoefenen, namelijk, dat het niet betalen van
woeker geen regtsvordering aan den woekeraar geeft; want als zij die
vrijwillige overeenkomsten op hun eigen gevaar moesten aangaan, zouden
bijgevolg minder van de gezegde nadeelen voor den staat ontstaan.--Dat
scheelt veel.--Nu echter handelen de overheden op de gezegde wijs met
de onderdanen, en zij maken zich zelve en de hunnen, vooral hunne
jongelieden, weekelijk en ongeschikt voor inspanning van ligchaam of
geest, en niet bestand tegen vermaak en smart, en lui.--Dat kan niet
anders.--En zij verwaarloozen alles behalve het geldwinnen, en maken
niet meer werk van de deugd dan de armen.--Geen zier meer.--En wanneer
nu, terwijl zóó de zaken staan, overheden en onderdanen elkander
op reis, of bij optogten, of op zee, of in den oorlog ontmoeten en
elkander in gevaren waarnemen, dan kunnen de rijken niet langer de
armen minachten, maar dan zal dikwijls een arm en gehard man een
verwijfden, dikken rijkaard zien hijgen en zwoegen, en onwillekeurig
denken, dat zulke menschen alleen door de lafheid van hem en de zijnen
rijk zijn, en dit zal hij natuurlijk niet voor zich zelven houden,
wanneer hij met zijne makkers alleen is, maar zeggen: wat hebben wij
hier voor ellendige kerels!--Daar ben ik zeker van.--En gelijk een voos
ligchaam door een klein stootje van buiten, ja dikwijls zonder dat, in
ziekte stort, zoo zal ook een staat, die in zulk een toestand is, als
één der twee partijen uit een anderen oligarchischen of democratischen
staat hulp krijgt, ja dikwijls zonder dat, aan binnelandsche twisten en
oproer ten prooi worden.--Ongetwijfeld.--En dan ontstaat er, geloof
ik, eene democratie, als de armen overwinnen, sommigen der tegenpartij
dooden, anderen verbannen, en de overigen gelijk met de andere burgers
in de overheidsambten doen deelen, die dan gewoonlijk door het lot
bezet worden.--Ja, zoo ontstaat de democratie, hetzij zij door de
wapenen tot stand komt, hetzij de oligarchen uit vrees vrijwillig
toegeven.--
XI. Hoe zullen die menschen nu leven, en hoe zal die staat worden
ingerigt? want nu moet de democratie voor den dag komen.--Ja.--Zijn
zij niet vooreerst vrij en is de staat niet vol vrijheid en
ongedwongenheid, zoodat ieder daarin doen kan, wat hij wil?--Dat zou
men zeggen.--En ten gevolge daarvan rigt ieder natuurlijk zijn leven
zóó in, als hij goed vindt.--Dat spreekt.--Dus kunnen vooral in dien
staat allerlei soort van menschen ontstaan.--Natuurlijk.--Dan schijnt
zij van alle staatsregelingen de schoonste te wezen; want gelijk een
bont kleed, dat met allerlei kleuren versierd is, moet zij dan met
allerlei karakters versierd er heel mooi uitzien.--Natuurlijk.--Dan
zouden misschien wel velen als vrouwen en kinderen, die het
bonte mooi vinden, deze staatsregeling tot de allerschoonste
verklaren.--Ongetwijfeld.--Het is echter zoo gemakkelijk niet, mijn
beste, in haar eene bepaalde staatsregeling te vinden.--Hoe dat?--Ten
gevolge van de vrijheid heeft zulk een staat allerlei staatsregelingen,
en hij, die, zoo als wij, een staat wil inrigten, moest eigenlijk naar
een democratischen staat gaan, om dáár de inrigting, die hem beviel,
uit te kiezen, en die na te volgen.--Hij zou waarlijk geen gebrek
aan voorbeelden hebben.--En dat het in zulk een staat volstrekt niet
noodig is overheid te wezen, ook al zijt gij er geschikt voor; of te
gehoorzamen, als gij niet wilt; of krijg te voeren, als de staat krijg
voert; of den vrede te bewaren, als de anderen dien bewaren, zoo dit u
niet bevalt; of, al sluit de wet u van overheidsambten en regterlijke
betrekkingen uit, u daarvan te onthouden, zoo gij er naar verlangt: is
dat zoo op het oogenblik geen goddelijke en zalige wijs van leven?--Zoo
op het oogenblik misschien wel.--En is onder die staatsregeling de
zachtheid jegens veroordeelden niet heel lief? Of hebt gij het nooit
in zulk eenen staat gezien, dat tot dood of ballingschap veroordeelden
toch maar bleven en zich openlijk vertoonden, en, als konden zij zich
onzigtbaar maken, rondgingen zonder dat iemand het scheen te merken of
er zich aan stoorde?--Dikwijls genoeg.--En dan die inschikkelijkheid
en onbekrompenheid, waarmede zij zich heenzet over ons vooroordeel,
dat behalve menschen van buitengewonen aanleg, niemand goed kan
worden, die niet van de spelen zijner jeugd af aan zich steeds op al
wat goed is heeft toegelegd; daar zij zich in eens boven dat alles
verheft, en er niet naar vraagt, welke studie hij gemaakt heeft, die
zich met staatszaken wil inlaten, maar ieder vereert, die zich tot
een volksvriend verklaart.--Dat is zeker heel onbekrompen.--Dit zijn
zoo omtrent de eigenschappen der democratie, en zij schijnt dus eene
aangename, vrije en bonte staatsregeling te wezen, die aan gelijken
en ongelijken eene volkomene gelijkheid toedeelt.--Wat gij zegt, is
volkomen door de ondervinding bevestigd.--
XII. Let nu eens op, hoe een enkel dusdanig mensch zal wezen? Willen
wij niet weer eerst, zoo als wij bij den staat gedaan hebben,
zijne vorming nagaan?--Ja.--Gaat het daar niet zóó mede toe? Die
oligarchische gierigaard heeft een zoon, dien hij natuurlijk in
zijn eigen denkwijs zoekt groot te brengen.--Dat spreekt.--Die zoon
moet dus evenzoo zijne begeerten, voor zoo ver zij tot verkwisting,
niet tot geldwinnen, leiden, en niet noodzakelijk zijn, met geweld
onderdrukken.--Juist.--Willen wij dan voor de duidelijkheid
eerst eens vaststellen, welke begeerten noodzakelijk zijn, welke
niet?--Dat is goed.--Kunnen wij die niet met regt noodzakelijk
heeten, welke wij niet kunnen uitroeijen, en die, als zij vervuld
worden, ons voordeel aanbrengen? Beiden toch zijn ons door de natuur
ingeplant, niet waar?--Ja.--Die hebben dus regt op den naam van
noodzakelijk.--Volkomen.--En die men van jongs af zijn best doende
kan meester worden, en die aanwezig zijnde geen goed maar dikwijls
kwaad doen, kunnen wij die allen niet met regt niet-noodzakelijk
heeten?--Voorzeker.--Willen wij er nu van beiden één tot voorbeeld
nemen, om ze allen daaraan te kennen?--Met genoegen.--Is dan de
begeerte naar eten, voor zoo ver de gezondheid en welstand des
ligchaams dit vordert, niet noodzakelijk?--Ja.--Die naar spijs in ’t
algemeen is in beide opzigten noodzakelijk, voor zoo ver zij nuttig
is, en voor zoo ver zij geen voldoening krijgende, den dood ten
gevolge heeft.--Ja.--En die naar toespijs, voor zoo ver de welstand
des ligchaams daardoor bevorderd wordt?--Die ook.--En de begeerte,
die verder gaat, en allerlei lekkernijen verlangt, kan, door haar van
jongs af tegen te gaan, bedwongen worden, en is schadelijk voor het
ligchaam en voor de helderheid en ingetogenheid van den geest, en
verdient daarom den naam van niet-noodzakelijk.--Juist.--de laatste
soort nu kan verkwistend genoemd worden; de eerste daarentegen
winstgevend, omdat hare vervulling ons in geschiktheid voor ons werk
doet winnen.--Dat is zoo.--En kunnen wij van die naar minvermaak niet
hetzelfde zeggen?--Ja.--En zijn nu niet die menschen, die wij hommels
genoemd hebben, de zoodanigen, die met zulke niet-noodzakelijke
begeerten vervuld zijn en daardoor geregeerd worden; terwijl de gierige
oligarchen slechts aan de noodzakelijke onderworpen zijn?--Voorzeker.--
XIII. Laat ons nu nog eens zeggen, hoe een democratisch man uit een
oligarchischen gevormd wordt. Naar mij voorkomt gaat dit meestal zóó
toe.--Hoe?--Wanneer een jongeling op de gezegde wijze zonder goed
onderwijs en gierig grootgebragt van de honig der hommels proeft, en
kennis maakt met vurige, listige dieren, die hem allerlei telkens
afwisselende vermaken verschaffen, dan kunt gij vasstellen, dat in
zijne ziel de oligarchische regeringsvorm voor den democratischen
plaats maakt.--Dat kan niet anders.--Zal nu niet, gelijk de staat door
uitheemsche ondersteuning der ééne partij veranderde, die jongeling
veranderen, door dat ééne der twee soorten van begeerten in zijne ziel
door gelijksoortige van buiten ondersteund wordt?--Ongetwijfeld.--En
als nu zijn vader of zijne andere betrekkingen met vermaningen en
straffen het oligarchische deel zijner ziel ondersteunen, dan ontstaat
er in zijn binnenste twist en oneenigheid.--Natuurlijk.--En soms
wordt dan, geloof ik, het democratische deel door het oligarchische
overwonnen, en, als schaamte bij hem opkomt, worden sommige begeerten
geknakt, andere geheel verdreven; zoodat hij zich wederom ordelijk
gedraagt.--Dat gebeurt somtijds.--Door de onverstandige opvoeding
des vaders worden evenwel andere aan de verdrevene verwante
begeerten gevoed, en nemen in menigte en sterkte toe.--Zoo gaat het
gewoonlijk.--En die trekken hem dan tot denzelfden omgang, en daardoor
worden zijne begeerten hoe langer hoe meer.--Dat spreekt.--En eindelijk
overrompelen deze den burgt zijner ziel, daar zij merken, dat die
niet bezet is door wetenschap, goede studie en juiste begrippen, die
in den geest van door de goden geliefde menschen de beste wachters
zijn.--Juist.--En dan wordt diezelfde plaats ingenomen door leugens
en dwalingen en allerlei valsche denkbeelden.--Ja.--En dan gaat hij
ook weer openlijk met zijne vroegere kennissen om. Wanneer dan
zijne betrekkingen het spaarzame deel zijner ziel willen bijstaan,
sluiten die valsche redeneringen de poorten van den burgt en laten
noch die hulptroepen noch vermaningen van andere vrienden, die als
gezanten komen, daarbinnen, en overwinnen die met geweld; en drijven
de schaamte, haar onnoozelheid noemende, in ballingschap, en werpen
de ingetogenheid uit, haar flaauwheid heetende en haar beschimpende;
en de matigheid en spaarzaamheid voor boerschheid en onbekrompenheid
uitmakende, jagen zij die met behulp van allerlei nuttelooze begeerten
op de vlugt.--Zoo gaat het.--En als dan de ziel, die door haar
bezet is en in hare geheimenissen wordt ingewijd, ledig en schoon
is gemaakt, brengen zij overmoed, bandeloosheid, doorbrenging en
onbeschaamdheid met groote statie naar binnen, die door mooije namen
vergoelijkende, daar zij den overmoed flinkheid, de bandeloosheid
vrijheid, de doorbrenging onbekrompenheid, en de onbeschaamdheid
onverschrokkenheid noemen. Wordt op die wijs een jongeling niet na eene
opvoeding, die hem slechts de noodzakelijke begeerten leerde vervullen,
tot het botvieren en inwilligen der niet noodzakelijke noch nuttige
gebragt?--Ongetwijfeld.--En daarna wijdt, denk ik, zulk een persoon
zijn geld, tijd en moeite zonder onderscheid aan het vervullen van
noodige en niet noodige begeerten; en als hij zoo gelukkig is van niet
geheel door uitspattingen bedorven te worden, maar bij het toenemen in
jaren, als hij uitgeraasd heeft, een deel der verdrevene weer opneemt
en zich niet geheel door de nieuwe laat beheerschen, dan geeft hij
aan al die begeerten gelijke regten, en laat zich telkens door de
voorkomende, als of die het geloot had, besturen, totdat zij vervuld
is, en eene andere hare plaats inneemt, daar hij er geene veracht,
maar allen gelijkstelt.--Juist.--En dan wil hij de waarheid niet
hooren noch in zijne ziel binnenlaten, wanneer iemand zegt, dat sommige
begeerten zich op schoone en goede vermaken rigten, en andere op
slechte, en dat men de eerste moet aankweeken en in eere houden, maar
de andere bedwingen en ten onder brengen; maar dat alles ontkent hij en
beweert, dat alle gelijk zijn en dezelfde aanspraak hebben.--Dat is de
gewone handelwijs van die menschen.--En zóó brengt hij zijn leven door,
dagelijks zijne opkomende begeerten vervullende, nu eens dronken zijnde
en naar fluitenspel luisterende, dan eens water drinkende en vastende,
dan weer eens de gymnastiek beoefende, en op een anderen tijd volstrekt
niets uitvoerende, of zelfs zich wel eens met de wijsbegeerte bezig
houdende. Dikwijls bemoeit hij zich ook met staatkunde, en spreekt en
handelt dan naar zijne oogenblikkelijke invallen. En als hij eens zin
in de krijgsdienst krijgt, maakt hij daar werk van; en op een anderen
tijd zoekt hij weer schatten te verzamelen. In zijn leven is orde noch
regelmaat, maar hij noemt zulk een leven vrij en gelukkig en blijft er
steeds in volharden.--Dat is volkomen het leven van den voorstander van
gelijkheid.--En ik geloof, dat die man even bont en afwisselend van
zeden en even mooi als die staat is; en velen zouden gaarne zulk een
leven navolgen, dat allerlei soort van staatsregelen en levenswijzen in
zich bevat.--Dat is zoo.--Dien man kunnen wij dus naast de democratie
stellen, en hem zelven met regt democratisch noemen.--Met het volste
regt.--
XIV. Nu moeten wij nog de mooiste staatsregeling en den mooisten man,
de tirannij en den tiran gaan beschouwen.--Juist.--Komaan dan, mijn
vriend, hoe ontstaat de tirannij? want het blijkt reeds, dat zij
door eene verandering in de democratie wordt te weeg gebragt.--Dat
blijkt.--Wordt nu de tirannij niet ongeveer op dezelfde wijs uit
de democratie geboren als deze uit de oligarchie?--Hoe dat?--Het
goed, waarnaar men streefde en de oligarchie inrigtte, was immers de
rijkdom?--Ja.--En was niet onverzadelijk jagen naar hetzelve, met
verwaarloozing van al het overige uit geldbejag, de oorzaak van den
ondergang dier staatsregeling?--Zekerlijk.--En doet nu niet insgelijks
het goed, dat de democratie najaagt, haar te gronde gaan?--Wat meent
gij?--De vrijheid. Want deze wordt toch in een democratischen staat
als zijn grootste voorregt geprezen, en men zegt immers, dat juist
daarom zulk een staat de eenige geschikte verblijfplaats voor een
vrijzinnig mensch is.--Dat wordt meermalen gezegd.--Maakt dan nu
niet het onverzadelijk najagen van dit goed, met verwaarloozing van
het overige, dat deze staatsregeling omslaat en in tirannij moet
veranderen?--Hoe meent gij dat?--Wanneer, geloof ik, een democratische
staat, die naar vrijheid dorst, slechte schenkers tot voorstanders
krijgt, en door bovenmatig gebruik daarvan dronken wordt, dan bestraft
men de overheden, zoo zij niet heel zacht zijn en veel vrijheid
geven, als slechte menschen en oligarchen.--Dat is het gewone.--En
die aan de overheden gehoorzamen worden als vrijwillige slaven en
laaghartigen veracht, maar de overheden, die zich als onderdanen, de
onderdanen, die zich als overheden gedragen, worden in ’t bijzonder en
in ’t openbaar geprezen en vereerd. Is in zulk een staat de vrijheid
niet alles?--Natuurlijk.--En de regeringloosheid dringt dan ook in
de huizen en strekt zich ten laatste tot over de beesten uit.--Hoe
zoo?--Wel; de vader gewent zich aan zijne zonen gelijk te wezen en die
te ontzien; en de zoon stelt zich aan den vader gelijk en eerbiedigt
of vreest zijne ouders niet langer, om toch maar vrij te wezen; en
de dáár wonende of vertoevende vreemden stellen zich gelijk aan de
burgers.--Zoo gaat het.--Er gebeuren dan nog meer kleinigheden van
dien aard: de leermeester ontziet en vreest zijne leerlingen, en de
leerlingen hebben geen eerbied voor leermeesters of opvoeders. En in ’t
geheel stellen de jongeren zich in woorden en daden op ééne lijn met
de ouderen, en de ouderen dalen tot de jongeren af, en zijn vrolijk en
aardig, om den schijn van knorrigheid en heerschzucht toch vooral te
mijden.--Juist.--En de hoogste trap van vrijheid, mijn vriend, is deze,
dat gekochte slaven en slavinnen even vrij zijn als hunne meesters. En
de gelijkheid en vrijheid, die tusschen mannen en vrouwen plaats vindt,
hadden wij nog haast vergeten te noemen. Verder; om nu maar alles wat
ons voor den mond komt te zeggen, iemand, die het niet wist, zou niet
gelooven hoeveel vrijer de huisdieren hier zijn dan elders. Want hier
wordt het spreekwoord bewaarheid: «gelijk de jufvrouw is, zoo is haar
hondeke.» Ook de paarden en ezels bewegen zich vrij, en loopen op
straat de menschen tegen het lijf, die niet uit den weg gaan, enz.--Dat
weet ik bij ondervinding.--En, om nu alles in eens te zeggen, gij
merkt, hoe gevoelig dit alles de zielen der burgers maakt, zoodat zij
om den minsten dwang boos worden, en dien niet dulden, en ten laatste
zelfs geen geschrevene of ongeschrevene wetten meer eerbiedigen,
om toch volstrekt niets boven zich te hebben.--Daar weet ik van te
getuigen.--
XV. Deze schoone en onbekrompene staatsregeling nu is, naar mij
voorkomt, mijn vriend! de bron der tirannij.--Onbekrompen is zij zeker;
maar wat verder?--Dezelfde ziekte, die de oligarchie deed te gronde
gaan, ontstaat hier door de vrijheid nog veel meer, en verderft ook de
democratie. En in waarheid pleegt bij weersgesteldheid, bij planten,
bij dieren, en vooral ook bij staatsregelingen overmaat in eenig
opzigt eene groote verandering in het tegenovergestelde te weeg te
brengen.--Dat schijnt zoo.--Overmaat van vrijheid schijnt dus ook bij
enkelen en bij staten in bovenmatige slavernij te veranderen.--Dat zou
men zeggen.--Dan moet ook de tiranny uit de democratie ontstaan; uit de
hoogstmogelijke vrijheid de hoogstmogelijke en ergste slavernij.--Dat
laat zich hooren.--Dit was het echter, geloof ik, niet, wat gij
meendet; maar wel, hoedanig eene ziekte zoowel de oligarchie als de
democratie in ’t verderf stort.--Juist.--Ik bedoel dat geslacht van
ledige, verkwistende menschen, waarvan de moedigsten voorgaan en de
lafhartigsten volgen; waarvan wij de eersten bij hommels met angels,
de laatsten bij hommels zonder angels vergeleken hebben.--En te
regt.--Dezen nu zijn in elke staatsregeling even hinderlijk als slijm
en gal in het ligchaam. Een goed geneesheer en wetgever van een staat
moet dan ook niet minder dan een goed bijenhouder zorgen, vooreerst,
dat zij niet ontstaan, en ten anderen, als zij ontstaan, dat zij
zoo spoedig mogelijk met de honigraten, waarin zij nestelen, worden
uitgeroeid.--Dat is volstrekt noodig.--
XVI. Laat ons het dan zóó aanpakken, om duidelijker te zien, wat
wij willen.--Hoe?--Laat ons in een democratischen staat drie deelen
onderscheiden, die er dan ook waarlijk in gevonden worden. Want
vooreerst ontstaat in haar door de vrijheid de gezegde soort van
menschen, en wel niet minder dan in de oligarchie.--Dat is zoo.--Zij
zijn echter hier veel erger dan dáár.--Hoe dat?--Omdat zij dáár
veracht en van overheidsposten uitgesloten waren, konden zij zich
niet oefenen noch magtig worden; maar in eene democratie hebben zij
meestal den boventoon. De vinnigsten hunner voeren dan het woord en
moeijen zich met staatszaken, en de anderen gonzen rond de regtbanken
en dulden geen tegenspraak, zoodat in zulk een staat de meeste dingen
door hen bestuurd worden.--Juist.--Aanhoudend scheidt zich echter
nog een tweede partij uit het volk af.--Welke?--Als ieder zijn best
doet, om geld te verzamelen, dan worden de geschiktste menschen
meestal de rijkste.--Dat spreekt.--Dan zijn zij het ook, van wie de
hommels den meesten honig afhalen.--Natuurlijk; want van hem, die
weinig heeft, is niet veel te halen.--Die rijken kan men dus het
voeder der hommels noemen.--Daar hebben zij veel van.--En de derde
partij is het eigenlijke volk, dat van zijnen arbeid leeft, en zich
weinig met staatszaken bemoeit, en weinig bezit, hetwelk in eene
democratie in de volksvergadering de grootste magt uitoefent.--Dat is
zoo, maar het heeft geen lust die magt dikwijls te gaan uitoefenen,
zoo het niet ook wat van den honig krijgt.--Het krijgt er dan ook
voortdurend zoo veel van, als de toongevers van de rijken kunnen
afhalen, hetwelk zij zóó aan het volk uitdeelen, dat zij zelve
het meeste houden.--Ja zóó krijgt het ook wat.--Maar dan worden,
geloof ik, zij, van wie dat wordt afgehaald, genoodzaakt zich met
woorden en daden zooveel zij kunnen te verdedigen.--Natuurlijk.--En
daarom worden zij, ook al verlangen zij geen omwenteling, door de
anderen beschuldigd, dat zij tegen de democratie zamenspannen en
oligarchisch gezind zijn.--Dat spreekt.--En eindelijk, wanneer zij
zien, dat het volk, niet uit eigen beweging, maar uit onwetendheid
en misleid door de lasteraars, hen poogt te mishandelen, dan worden
zij willens of onwillens oligarchen, niet uit eigene beweging, maar
omdat zij door die kwade hommels gestoken worden.--Dat kan niet
anders.--Daardoor ontstaan dan twisten, aangiften, pleitgedingen,
enz.--En is nu het volk niet gewoon steeds éénen tot leider te nemen,
en dien tot groot aanzien te verheffen?--Ja.--Hieruit blijkt het
dus, dat, als er een tiran opkomt, die uit niets anders ontstaat,
dan uit den wortel der volksleiding.--Dat blijkt.--En hoe begint nu
die verandering van volksleider in tiran? Is het niet duidelijk,
dat dit plaats heeft, wanneer het met dien volksleider gaat, zoo
als in de overlevering aangaande den tempel van ~Zeus Lycaeus~ in
Arcadie?--Hoe is die overlevering?--Dat hij, die bij het offermaal
van het menschenvleesch, dat onder het andere vleesch fijn gehakt is,
geproefd heeft, onvermijdelijk een wolf wordt. Of hebt gij dat nooit
gehoord?--Ja wel.--Wie dan nu als leider van een naar hem luisterend
volk, zich niet van het bloed zijner medeburgers onthoudt, maar door
valsche beschuldiging, zoo als die menschen gewoon zijn, geregtelijke
moorden laat plaats hebben, en met zijn verfoeijelijke tong en mond
menschenbloed proeft, en verbanning, ter doodbrenging, afschaffing van
schulden, verdeeling van landerijen te weeg brengt; over hem is het
besloten, óf door zijne vijanden verdelgd te worden, óf zich tot tiran
te verheffen, en zóó van een mensch in een wolf te veranderen.--Dat
kan niet anders.--Hij begint dan met openlijken krijg tegen allen, die
geld hebben.--En als hij dan moet wijken, maar tegen den zin zijner
vijanden terugkeert, dan keert hij terug als een volkomen tiran.--Dat
spreekt.--En als dezen hem dan niet tot dood of ballingschap kunnen
laten veroordeelen, trachten zij hem heimelijk te vermoorden.--Zoo
gaat het.--En dan is het een gewone maatregel van ieder, die in het
streven naar tirannij tot hier gekomen is, dat hij van het volk
eenige wachters verzoekt, opdat de voorstander des volks veilig moge
wezen.--Juist.--En dan geeft het volk die, voor hém bevreesd zijnde en
voor zich zelf geen kwaad duchtende.--Ja.--En als dan de rijken, die
den naam van vijanden der democratie hebben, dat zien, vlugten zij,
en schamen zich niet lafhartig te zijn.--Zij zouden zich dan ook niet
voor de tweede keer kunnen schamen.--En die uit hen gegrepen wordt,
is aan den dood gewijd.--Dat kan niet anders.--En dan blijkt het, dat
die voorstander des volks niet verslagen is, maar zijne tegenstanders
verslagen hebbende, zelf aan het hoofd van den staat is gekomen, en
van een voorstander des volks in een tiran is veranderd.--Dat is
onvermijdelijk.--
XVII. Laat ons nu het geluk van zulk een man en van den staat, waarin
hij ontstaan is, beschouwen.--Met vermaak.--In den eersten tijd is
hij vriendelijk en voorkomend jegens allen, die hij ontmoet, en zegt:
dat hij geen tiran is; en belooft veel aan enkelen en aan het volk,
en scheldt schulden kwijt, en verdeelt akkers onder het volk en onder
zijne vrienden, en veinst goedwilligheid en voorkomendheid jegens
allen.--Natuurlijk.--Maar wanneer hij de vijanden van binnen deels
bevredigd, deels bedwongen, en van dien kant rust bekomen heeft, dan
verwekt hij telkens weer oorlog, opdat de burgers eenen aanvoerder
noodig hebben.--Dat spreekt.--En ook om hen door opbrengsten te
verarmen, en ze daardoor te beletten hun werk te verzuimen en hem lagen
te leggen.--Natuurlijk.--En ook om allen, die hij voor vrijzinnig en
voor vijanden van zijn oppergezag houdt, onder een goed voorwendsel
door de vijanden te laten ombrengen; om dit alles moet een tiran
aanhoudend oorlog verwekken.--Dat moet hij.--En daardoor moet bij
telkens meer bij de burgers in haat komen.--Ongetwijfeld.--En ook
zullen de moedigsten zijner partijgangers, die hem verheven hebben en
nu magtig zijn, vrijelijk tegen hem en tegen elkander hunne afkeuring
over den gang des bestuurs te kennen geven.--Dat is wel denkelijk.--Die
allen moet de tiran, om te blijven regeren, uit den weg ruimen, tot
dat hij onder zijne vrienden of vijanden geen uitstekend persoon meer
heeft overgelaten.--Dat spreekt.--Dus moet hij scherp toezien, wie
moedig, onbekrompen, verstandig of rijk is; en hij is zóó gelukkig
van die allen, willens of onwillens, vijandig te moeten behandelen,
tot dat hij den staat van hen gezuiverd heeft.--Dat is een fraaije
zuivering.--Ja, het is juist het tegenovergestelde van hetgeen de
geneesheeren met het ligchaam doen; want dezen nemen het slechtste
weg en laten het beste blijven, maar hij handelt omgekeerd.--Hij kan
moeijelijk anders doen, zoo hij zijn gezag wil behouden.--
XVIII. Dan is hij in de rampzalige noodzakelijkheid van óf met de
minstwaardigen te wonen en door dezen ook nog gehaat te worden, óf zijn
leven te verliezen.--Dat is zoo.--En naarmate hij door die handelwijs
meer bij de burgers gehaat wordt, heeft hij meer en getrouwer
lijfwachters noodig.--Natuurlijk.--En wie zijn nu die getrouwen, en
vanwaar zal hij ze bekomen?--Velen zullen van zelfs komen aanvliegen,
als hij maar loon geeft.--Het schijnt, dat gij vreemde hommels uit
allerlei landen bedoelt.--Juist; zóó meen ik het.--En zal hij die
ook niet willen hebben, die in zijn eigen land te vinden zijn.--Wie
meent gij?--Slaven, die hij aan de burgers ontneemt en vrij maakt,
om ze onder zijne lijfwacht te steken.--Wel zeker, daar kan hij het
allermeest op rekenen.--Dat is dan toch diep rampzalig, dat hij zich
op zulke vrienden en getrouwen moet verlaten, na het verdelgen der
vorigen.--Ja, dat is nu niet anders.--En deze zijne vrienden bewonderen
hem dan, en de jonge burgers sluiten zich bij hen aan, maar alle
edeldenkenden haten en ontvlieden hem.--Ongetwijfeld.--Heet nu het
treurspel niet wijs, en munt ~Euripides~ daar niet in uit?--Wat moet
dat?--Wél, omdat wij dáár het diepzinnige gezegde gehoord hebben, dat
de tirannen wijs worden door den omgang met wijze mannen. Hij zegt
dus: dat zij, die met een tiran omgaan, wijs zijn.--Ja, en hij prijst
de tiranny als iets goddelijks, en zegt er nog vrij wat meer van, en
de andere dichters doen hetzelfde.--Daar dan nu die treurspeldichters
zoo wijs zijn, zullen zij het ons en de staatkundigen van onze kleur
niet kwalijk nemen, dat wij hen in onzen staat niet opnemen, omdat zij
de tiranny prijzen.--Ik denk van neen, voor zoo ver zij ten minste
beschaafd zijn.--Zij zullen dan, denk ik, de andere staten rondreizen,
en zangers met schoone, sterke, heldere stemmen huren, en voor het
verzamelde volk de tiranny of de democratie als de beste staatsregeling
prijzen.--Waarschijnlijk.--En dan worden zij natuurlijk daarvoor
betaald en geëerd, vooral door de tirannen, maar toch ook door de
democratische staten. Maar naarmate zij komen bij staten, die op een
hooger trap staan, blijven die eerbewijzingen meer achter, daar deze
niet zoo hoog kunnen klimmen.--Dat is natuurlijk.--
XIX. Doch wij zijn van ons onderwerp afgedwaald; laat ons liever eens
zeggen, waarvan die schoone, talrijke, bonte, steeds afwisselende
troepen des tirans zullen onderhouden worden.--Hij zal eerst de
schatten der tempels en de goederen der veroordeelden aanspreken, en,
zoolang die strekken, weinig belastingen van het volk eischen.--En als
dat geld op is?--Dan zal hij zich zelven, en zijne gasten, vrienden en
vriendinnen uit zijn vaderlijk goed onderhouden.--Ik begrijp u, zeide
ik; gij meent, dat het volk, dat den tiran geteeld heeft, hem met de
zijnen mag voeden.--Natuurlijk.--Maar, als dan het volk boos wordt,
en zegt: dat een volwassen zoon niet door zijn vader moet onderhouden
worden, maar omgekeerd; en dat het hem niet geteeld en verheven heeft,
om zelf, als hij groot was geworden, zijn eigen slaven te dienen, en
hem met zijne dienaars en een hoop vreemden te voeden, maar om door
zijn bestuur van het juk der rijken en der edelen verlost te worden;
en als het hem beveelt met zijne vrienden den staat te ruimen, zoo
als een vader zijnen zoon met diens luidruchtige gasten uit het huis
zet?--Dan zal het volk merken, welk een schepsel het teelde, koesterde
en groot bragt; en dat het zijne meerderen poogt uit te drijven.--Wat
zegt gij daar? Zal de tiran zijnen vader durven verdrukken, en, als
hij niet gehoorzaamt, afrossen?--Ja zeker, na hem eerst ontwapend te
hebben.--Dan is een tiran, volgens uwe woorden, een slecht kind jegens
zijnen ouden vader, ja zoo goed als een vadermoorder; en is dit dan
wel volmaakte tiranny; en dan is, volgens het spreekwoord, het volk,
om den rook van de gehoorzaamheid aan vrijen te ontgaan, in het vuur
der dienstbaarheid aan slaven gevallen; en dan heeft het, in plaats
van die groote, bovenmatige vrijheid, zich de drukkendste en bitterste
slavernij op den hals gehaald.--Juist; dat is er gebeurd.--Hebben wij nu
niet voldoende besproken, hoe de democratie in tiranny overgaat, en hoe
de natuurlijke gesteldheid is van die laatste?--Geheel voldoende.--