VIJFDE BOEK.

I. Een staat dus en een mensch, waarmede het zóó gesteld is, heet ik

goed en regt, en bij gevolg de tegenovergestelde slecht en verkeerd;

en ik beweer, dat er zoowel in de staatsinrigting als in de ziel van

een enkel mensch vier verschillende soorten van slechtheid gevonden

worden.--Welke zijn die? zeide hij.--

Toen ging ik ze achter elkander opnoemen, zoo als ik dacht, dat zij

uit elkander voortkwamen; maar ~Polemarchus~, die een weinig verder

van mij af zat, dan ~Adimantus~, stak zijne hand uit, pakte hem bij

den schouder, en trok hem naar zich toe, en zelf voorover buigende

fluisterde hij hem wat in, waarvan ik niets anders hoorde dan dit:

willen wij hem dan maar loslaten?--Wel neen! zeide ~Adimantus~ weer

hard op.--Toen zeide ik: wien wilt gij niet loslaten?--U, zeide

hij.--En waarom dat?--Gij maakt het u gemakkelijk, en smokkelt een

belangrijk stuk der redenering weg, en gij denkt dat wij het niet

zullen merken, wanneer gij zoo maar zonder bewijs zegt, dat gelijk

ieder inziet, alles, dus ook vrouwen en kinderen, onder vrienden gemeen

is.--Maar is dat dan geen waarheid, ~Adimantus~! zeide ik?--Misschien

wel, zeide hij. Doch deze waarheid moet even als de rest betoogd

worden, en gij moet zeggen, welke wijze van gemeenschap gij hebben

wilt. Want er zijn er velerlei denkbaar. Verzwijg daarom niet, hoe gij

het wilt. Want wij wachten al zoo lang, of gij ook zeggen zult, hoe ze

dan toch kinderen moeten verwekken, en hoe zij die moeten opvoeden,

en hoe die heele gemeenschap van vrouwen en kinderen moet wezen; want

wij gelooven, dat het voor den staat een groot onderscheid maakt, of

dit al of niet behoorlijk geregeld wordt. Spreek dus nu niet van eene

andere staatsregeling, voordat gij dit voldoende hebt uiteengezet, want

wij hebben, zoo als gij gehoord hebt, besloten, u niet los te laten,

voordat gij dit even als de rest hebt behandeld.--Aan dat besluit

geef ik mijne stem ook, zeide ~Glauco~.--Houd het er dan maar voor,

~Socrates~, zeide ~Thrasymachus~, dat wij allen van dit gevoelen zijn.--

II. Wat hebt gij gedaan, zeide ik, met mij vast te houden! welk een

lange staatkundige redenering maakt gij daar op nieuws weer aan den

gang! Ik was al verheugd, dat ik er door was, en heel tevreden, zoo

men dit punt maar als afgedaan wilde beschouwen. Gij weet niet, nu

gij het aanroert, welk een zwerm van woorden gij opwekt, die ik al

zag aankomen en daarom gemakshalve maar heb ontweken.--Wat! zeide

~Thrasymachus~, denkt gij dan, dat dezen hier zijn gekomen om geld te

betalen en niet om redeneringen te hooren[102]?--Nu ja, zeide ik, met

mate.--Maar, ~Socrates~! zeide ~Glauco~, voor een verstandig mensch is

zijn heele leven de maat tot het hooren van zulke redeneringen. Maar

laat óns nu maar rusten, en wees zoo goed tot antwoord op onze vraag

te beredeneren, hoe, naar uw oordeel, de gemeenschap van vrouwen en

kinderen bij onze wachters moet wezen, en hoe de opvoeding zijn moet,

van dat de kinderen geboren worden, tot dat zij naar school gaan,

want dat is het allerlastigste. Beproef dan te zeggen, hoe die zijn

moet.--Het is niet gemakkelijk dit te betoogen, mijn vriend, zeide ik,

want het is nog veel meer dan het behandelde aan twijfel onderhevig.

Want men zal twijfelen, of het wel mogelijk is; en dan, al is het

mogelijk, of het wel het beste is. Daarom heb ik weinig zin het aan

te pakken, mijn vriend! uit vrees, dat ik schijnen zal luchtkasteelen

te bouwen.--Trek u dat niet aan, want uwe toehoorders zijn toch niet

zoo heel onbegrijpelijk, of ongeloovig, of u ongenegen.--Zegt gij

dat, zeide ik, om mij moed in te spreken?--Ja, zeide hij.--Gij doet

echter juist het tegendeel; want zoo ik het meende te weten, dan was

dat een goede aansporing, daar het veilig en opwekkend is, onder

verstandige vrienden voor de waarheid, die men weet, uit te komen;

maar, wanneer men er zelf niet zeker van is, en al sprekende zelf

moet onderzoeken, zoo als ik doe, dan heeft men te vreezen voor het

gevaar, niet van uitgelagchen te worden, want dat is kinderachtig,

maar van, als men de waarheid niet treffen kan, zijne vrienden mede

te slepen in dwalingen omtrent de allerbelangrijkste dingen. Ik zal

dan bij hetgeen ik ga zeggen ~Adrastea~[103] maar aanroepen, ~Glauco~!

want iemand bij ongeluk te dooden, houd ik voor minder erg dan hem te

bedriegen in hetgeen schoon, goed, regtvaardig en wettig is. En ik

wilde toch altijd nog liever mijne vijanden dan mijne vrienden aan zulk

gevaar blootstellen; zoodat gij mij op een verkeerde wijs moed poogt

in te spreken.--Toen begon ~Glauco~ te lagchen, en zeide: ~Socrates!~

zoo wij door die redenering ongelukkig worden, dan willen wij u toch

van doodslag en bedrog vrijspreken. Ga maar gerust voort.--Voor de

regtbank, zeide ik, geldt de vrijgesprokene voor onschuldig; dus zal

het hier ook wel zoo wezen.--Zeg dan maar op.--Ik moet dan, zeide

ik, nu weer zeggen, wat daar straks welligt meer op zijn plaats was.

Het is echter misschien beter, dat wij de mannen eerst geheel hebben

afgehandeld, voor wij aan de vrouwen beginnen, vooral daar gij er nu

zóó op aandringt.

III. Menschen toch, die zóó, als wij beredeneerd hebben, zijn geboren

en opgevoed, moeten, naar mijn inzien, ook ten opzigte van hunne

vrouwen en kinderen geen anderen weg volgen, dan dien wij reeds van

den beginne zijn ingeslagen. Wij poogden immers in onze redenering

de mannen als bewakers eener kudde af te schilderen?--Ja.--Wij

moeten dus onderzoeken, of die vergelijking ook op de geboorte en

de opvoeding toepasselijk is.--Hoe meent gij dat?--Aldus. Oordeelen

wij, dat de wijfjes der herdershonden met de mannetjes meê moeten de

wacht houden, jagen enz., of dat zij te huis moeten blijven, en van

die bezigheden door het jongen en het voeden der jongen moeten worden

afgehouden, terwijl de anderen al de moeite en zorg voor de kudde op

zich nemen.--Alles is aan beiden gemeen, behalve dat wij de wijfjes

als zwakker dan de mannetjes aanmerken.--En kunnen wij nu twee dieren

tot hetzelfde gebruiken, zoo zij volstrekt niet op dezelfde wijze

zijn opgevoed?--Wel neen.--Zoo wij dus de vrouwen voor hetzelfde

werk als de mannen willen bezigen, moeten wij haar ook hetzelfde

onderwijs geven.--Ja.--En aan de mannen gaven wij onderwijs in de

muzenkunst en in de gymnastiek?--Ja.--Dus moeten de vrouwen dat ook

leeren, en tevens wat tot den oorlog behoort; en dan moeten zij tot

hetzelfde werk gebruikt worden.--Dat volgt uit het gezegde.--Misschien

zal er hier veel voorkomen, dat bij de toepassing ongewoon en

bespottelijk zou schijnen.--Dat is denkelijk.--En wat vindt gij wel

het allerbespottelijkste? Zeker wel, dat de vrouwen, zoowel jonge als

oude, naakt met de mannen aan de ligchaamsoefeningen deel nemen; even

als tegenwoordig de grijsaards, die, al zijn ze rimpelig en leelijk,

toch vermaak in die oefeningen hebben?--Ja waarlijk, dat is naar de

tegenwoordige zeden al heel bespottelijk.--Edoch, nu wij eens aan den

gang zijn, moeten wij niet geven om den spot van geestige lieden over

die verandering in de ligchaamsoefeningen, in de muzenkunst, en vooral

in het dragen der wapenen en het paardrijden.--Daar hebt gij gelijk

in.--Daar wij dus aan den gang zijn, moeten wij door alles heen bijten,

en die menschen verzoeken hunne aanmerkingen te huis te houden, en de

zaak ernstig te bezien; en wij moeten hen herinneren, dat het nog zoo

lang niet geleden is, toen de Grieken het, even als nu de barbaren,

schandelijk en belagchelijk vonden, naakte mannen te zien. En toen

eerst de Cretensers, vervolgens de Lacedaemoniers, die oefeningen

van naakte mannen invoerden, konden de geestige lieden van dien tijd

allerlei zulke aanmerkingen uitkramen. Vindt gij dat ook niet?--Wel

zeker.--Nadat het echter gebleken is, geloof ik, dat die oefeningen

zonder kleederen beter gaan dan met kleederen, is al die schijnbare

bespottelijkheid verdrongen door hetgeen het verstand als beter leerde

inzien; en daardoor is het gebleken, dat hij een dwaas is, die iets

anders bespottelijk vindt dan het kwade; en dat hij, die bij zijne

geestigheden eenen anderen maatstaf neemt voor het bespottelijke dan

hetgeen onverstandig en slecht is, ook bij zijne ernstige bezigheden

een ander doel beoogt dan het goede.--Dat is zeker.--

IV. Moeten wij het dus niet vooreerst eens worden, of het mogelijk is,

of niet; en ter voorkoming van alle tegenwerpingen van grappemakers

of van ernstige lieden zoeken te beslissen, of de vrouw alle werk met

den man meê kan doen, of dat zij niets meê kan doen, of het ééne

wel en het andere niet; en indien het laatste waar is, hoe het dan

met de oorlogszaken gelegen is? Zou dit niet het beste begin zijn,

en bij gevolg ook tot het beste besluit leiden?--Zekerlijk.--Willen

wij dan nu ons zelven maar eens tegenspreken, ten einde onze partij

niet zonder verdediging te laten?--Met genoegen.--Wij moeten dan

zóó spreken. «Hoor eens ~Socrates~! en ~Glauco~! een ander behoeft

u niet te weêrleggen; want gij hebt zelve bij het stichten van den

staat beredeneerd, dat ieder naar zijnen aard één bepaald beroep moet

uitoefenen.» Dat hebben wij beredeneerd. «Maar is nu de aard van

een vrouw niet zeer verschillend van dien van een man?» Ja. «Maar

moeten wij dan niet aan ieder een werk geven, dat met zijnen aard

overeenkomt?» Natuurlijk. «Maar dan hebt gij het ook mis, en spreekt

u zelven tegen, als gij beweert, dat mannen en vrouwen, die zóó zeer

verschillen, hetzelfde werk moeten doen?» ~Glauco!~ weet gij daarop

een behoorlijk antwoord te geven?--Zoo op het oogenblik is dat niet

bijzonder gemakkelijk, doch ik zal u dan maar verzoeken insgelijks

te zeggen, wat wij tot verdediging kunnen inbrengen.--Dit is nu een

staaltje van de zwarigheden, ~Glauco~! die mij huiverig en bevreesd

maakten voor het behandelen van de vrouwen en kinderenwet.--Het schijnt

dan ook niet gemakkelijk.--Neen, waarlijk niet. Het is er echter zóó

meê gesteld. Of iemand in een vijvertje valt of in het midden van den

oceaan, hij gaat altijd zwemmen.--Dat is zeker.--Dus moeten wij ook

maar gaan zwemmen, en ons uit die redenering pogen te redden, in de

hoop, dat een dolfijn ons zal opnemen, of dat wij door een ander wonder

zullen behouden worden.--Dat is het beste.--Komaan dan, wij willen

beproeven er uit te komen. Wij hebben gezegd, dat bij verschil van

aard het werk moet verschillen, en dat de aard eener vrouw verschilt

van dien van een man, en toch beweren wij, dat die twee hetzelfde werk

doen moeten. Is dat niet hetgeen ons verweten wordt?--Ja.--~Glauco~!

dat maken van drogredenen is toch al heel algemeen.--Hoe zoo?--Omdat

velen, geloof ik, zelfs tegen hunnen wil er toe vervallen, en meenen,

dat zij niet kijven, maar goed redeneren, daar zij niet in staat zijn

bij hun onderzoek de verschillende soorten te onderscheiden, maar,

hunne tegenspraak op een woordenspel bouwende, zich wederzijds van

drogredenen, niet van goede redenering, bedienen.--Dat gebeurt zeker

dikwijls, maar wat hebben wij er op het oogenblik meê te maken?--Heel

veel, want wij maken ons er zelven aan schuldig.--Hoe dat?--Wij

slaan moedig door op de stelling, dat verschil van aard verschil van

werk vordert; maar wij hebben geheel en al verzuimd te onderzoeken,

waarin eigenlijk het verschil en de overeenkomst van aard gelegen is,

als men zegt, dat verschil van aard verschillend, en overeenkomst

van aard overeenkomstig werk vordert.--Dat is waar, dat hebben wij

verzuimd.--Wij moeten dan ons zelven nog eens vragen, of de aard van

een kaalkop en van een langharige niet tegen elkander overstaan, en of

wij toch daarom kunnen beweren, dat als een kaalkop een schoenmaker

is, een langharige dat niet zijn kan, en omgekeerd.--Dat zou dwaas

zijn.--En ligt dat nu wel ergens anders aan, dan dat wij in het begin

niet van verschil en overeenkomst van aard in het algemeen gesproken

hebben, maar overeenkomst en verschil alleen met betrekking tot de

verschillende werkzaamheden vasthielden, zoo als wij b. v. zeiden,

dat een geneesheer en een, die aanleg voor de geneeskunst bezit, in

zooverre denzelfden aard hebben. Vindt gij dat ook niet?--Ja.--En dat

een geneeskundige en een, die voor timmeren geschikt is, van aard

verschillen.--Ongetwijfeld.--

V. Wanneer dus het mannelijk of het vrouwelijk geslacht bijzondere

geschiktheid voor eenige kunst of werkzaamheid blijkt te hebben, dan

zullen wij die daaraan moeten toewijzen; maar zoo het onderscheid

alleen daarin blijkt te bestaan, dat de vrouwen baren en de mannen

telen[104], dan zullen wij zeggen, dat het volstrekt niet bewezen is,

dat de vrouw in de dingen waarvan wij spreken van den man verschilt;

en wij zullen blijven oordeelen, dat onze wachters en hunne vrouwen

hetzelfde werk moeten doen.--Juist zoo.--Wij verlangen dus van hem,

die ons tegenspreekt, dat hij aantoone, in welke kunst of bezigheid,

die op den staat betrekking heeft, de aard van de vrouw niet

dezelfde is als die van den man, maar het tegenovergestelde?--Dat is

billijk.--Misschien zou nu ook een ander wel hetzelfde zeggen, dat gij

daareven zeidet, te weten: dat het niet gemakkelijk is, dit zoo op een

oogenblik aan te toonen, maar dat hij er wel kans op zou zien, als wij

hem maar tijd gunden, om er over na te denken.--Waarschijnlijk.--Willen

wij dan nu dien tegenspreker maar verzoeken ons te volgen, of

wij hem misschien kunnen aantoonen, dat de vrouw ten opzigte van

het staatsbestuur niets heeft, dat haar alleen eigen is.--Dat is

goed.--Komaan dan, zullen wij tot hem zeggen, antwoord eens. Vindt

gij niet, dat de één een geschikten aard voor eenige zaak heeft en de

ander niet, wanneer de één die gemakkelijk kan leeren, en de ander

moeijelijk; en de één bij weinig studie reeds veel zelf kan vinden,

de ander bij veel studie en inspanning op zijn best het geleerde kan

vasthouden; en het ligchaam van den éénen zijnen geest ten dienste

staat, dat van den ander dien tegenwerkt? Bepaalt gij den wél of

niet voor eenig vak geschikten aanleg niet naar deze punten?--Dat

zal niemand ontkennen, zeide hij.--Weet gij nu eenige menschelijke

bezigheid, waarin niet in al deze punten het mannelijk geslacht het

vrouwelijke overtreft? of moeten wij nu nog zeuren over het weven, en

het koken en bakken, waarin het vrouwelijk geslacht heel wat schijnt

te wezen, en zonder schande niet kan onderdoen?--Gij hebt gelijk,

dat in alles, om zoo te zeggen, het eene geslacht het andere de baas

is. Wel is waar overtreffen vele vrouwen vele mannen in verscheidene

dingen, maar over het geheel is het zoo als gij zegt.--Dus, mijn

vriend, heeft ook onder de burgers geene vrouw, omdat zij vrouw, of

geen man, omdat hij man is, een eigen werk, maar de aard van beiden

is over ’t geheel gelijksoortig, en vrouwen en mannen hebben deel aan

alle bezigheden, maar in alles is de vrouw zwakker dan de man.--Dat

is waar.--Zullen wij dan aan de mannen alles en aan de vrouwen niets

opdragen?--Wel neen.--Maar wij zullen dan ook, geloof ik, zeggen, dat

de eene vrouw aanleg voor geneeskunst of muzijk heeft, en de andere

niet.--Natuurlijk.--En dat de eene geschikt is voor den oorlog en de

ligchaamsoefeningen, maar de andere niet.--Juist.--En zoo zijn er ook

die wijsgeerig onderzoek beminnen en die het haten; en die moedig

zijn, zoowel als die geen moed hebben.--Dat is ook waar.--Dus zijn er

ook vrouwen, die voor wachters kunnen dienen, en andere, die hiervoor

onbruikbaar zijn. Of hebben wij niet bij het kiezen der mannelijke

wachters dezelfde kenmerken gebezigd?--Dezelfde.--Dus is de aanleg

van de vrouw en van den man ten opzigte van het bewaken van den staat

dezelfde, behalve dat de eerste zwakker is, en de tweede sterker.--Dat

schijnt zoo.--

VI. Dus moeten wij dan ook zulke vrouwen uitkiezen, om met zulke

mannen zamen te wonen en den staat te bewaken, nademaal zij van

natuur voor elkander geschikt en aan elkander verwant zijn.--Dat

spreekt.--En moeten wij haar, daar zij denzelfden aanleg hebben,

niet hetzelfde werk geven?--Natuurlijk.--Dus komen wij dan weer op

hetzelfde punt te land, en zijn het eens, dat het niet tegennatuurlijk

is de vrouwen der wachters in de muzenkunst en in de gymnastiek te

onderwijzen.--Juist.--Dus is onze voorgestelde wet niet onmogelijk of

hersenschimmig, want zij komt met de natuur overeen, maar veel meer

is, zou ik zeggen, het tegendeel er van, hetgeen thans geschiedt, met

de natuur in strijd.--Dat vind ik ook.--En onderzochten wij niet, of

hetgeen wij zeiden het beste, en of het uitvoerbaar was?--Ja.--En dat

het uitvoerbaar is, kunnen wij als uitgemaakt aanmerken.--Ja.--Dus

moeten wij dan nu nog onderzoeken, of het wezenlijk het beste

is.--Natuurlijk.--Maar om nu eene vrouw tot wachter geschikt te

maken, hebben wij immers geene andere opleiding noodig dan bij de

mannen, vooral daar hun aanleg dezelfde is?--Wel neen.--Hoe denkt gij

dan nu hierover?--Waarover?--Dat de eene man beter is en de andere

slechter. Of houdt gij ze allen voor gelijk?--Wel neen ik.--Wie

gelooft gij dan nu, dat in den staat, dien wij stichten, betere mannen

worden: de wachters, die op de beschrevene wijs worden opgevoed, of

de schoenmakers, die door het schoenmaken gevormd worden?--Dat is

eene gekke vraag, zeide hij.--Ik vat u, zeide ik. Dus zijn dan de

wachters de beste van al de burgers.--Verreweg.--En zullen dan ook

de zóó gevormde vrouwen niet de beste der vrouwen zijn?--Zeker.--En

is er voor een staat iets heilzamers, dan dat er mannen en vrouwen

in gevormd worden, die den hoogst mogelijken trap van uitstekendheid

bereiken?--Zeker niet.--En dit zullen de muzenkunst en de gymnastiek,

op de gezegde wijs toegepast, te weeg brengen.--Natuurlijk.--Dus

maken wij hier eene bepaling, die niet slechts mogelijk, maar ook

zeer heilzaam voor den staat is.--Ja.--Dus moeten ook de vrouwen der

wachters zich uitkleeden, daar zij met de deugd in plaats van met

kleêren zullen bedekt wezen; en zij moeten deel hebben aan den krijg

en de verdere bewaking van den staat, zonder iets anders te doen; maar

van dat werk zullen wij aan de mannen het zwaardere en aan de vrouwen,

om hare mindere sterkte, het ligtere geven. En een man die lacht over

naakte vrouwen, welke zich die naaktheid, dewijl zij noodzakelijk is,

laten welgevallen, en zich daardoor als een geestig spotter wil doen

opmerken, weet klaarblijkelijk volstrekt niet, waarover hij lacht of

wat hij doet: want het is en blijft toch waarachtig, dat het nuttige

schoon en het nadeelige leelijk is.--Ongetwijfeld.--

VII. Dus zijn wij dan nu bij de vrouwenwet door die ééne golf heen

geworsteld, zonder er in te verdrinken, en kunnen vaststellen, dat onze

wachters en wachteressen alles gezamenlijk moeten uitoefenen, daar

onze redenering op geene inwendige tegenstrijdigheid schipbreuk heeft

geleden, maar tot mogelijke en heilzame uitkomsten geleid heeft.--Ja,

dat is waarlijk een golf van belang geweest, die wij ontworsteld

zijn.--Gij zult zeggen, dat het een kleintje was, als gij die ziet,

welke nu aankomt.--Komaan, die wil ik dan wel eens zien.--Op deze en

de vorige wetten volgt nu, geloof ik, dit.--Wat?--Dat al deze vrouwen

gezamenlijk aan al deze mannen moeten toebehooren, en dat geene van

haar met één bepaald man moet zamenwonen; en dat evenzoo de kinderen

gemeenschappelijk eigendom moeten zijn, en geene ouders hunne spruiten

noch deze hunne ouders mogen kennen.--Het is nog vrij wat moeijelijker

dan bij het vorige, om hier de mogelijkheid en nuttigheid van te

zien.--Ik geloof niet, dat men ligt zou twijfelen, of het nuttig is,

dat de vrouwen en de kinderen aan allen gemeen zijn, zoo het maar

kan tot stand komen; maar ik denk, dat de meeste twijfeling zich

tot de mogelijkheid zou bepalen.--Aangaande beiden valt sterk te

twijfelen.--Gij noemt daar eene reeks van redeneringen, zeide ik; want

ik meende aan de ééne te zullen ontsnappen, daar het u zeker wel nuttig

zou voorkomen, en dus alleen over het al of niet mogelijke te moeten

spreken.--Ja, maar dat heb ik wel gemerkt, en ik laat u niet los, voor

gij van beiden rekenschap geeft.--Dan moet het er maar op los. Dit ééne

kunt gij mij echter wel toestaan. Laat ik mij eens vermaken, zoo als

menschen met weinig rijkdom van denkbeelden zich vermaken, wanneer zij

alleen wandelen. Want deze geven zich de moeite niet om na te denken

over de middelen om hun doel te bereiken; maar, in plaats van zich

over hetgeen mogelijk en niet mogelijk is af te tobben, stellen zij

wat zij wenschen eenvoudig als werkelijk, en beschikken dan de rest,

en vermaken zich met zich voor te stellen, wat zij al doen zullen, als

het gebeurd is, en met zóó hun ledig hoofd nog lediger te maken. Zulk

eene vlaag van luiheid heb ik nu ook, en ik wilde nu dat onderzoek

naar de mogelijkheid eens uitstellen, en, zoo gij het toestaat, maar

eerst aannemen, dat het mogelijk is, en eens nagaan, hoe de overheden

het besturen zullen, en hoe heilzaam het voor den staat en voor de

wachters zou wezen, als het gebeurde. Dit wil ik, met uwe vergunning,

eerst onderzoeken, en dan het andere.--Ik heb er vrede meê, zeide hij,

onderzoek maar.--

Ik geloof dan, zeide ik, dat, zoo de overheden dien naam waardig

zullen wezen, en de helpers desgelijks, dezen wat hun bevolen wordt

gaarne zullen doen, en genen niet slechts zullen bevelen, maar ook

zelven aan de wetten zullen gehoorzamen, en, voor zoover wij hun de

handen vrijlaten, in denzelfden geest zullen voortgaan.--Dat is

waarschijnlijk.--Kies gij nu, als wetgever, de vrouwen even als gij

het de mannen gedaan hebt, en bezorg er ons, die zoo veel mogelijk van

denzelfden aard zijn.--Het is geschied.--Daar zij nu gemeenschappelijke

woningen en maaltijden hebben, zonder dat iemand iets in het bijzonder

bezit, en daar zij bij de ligchaamsoefeningen en de andere deelen der

opvoeding met elkander in aanraking komen, zullen zij, geloof ik,

door de noodzakelijkheid worden aangedreven, om zich met elkander te

vermengen. Vindt gij dat niet noodzakelijk?--Het zal niet gebeuren door

wiskundige noodzakelijkheid, maar door physische, zeide hij, die nog

heel wat meer dan de eerste in staat schijnt te wezen om de menigte te

overreden en meê te slepen.--

VIII. Ja vrij wat meer; maar, ~Glauco~! dat zij zich nu zonder orde

met elkander vermengen of wat dan ook doen, is in een staat van

gelukkigen niet geoorloofd, en de overheden zullen het ook niet

toelaten.--Het zou ook volstrekt niet goed zijn.--Het is dus duidelijk

dat wij de verbindtenissen zoo heilig mogelijk moeten pogen te maken;

en die het nuttigste voor den staat zijn, zullen wel de heiligste

wezen.--Voorzeker.--Hoe zullen zij dan het nuttigste zijn. Zeg gij

dit, ~Glauco~! want ik weet, dat gij vele jagthonden en edel gevogelte

houdt. Hebt gij dan, bij ~Zeus~! niet wel eens acht gegeven op hun

paren en voorttelen?--Wat meent gij.--Vooreerst zullen er onder dezen,

al zijn allen van een edel ras, toch wel bijzonder edele zijn en

geboren worden?--Ja.--Laat gij nu allen evenzeer paren, of de besten

het meest?--De besten natuurlijk het meest.--En wie meer, de jonge of

de oude, of die van bloeijenden leeftijd?--De laatsten.--En als dit

niet wordt in het oog gehouden, oordeelt gij dan niet, dat uwe vogels

en honden hoe langer hoe slechter zullen worden?--Zekerlijk.--En hoe

denkt gij over paarden en andere dieren; is het daar anders mede?--Wel

neen.--Sakkerloot, mijn vriend! welke knappe overheden moeten wij dan

hebben, als het met het menschdom eveneens gesteld is.--Het is er zeker

zóó meê gesteld.--Zij moeten dan een groot getal van kunstmiddelen

gebruiken. Als het ligchaam geen geneesmiddelen noodig heeft, maar

door een bepaalden leefregel kan geholpen worden, dan houden wij

ook een middelmatig arts voor voldoende; maar als er moet ingenomen

worden, dan weten wij, dat de behoefte aan een kundigen arts grooter

is.--Dat is waar, doch waarop doelt gij met dit te zeggen?--Hierop,

zeide ik, dat onze overheden tot nut van de onderdanen heel wat leugens

en bedrog zullen bezigen. En wij zeiden immers, dat dit alles bij

wijze van geneesmiddel bruikbaar kan wezen[105].--En te regt.--Dit nu

schijnt vooral ten opzigte van het paren en het telen van kinderen te

gelden.--Hoe dat?--Volgens het besprokene moeten de besten zoo veel

mogelijk paren, en de minsten zoo weinig mogelijk, en de spruiten

der eersten moet men opvoeden, die der laatsten niet, zoo de kudde

zoo goed mogelijk zal wezen: en dit alles moet plaats hebben zonder

dat iemand behalve de overheden het weet, zoo de troep der wachters

niet in oproer zal komen.--Dat is zeer waar.--Dus moeten er feesten

worden vastgesteld, waarop wij de bruiden en bruidegoms zullen

zamenbrengen, en offers, en liederen, die onze dichters bepaaldelijk

voor die verbindtenissen moeten maken: en de bepaling van het getal

dier verbindtenissen moeten wij aan de overheden overlaten, opdat zij

zoo veel mogelijk hetzelfde getal van wachters in stand houden, met

bijrekening van oorlog, ziekte en andere rampen; opdat onze staat

zoo veel mogelijk noch te groot noch te klein worde.--Voorzeker.--En

hiertoe moeten wij, denk ik, eene kunstige wijze van loten verzinnen,

opdat de slechten bij elke verbindtenis aan het lot, niet aan de

overheid, de schuld geven.--Juist.--

IX. En wij moeten ook aan jongelingen, die in den krijg of elders

uitmunten, onder andere belooningen, eene meerdere vrijheid tot

gemeenschap met de vrouwen geven, om onder een goeden schijn uit

hen de meeste kinderen te doen voortkomen.--Dat is goed.--En de

pasgeborene kinderen moeten dan worden opgenomen door daartoe

aangestelde overheden, uit de mannen of de vrouwen of beiden. Want de

vrouwen moeten immers ook deel aan het bestuur hebben.--Ja.--En de

kinderen uit goede ouders moeten zij dan naar de minnezaal brengen,

die in een ander deel van de stad gelegen is; maar de kinderen der

slechten of als anderen verminkte kinderen voortbrengen, moeten zij

heimelijk uit den weg ruimen.--Dat is noodig, als onze wachters niet

ontaarden zullen.--En zij moeten dan ook voor de voeding zorgen en

de moeders, wanneer hare borsten gevuld zijn, naar de minnezaal

brengen; steeds oppassende, dat geene haar kind herkenne, en wanneer

deze niet voldoende zijn, andere minnen ontbieden. Ook moeten zij

zorgen, dat die vrouwen niet te lang zogen; en het waken en oppassen

moeten zij aan andere voedsters opdragen.--Gij maakt het kinderen

krijgen voor de vrouwen der wachters al heel gemakkelijk.--Dat is ook

noodig; maar laat ons nu het vervolg beredeneren. Wij zeiden immers,

dat de kinderen moesten geteeld worden uit menschen in bloeijenden

leeftijd.--Ja.--En die tijd duurt voor den man dertig, voor de vrouw

twintig jaren.--Te weten?--Eene vrouw is van haar twintigste tot haar

veertigste jaar geschikt om kinderen voor den staat te baren; een

man is goed voor de voortteling van het bedaren zijner eerste hevige

driften tot dat hij vijf en vijftig jaar oud is.--In dien tijd althans

zijn beiden in krachten in verstand op hun toppunt.--En wanneer nu

een oudere of jongere aan de voortteling wil deelnemen, zullen wij

hem van onregtvaardigheid en goddeloosheid beschuldigen, daar hij een

kind voor den staat zoekt te verwekken, dat, zoo de misdaad verborgen

blijft, zal geteeld zijn zonder de offers en de gebeden, die bij

iedere verbindtenis door priesters en priesteressen en den geheelen

staat zullen gedaan worden, opdat uit goeden beteren, uit bruikbaren

nog meer bruikbaren mogen voortkomen, maar hetwelk in tegendeel in ’t

geheim en door erge ongebondenheid is verwekt.--Best.--En dezelfde

wet is van toepassing, wanneer iemand, die zelf in den bloeijenden

leeftijd is, eene vrouw van dien leeftijd zonder vergunning der

overheid aanraakt; want wij zullen zeggen, dat hij dan een zonder

verloving of offer geteelden bastaard voor den staat zoekt te

verwekken.--Volkomen goed.--Maar wanneer nu de vrouwen en de mannen

den tijd van het voorttelen te boven zijn, dan zullen wij hun vrijheid

geven, om gemeenschap te oefenen met wien zij willen, behalve met

de aanverwanten in opgaande of afgaande linie; onder uitdrukkelijke

vermaning echter, om liefst geen kinderen te laten geboren worden,

en anders ze te vondeling te leggen, daar het niet geoorloofd is ze

groot te brengen.--Dat laat zich goed hooren, maar hoe is het mogelijk

de verwanten in opgaande en afgaande linie te herkennen?--Dat is

onmogelijk, maar allen die meer dan tien maanden, nadat iemand huwbaar

geworden is, geboren zijn, zal hij zonen en dochters noemen, en zij

hem vader (of moeder), en hunne kinderen noemt hij kleinkinderen, en

dezen hem grootvader (of grootmoeder), en die geboren zijn binnen

het tijdperk, waarin hunne ouders de voortteling uitoefenden, noemen

elkander broeders en zusters; zoodat de eersten, gelijk wij zeiden,

elkander niet mogen aanraken, maar de broeders en zusters wel; wanneer

het lot het meêbrengt en de Pythia het toestaat.--Dat is waar.--

X. Zoodanig, ~Glauco~! is dus de gemeenschap van vrouwen en kinderen

voor onze wachters, maar nu moeten wij nog beredeneren, dat zij met

onze andere bepalingen overeenstemt, en dat zij verreweg het beste

is. Of hoe denkt gij er over?--Zonder eenigen twijfel.--Moeten wij nu

die redenering niet zóó beginnen, dat wij ons eerst afvragen, wat de

wetgever als het grootste goed in eene staatsregeling moet aanmerken

en derhalve bij het maken van wetten zoeken te bereiken, en wat het

grootste kwaad is, dat hij moet vermijden; om vervolgens na te gaan, of

hetgeen wij nu besproken hebben, met dat goede overeenstemt, en met dat

kwade in strijd is?--Zekerlijk.--En is er nu wel een grooter kwaad voor

een staat dan hetgeen hem verdeelt en van één tot velen maakt? Of een

grooter goed dan hetgeen hem verbindt, en één maakt?--Zeker niet.--En

ontstaat er niet een band door de gemeenschap van vreugde en smart,

wanneer zoo veel mogelijk al de burgers zich over één en dezelfde

gebeurtenis gelijkelijk verheugen en bedroeven?--Ongetwijfeld.--Maar

er ontstaat verwijdering, wanneer integendeel sommigen bedroefd en

anderen verheugd zijn over dezelfde lotgevallen van den staat en

enkele personen.--Voorzeker.--En dit laatste gebeurt immers wanneer

de woorden _mijn_ en _dijn_ door ieder op andere dingen worden

toegepast?--Ongetwijfeld.--En de staat, waarin de meesten die woorden

op dezelfde dingen toepassen, zal het meest bloeijen.--Verreweg het

meest.--Hij zal dan ook het meest met een enkel mensch overeenkomen;

want wanneer b. v. iemand onzer zijn vinger stoot, dan ondervindt, door

het naauwe verband tusschen ligchaam en ziel, ons geheele wezen daarvan

eene onaangename gewaarwording, en dan zeggen wij in dien zin, dat

de mensch pijn heeft aan zijnen vinger; en ditzelfde geldt van ieder

deel van den mensch, zoo wat smart als wat genot aangaat.--Dat doet het

ook, en een goed ingerigte staat heeft daarmede veel overeenkomst.--Als

dus, geloof ik, één der burgers eenigen vóór- of tegenspoed ondervindt,

dan zal zulk een staat zich dit het meest aantrekken, en zich

mede verheugen of bedroeven.--Dit is in een goed ingerigten staat

noodzakelijk.--

XI. Het is dan zaak, onzen staat nog eens in oogenschouw te nemen,

en te zien, of dit vereischte hier het meest, of elders meer

wordt gevonden.--Dat moeten wij dan maar doen.--Wat dan? wordt

ook in andere staten de overheid en het volk niet even als in den

onzen onderscheiden?--Ja.--En allen geven elkander den naam van

burgers.--Natuurlijk.--Maar welken naam bovendien geeft in de andere

staten het volk aan de overheden?--In de meeste dien van heeren, en

waar eene volksregering is, noemt het ze eenvoudig overheden.--En

hoe doet het volk in onzen staat? Met welken naam, buiten dien

van burgers, noemt het de overheden?--Het noemt ze behouders en

helpers.--En hoe noemen zij het volk.--Loongevers en voeders.--En hoe

noemen de overheden in andere staten het volk?--Onderdanen.--En hoe

noemen elders de overheden elkander?--Mede-overheden.--En hoe bij

ons?--Mede-wachters.--En weet gij nu geen voorbeelden, dat in de andere

staten de overheden hunne mede-overheden deels als hunne betrekkingen,

deels als vreemden aanmerken?--Ik weet er genoeg.--En iemand

beschouwt zijne betrekkingen als de zijnen; de vreemden als niet de

zijnen.--Juist.--En hoe doen de wachters bij u? Kan wel iemand hunner

een zijner medewachters als een vreemden beschouwen en aanspreken?--Wel

neen, want in ieder hunner zal hij een broeder of zuster, vader of

moeder, zoon of dochter, of de afstammelingen van dezen meenen te

zien.--Mooi gezegd, maar zeg nu ook nog dit: Zult gij nu alleen

bepalen, dat zij elkander als betrekkingen moeten aanspreken, of zult

gij hun ook voorschrijven overeenkomstig die namen te handelen, en aan

de ouders al dien eerbied, dat dienstbetoon, en die gehoorzaamheid te

bewijzen, waarop ouders aanspraak hebben; daar goden noch menschen het

goedkeuren, en pligtmatig of regtvaardig vinden, zoo iemand anders

handelt? Zullen deze voorschriften omtrent ouders en bloedverwanten

door al uwe burgers aan de kinderen van jongs af worden ingeprent, of

wel andere?--Deze; want het zou belagchelijk zijn, zoo zij elkander

slechts betrekkingen noemden, maar niet als zoodanig behandelden.--Dus

zal in dezen staat meer dan in alle anderen het geluk of ongeluk van

één burger door allen als het hunne worden aangemerkt.--Dat is zeer

waar.--En als zij nu zóó dachten en spraken, dan zeiden wij immers,

dat vreugd en droefheid hun gemeenschappelijk zou wezen?--En dat

zeiden wij te regt.--Dus zullen onze burgers het meest dezelfde zaak

de hunne noemen, en bij gevolg het meest gemeenschappelijke vreugde

en droefheid hebben.--Zekerlijk.--En wordt dit niet onder anderen

door de gemeenschap van vrouwen en kinderen veroorzaakt?--Zeg liever:

grootendeels.--

XII. Edoch wij zijn het eens geworden, dat dit het hoogste goed voor

een staat is, en dat een goed ingerigte staat zich even als een

menschelijk ligchaam verhoudt tot den aangenamen of smartelijken

toestand van een zijner leden.--Hieromtrent zijn wij het te regt

eens geworden.--Derhalve blijkt het, dat de gemeenschap van vrouwen

en kinderen bij onze wachters voor onzen staat de oorzaak is van het

hoogste goed.--Voorzeker.--En het vroeger besprokene bevalt ons zeker

ook nog, want wij zeiden: dat zij geen eigen huizen, noch land, noch

geld moesten hebben; maar dat zij van de anderen, tot loon voor hunne

bewaking, hun onderhoud ontvangende, dat gelijkelijk moesten verdeelen;

zoo zij inderdaad wachters zouden zijn.--Wel zeker.--Maakt dan nu

het vroeger besprokene en het nu gezegde hen niet nog meer tot ware

wachters, die den staat niet vanéénrukken door ieder wat anders het

mijne te noemen, en door ieder voor zich wat hij kan in zijn huis te

slepen, en ieder voor zich vrouw en kinderen, en bijzondere genoegens

en smarten te hebben; maar die door eenheid van meening omtrent

het eigene allen hetzelfde wit hebben, en zoo veel mogelijk alle

droefheid en vreugde gemeenschappelijk voelen.--Voorzeker.--En zullen

regtsgedingen en onderlinge beschuldigingen niet om zóó te zeggen uit

hun midden verdwijnen, daar niemand iets behalve zijn ligchaam voor

zich alleen bezit, maar alles gemeenschappelijk is? En zullen zij

daardoor niet van die twisten bevrijd wezen, die onder de menschen

om geld en kinderen en bloedverwanten ontstaan?--Ongetwijfeld.--En

ook klagten over geweld en beleediging mogen bij hen geen plaats

hebben. Want wij zullen zeggen dat ieder zich tegen personen van

gelijken ouderdom mag verdedigen, ja hem de noodzakelijkheid opleggen,

om voor zijn eigen ligchaam te zorgen.--Best.--En deze wet is ook

goed, omdat, als iemand op een ander boos zijnde zijn moed aan hem

koelen mag, hierdoor het ontstaan van erger twisten voorgekomen

wordt.--Zekerlijk.--En ouderen zullen het regt krijgen om jongeren te

bevelen en te bestraffen.--Dat spreekt.--En een jongere mag natuurlijk,

zonder bevel der overheden, niet trachten een ouderen eenig geweld aan

te doen, of hem zelfs te slaan; en ik denk, dat hij hem ook in geen

ander opzigt beleedigen zal; want twee sterke wachters beletten het

hem, de vrees en de schaamte; de schaamte, daar zij hem weêrhoudt zijne

ouders te mishandelen; de vrees, daar hij duchten moet, dat de anderen

dengenen, dien hij kwaad doet, als kinderen, broeders of ouders zullen

helpen.--Dat volgt.--Dus zullen door deze wetten die menschen steeds

vrede met elkander hebben.--Natuurlijk.--En wanneer zij eendragtig zijn

is het niet te duchten, dat ooit de overige burgers tegen hen, of tegen

elkander de wapenen opvatten.--Volstrekt niet.--De kleinere rampen,

waarvan zij bevrijd zullen wezen, heb ik weinig lust te bespreken, b.

v. het vleijen der rijken, de zorgen en verdrietelijkheden, die uit

de opvoeding der kinderen, het geldwinnen en de noodzakelijkheid van

bedienden te houden ontstaan, en het máken van schulden, en het twisten

over geldzaken, en het overlaten zijner bezittingen aan vrouwen en

bedienden, en wat men al daarbij voor onaangename dingen ondervindt,

die wij om hunne mindere belangrijkheid nu maar zullen overslaan.--Dat

is ook voor een blinden duidelijk.--

XIII. Van dit alles zullen zij dus bevrijd wezen, en een leven

leiden nog gelukkiger dan dat van de overwinnaars te Olympia.--Hoe

zoo?--Die hebben slechts een klein gedeelte van het geluk, dat hun te

beurt valt, want hunne overwinning is schooner en hun onderhoud op

landskosten ruimer. Hunne overwinning toch strekt tot behoud van den

geheelen staat, en behalve voedsel bekomen zij al wat tot het leven

vereischt wordt voor zich en voor hunne kinderen, en bij hun leven

door hunne medeburgers aldus begiftigd zijnde, worden zij na hunnen

dood eervol begraven.--Dat zijn zeker schoone voorregten.--Herdenk

nu nog eens, hoe wij daar straks verschrikten door eene tegenwerping

van, ik weet niet wien, die zeide, dat wij de wachters niet gelukkig

maakten, daar, terwijl zij alle goederen der burgers konden hebben,

toch niets daarvan hun toeviel; waarop wij antwoordden, dat wij dit,

als het zoo uitkwam, later wel eens zouden onderzoeken; maar dat wij

op het oogenblik de wachters wachters maakten, en den geheelen staat

zoo gelukkig mogelijk; zonder daarbij het geluk van eenen bepaalden

stand te bedoelen[106].--Dat herinner ik mij.--En hoe denkt gij daar

thans over? Vindt gij het leven der wachters, hetwelk wij zien dat veel

schooner en beter is dan dat der overwinnaars te Olympia, vergelijkbaar

met het leven der schoenmakers of der andere handwerkslieden, of der

boeren?--Ik vind het niet.--Het is echter noodig nog eens te herhalen

wat wij toen zeiden, dat, als de wachter gelukkig wil worden door niet

meer wachter te zijn, en een zoo matig, bestendig, en naar ons oordeel

voortreffelijk leven hem niet voldoet, maar een dwaas en kinderachtig

denkbeeld van geluk hem aandrijft, om zich met geweld alles in den

staat toe te eigenen, hij merken zal, hoe waarachtig de uitspraak is

van ~Hesiodus~: dat de helft meer is dan het geheel.--Als hij mijn

raad volgt, zal hij dat leven vasthouden.--Dus keurt gij het goed,

dat de vrouwen, zoo als gezegd is, gezamenlijk met de mannen worden

onderwezen, regt op de kinderen hebben en de andere burgers beschermen;

en dat zij, in de stad blijvende, en naar den oorlog gaande, even

als honden aan het wachthouden deelnemen, en alles zoo veel mogelijk

mededoen; en dus vindt gij, dat zij zoo doende het best zullen handelen

en niet zullen misdoen tegen de natuurlijke betrekking van de vrouw tot

den man.--Ja.--

XIV. Nu moeten wij nog nagaan, of zulk eene gemeenschap onder de

menschen even goed als onder de andere dieren kan plaats grijpen;

en zoo ja, hoe die dan moet tot stand komen.--Gij zijt mijne vraag

voorgekomen.--Aangaande den oorlog is het duidelijk, hoe zij dien

zullen voeren.--Hoe zoo?--Zij zullen gezamenlijk uittrekken, en hunne

kinderen, die groot worden, meênemen, opdat zij, even als de kinderen

der andere werklieden, het werk, dat zij naderhand zullen verrigten,

van nabij zien, en daarenboven in den oorlog hunne ouders behulpzaam

zijn. Of hebt gij niet wel opgemerkt, hoe b. v. de kinderen der

pottebakkers lang behulpzaam zijn en toekijken, voordat zij zelve met

pottebakken beginnen?--Ja zeker.--En moeten dezen dan hunne kinderen

met meer zorg door ondervinding en aanschouwing van het noodige

opleiden dan de wachters de hunne?--Dat zou bespottelijk zijn.--En ook

vechten alle dieren moediger als hunne jongen er bij zijn.--Dat is

waar, ~Socrates~! Er is echter groote kans, dat, indien zij, zoo als

het in den oorlog gaat, eens verslagen worden, niet alleen zij zelve,

maar ook hunne kinderen zullen vergaan, en dus de ramp voor den staat

onherstelbaar zal wezen.--Dat is waar, maar wilt gij ze dan buiten alle

mogelijk gevaar houden?--Wel neen.--Maar wanneer wij ze dus toch ook

aan gevaar moeten blootstellen, is het dan geen zaak dit zóó te doen,

dat zij daardoor geschikter voor hun beroep worden?--Natuurlijk.--En

vindt gij het nu onverschillig, dat toekomstige krijgslieden reeds

als kinderen den oorlog zien?--Wel neen, maar van het hoogste

belang.--Dus moeten wij de kinderen den oorlog laten zien, maar hun

veiligheid bezorgen; dan zal het goed zijn.--Juist.--Vooreerst,

zullen hunne ouders, menschelijk gesproken, niet onverstandig zijn,

maar geschikt om te beoordeelen, welke togten hachelijk zijn, welke

niet.--Natuurlijk.--Dus zullen zij ze naar de laatste medenemen, naar

de eerste niet.--Goed.--En zij zullen over hen geen nietswaardige

opzigters aanstellen, maar zulke, die door bekwaamheid en leeftijd

geschikte aanvoerders en opvoeders zijn.--Dat is betamelijk.--Met

dat al, kunnen wij echter niet ontkennen, dat er dikwijls onvoorziene

rampen plaats hebben.--Dat is zoo.--Daarvoor, mijn vriend! moeten wij

aan de kinderen vleugels bezorgen, opdat zij, als het noodig is, kunnen

wegvliegen.--Hoe meent gij dat?--Wij moeten ze zoo jong mogelijk op

paarden zetten, en als wij ze hebben leeren paardrijden, moeten wij ze

als toekijkers meênemen op paarden, die niet wild en oorlogzuchtig,

maar vlug en mak zijn. Want alzoo onder hunne oudere aanvoerders

meêgaande, zullen zij hun toekomstig werk het best kunnen zien, en in

geval van nood het gemakkelijkst gered worden.--Dat ben ik met u eens.--

En hoe moeten verder in den krijg onze soldaten zich jegens elkander

en tegen den vijand gedragen? Heb ik het daaromtrent bij het goede

eind of niet?--Zeg mij dan uwe meening.--Zoo iemand hunner de slagorde

verlaat of zijne wapens wegwerpt, of een ander dergelijk bewijs van

lafhartigheid geeft, moeten zij hem tot den stand der handwerkers of

landbouwers vernederen.--Dat is best.--En die zich levend door den

vijand hebben laten gevangen nemen, moeten wij hem ten geschenke geven,

opdat hij met zijne vangst naar zijnen wil handele.--Juist.--En die

zich dapper en roemrijk gedragen, moeten door de kinderen, die den

veldtogt meêdoen, bekranst en met allerlei blijken van genegenheid

ontvangen worden.--Natuurlijk.--En dat wij de dapperen meer dan de

anderen zullen laten paren, opdat er zoo veel mogelijk uit hen geboren

worden, hebben wij reeds gezegd.--Ja.--

XV. Wij moeten verder dappere jongelingen ook naar het voorschrift

van ~Homerus~ beloonen. Want ~Homerus~ zegt, dat ~Ajax~, die in

den oorlog had uitgemunt, eene bijzonder groote portie vleesch als

belooning ontving[107], hetgeen een goed eerbewijs is voor een

krachtig en dapper man, en hem niet slechts eer, maar ook vermeerdering

van ligchaamskracht aanbrengt.--Dat is heel goed.--Dus willen wij

hierin ~Homerus~ volgen, en daarom, bij offermaaltijden en andere

gelegenheden, aan de dapperen om hunnen moed loftuitingen en andere

eerbewijzen geven en ze daarenboven een grooter rantsoen van vleesch en

wijn toedeelen, om ze én te eeren én nog meer te versterken.--Dat is

opperbest.--Verder moeten wij zeggen, dat die in den oorlog roemrijk

sneuvelen, menschen van het gouden geslacht zijn.--Voorzeker.--En

wij willen op gezag van ~Hesiodus~ aannemen, dat de menschen van dat

geslacht na hunnen dood «heilige geesten worden, die weldadig op aarde

ronddwalen, het kwaad afweren, en de menschen bewaken[108].»--Dat

moeten wij maar aannemen.--Hoe nu die heilige geesten behooren vereerd,

en van de andere goden onderscheiden te worden, daaromtrent vind ik

het raadzaam de godspraak te vragen en ons aan hare voorschriften te

houden.--Dat is het beste.--En wij zullen ze dan in het vervolg aldus

vereeren en aanbidden, en diezelfde bepaling maken voor uitstekende

helden, die door ouderdom of ziekte gestorven zijn.--Dat is ten minste

billijk.--

En hoe moeten nu onze krijgslieden met de vijanden handelen?--Wat meent

gij?--Vindt gij het vooreerst wel billijk, dat Grieken Grieksche staten

onder het juk brengen, en moeten wij dit niet veeleer ook aan anderen

zoo veel mogelijk beletten, en ons gewennen uit vrees voor het juk

der barbaren onze stamgenooten te ontzien?--Het laatste is oneindig

beter.--En wij zelve moeten geene Grieksche slaven houden, en ook de

andere Grieken tot dit besluit aansporen?--Zekerlijk: Zoo toch komen

zij er eerder toe om zich tegen de barbaren te vereenigen en elkander

te sparen.--En is het verder wel goed de gesneuvelden van iets anders

dan van hunne wapens te berooven? Is dat niet een voorwendsel voor

lafhartigen om het gevecht te vermijden, door bij de gesneuvelden

te vertoeven; en zijn niet dikwijls legers door dat uitschudden

verloren gegaan?--Zekerlijk.--En vindt gij het niet onedel en inhalig,

een lijk te plunderen; en niet kinderachtig en kleingeestig, het

doode ligchaam vijandig te behandelen, daar de eigenlijke vijand is

weggevlogen, en slechts dat, waarvan hij zich in den strijd bediende,

heeft achtergelaten? Of oordeelt gij, dat die zóó doen wijzer handelen

dan honden, die boos worden op den steen, en niet op hem, die er meê

geworpen heeft?--Wel neen, het komt op hetzelfde neêr.--Dus moet

dat uitschudden der lijken en dat verhinderen der begrafenis worden

afgeschaft.--Zekerlijk.--

XVI. Wij moeten ook, om de onderlinge welwillendheid der Grieken te

bevorderen, geen veroverde wapens, althans niet van Grieken, in de

tempels ophangen; maar veel meer duchten, dat het heiligschennis zijn

zou zóó iets van onze stamgenooten naar een tempel te brengen; tenzij

de godspraak er anders over denkt.--Dat is naar mijn zin gesproken.--En

het verwoesten van Grieksch grondgebied, en het verbranden der

woningen, mogen uwe krijgslieden dat bij de vijanden doen?--Daarover

wilde ik gaarne uw gevoelen hooren.--Mijne meening is dan, dat wij

geen van beiden moeten doen, maar alleen de te veld staande vruchten

moeten wegnemen. En wil ik u eens zeggen, waarom?--Ja! doe dat.--Ik

ben van gevoelen, dat niet slechts de woorden: oneenigheid en oorlog,

maar ook de zaken, die zij uitdrukken, verscheiden zijn, en als

eigen en vreemd tegen elkander overstaan; zoodat oneenigheid onder

betrekkingen, oorlog onder vreemden plaats heeft.--Ik geloof, dat gij

gelijk hebt.--Zie dan ook eens, wat gij hiervan denkt. Ik zeg, dat

alle Grieken elkanders betrekkingen en stamgenooten zijn, maar met de

barbaren, als vreemden, niets te maken hebben.--Dat is juist.--Als dus

Grieken en barbaren met elkander overhoop liggen, zeggen wij dat zij

oorlog voeren, en beschouwen ze als natuurlijke vijanden; maar, als dit

onder de Grieken plaats heeft, zeggen wij, dat zij van natuur vrienden

zijn, maar dat Griekenland op het oogenblik ziek en oneenig is; en wij

geven dien strijd slechts den naam van oneenigheid.--Dat ben ik met u

eens.--Wanneer nu in een staat oneenigheid geboren wordt, en iedere

partij het land en de huizen der andere verwoest en verbrandt; vindt

gij dan die oneenigheid niet verderfelijk, en kunt gij wel eene van

beiden vaderlandslievend noemen, daar zij, zoo zij dat waren, nooit

hun vaderland hadden durven verwoesten? en zou het niet het beste

zijn, dat de overwinnaars slechts de veldvruchten der overwonnenen

meênamen, en overigens steeds bedachten, dat zij weer vrienden zullen

worden, en niet altijd oneenig blijven?--Deze denkwijs past althans aan

beschaafde lieden veel meer dan de andere.--En zijt gij nu niet bezig

eenen Griekschen staat te stichten?--Natuurlijk.--Dus moeten ook zijne

burgers goed en beschaafd zijn.--Dat spreekt.--En immers ook beminnaars

van Griekenland, die dit hun vaderland noemen, en deel hebben aan

dezelfde heiligdommen als de andere Grieken?--Ongetwijfeld.--Wanneer

zij dus met Grieken in twist raken, zullen zij dien, daar deze hunne

betrekkingen zijn, als oneenigheid, niet als oorlog, beschouwen, en

er zóó over spreken.--Ja.--En zij zullen daarbij het plan hebben weer

vrienden te worden.--Voorzeker.--Zij zullen ze dus met vriendelijkheid

kastijden, zonder te trachten hen in slavernij te storten of te

verdelgen, daar zij toch eigenlijk geen vijanden zijn.--Zoo zullen

zij doen.--Als Grieken zullen zij dus Griekenland niet verwoesten en

geen huizen verbranden, en niet beweren, dat in eenigen staat, allen,

mannen, vrouwen en kinderen hunne vijanden zijn, maar slechts weinigen,

namelijk die den twist hebben aangestookt. En daar dus de meesten

hunne vrienden zijn, zullen zij hun land niet willen verwoesten, noch

de huizen vernielen; maar zij zullen slechts zoo veel maatregelen van

vergelding nemen, als noodig zijn, om te maken, dat de schuldigen

door de onschuldigen tot het geven van schadevergoeding gedwongen

worden.--Ik vind het goed, dat onze burgers zich zóó jegens hunne

tegenstanders gedragen; en dat zij de barbaren, zoo als nu de Grieken

elkander, behandelen.--Willen wij dan dit vaststellen, dat onze

wachters geen land mogen verwoesten noch huizen in brand steken?--Met

genoegen, want wij kunnen verzekerd zijn, dat het goed is.--

XVII. Ik geloof echter, ~Socrates~! dat, als wij u laten begaan,

gij volstrekt niet meer denken zult om hetgeen gij daar straks hebt

overgeslagen; te weten, dat en hoe eene staatsregeling als deze

bestaan kan: want dat, zoo zij haar beslag kreeg, de staat, waarin dit

gebeurde, gelukkig zou wezen; en dat, om nog aan te vullen, wat gij

verzwegen hebt, zij, die onder haar leefden, het best tegen de vijanden

zouden vechten, en elkander het minst in den steek laten, dewijl zij

elkander als broeders, ouders en kinderen zouden beschouwen; en dat,

als de vrouwen meê te veld trokken, en óf in dezelfde slagorde stonden,

óf tot schrik der vijanden, en tot hulp in den nood, als spaarbenden

achteraan geplaatst waren, ook dit zou meêwerken om hen onoverwinnelijk

te maken, dat zie ik wel in, en tevens, hoeveel voorregten zij nog

bovendien te huis zouden hebben; maar dewijl ik nu toestem, dat deze

en nog honderd andere dingen zouden plaats hebben, wanneer die

staatsregeling tot stand kwam, zoo spreek daarover niet langer, maar

laat ons nu het overige laten rusten, en zoeken te beredeneren, dat

en hoe zij tot stand kan komen.--Gij doet daar in eens een aanval op

mijne redekaveling, en wilt van geen tegenstribbelen hooren. Misschien

weet gij niet, dat terwijl ik met moeite door twee golven ben heen

geworsteld, gij nu de grootste en lastigste doet opkomen; maar als

gij die gezien en gehoord hebt, zult gij mij wel toestemmen, dat ik

teregt afkeerig was, en terugbeefde van het bespreken en navorschen

van een zoo vreemd en moeijelijk onderwerp.--Naarmate gij meer zulke

dingen zegt, zullen wij u minder vrijspreken van het zeggen, hoe die

staatsregeling bestaanbaar is. Zeg het maar zonder verwijl.--

Vooreerst dan, moeten wij ons herinneren, dat wij door het

onderzoek, wat regtvaardigheid en onregtvaardigheid is, hier zijn

heengedreven.--Goed, maar wat beduidt dat?--Niets. Maar wanneer wij nu

gevonden hebben, wat de regtvaardigheid is, zullen wij dan oordeelen,

dat de regtvaardige man volstrekt niet daarvan mag verschillen, maar in

alle opzigten er aan moet gelijk wezen; of zullen wij tevreden zijn,

wanneer hij zoo na mogelijk er bij komt, en er meer dan de overigen

aan deelachtig is?--Wij zullen met dat laatste tevreden zijn.--Wij

zochten dus, om een rigtsnoer te hebben, wat de regtvaardigheid zelve

is, en hoe een volmaakt regtvaardig mensch zou gevormd worden, en

hoe hij zou wezen, en deden hetzelfde met de onregtvaardigheid en

den onregtvaardige; ten einde, hun geluk en ongeluk beschouwende,

ook omtrent ons zelven te besluiten, dat hij, die met een van hen de

meeste overeenkomst heeft, ook in geluk of ongeluk het meest met hem

moet overeenkomen; maar wij stelden ons niet voor, te bewijzen, dat

zij werkelijk kunnen bestaan.--Daarin hebt gij gelijk.--Gelooft gij

dan nu, dat een schilder, die een toonbeeld van een schoon mensch

geschilderd had, waarop niets was aan te merken, een minder goed

schilder zou wezen, wanneer hij de mogelijkheid, dat zoo iemand

bestond, niet bewijzen kon?--Wel neen, zeker niet.--En maakten wij niet

in onze redenering een toonbeeld van een goeden staat?--Ja.--Gelooft

gij dan nu, dat onze redenering minder goed is, zoo wij niet kunnen

bewijzen, dat het mogelijk is een staat aldus in te rigten.--Wel

neen!--Ik zou dus dit bewijs eigenlijk niet behoeven te leveren. Om

evenwel u ten gevalle na te gaan, hoe en onder welke voorwaarden zoo

iets het best zou kunnen plaats hebben, moet gij met mij nog eens

dezelfde punten beredeneren.--Welke?--Kan iets ooit volkomen zóó zijn

als het beredeneerd is; of is het onvermijdelijk, dat de werkelijkheid

altijd te kort schiet bij het begrip, ook al merkt niet ieder dit

op?--Het laatste is onvermijdelijk.--Dwing mij dus niet, om aan te

toonen, dat al wat wij beredeneerd hebben werkelijk plaats heeft; maar,

zoo wij kunnen vinden, hoe een staat ten naastenbij volgens het gezegde

kan ingerigt worden, laat ons dan zeggen, dat wij de mogelijkheid van

het toepassen onzer voorschriften gevonden hebben. Of zult gij daar

niet meê tevreden zijn? Ik althans wel.--Ik ook.--

XVIII. Hetgeen ons nu te doen staat, is, geloof ik, na te sporen en

aan te toonen, wat in de staten van onzen tijd niet deugt, en belet,

dat zij zóó worden ingerigt; en hoe een staat met de minste schokken

en de geringste verandering tot deze soort van staatsregeling zou

kunnen komen.--Opperbest.--Nu geloof ik, te kunnen bewijzen, dat dit

zou kunnen gebeuren door ééne, wel niet geringe of ligte, maar toch

niet ondenkbare verandering.--Welke?--Nu zijn wij op de grootste golf.

Ik zal het echter zeggen, al word ik door eene stortzee van gelach

en ongeloof overstelpt. Let dan op hetgeen ik zeg.--Zeg op.--Zoo niet

de wijsgeeren het staatsbestuur in handen krijgen, of de bestaande

koningen en vorsten zich met de borst op de wijsbegeerte toeleggen,

zoodat magt in den staat en wijsbegeerte in dezelfde personen vereenigd

worden; en zoo niet de meesten, die naar één van beiden afzonderlijk

streven, met alle geweld worden buitengesloten, is er geen einde aan de

ellende, mijn vriend ~Glauco~! noch voor de staten, noch, naar ik meen,

voor het menschelijk geslacht, en onze pas beredeneerde staatsregeling

kan vóór dien tijd niet ontstaan en aan het licht komen. Maar ik had

reeds lang tegenzin om dit te zeggen, daar ik zag, hoezeer het tegen

de gewone meening zou inloopen; want het is moeijelijk de menschen te

overtuigen, dat er anders geen geluk voor enkele personen noch voor

staten bestaan kan.--Hierop zeide hij: ~Socrates~! gij hebt daar eene

uitspraak gedaan, om welke gij verwachten moet, dat zeer velen, en niet

van de minsten, zoodra zij ’t hooren, hun rok zullen uittrekken en met

alle wapens, die zij vinden kunnen, woedend komen aanloopen, om zich

krachtig te weer te stellen; en zoo gij hen niet afslaat of ontvlugt,

zult gij tot uw straf aan bespotting worden prijs gegeven.--Maar, zeide

ik, is dat niet door uw toedoen?--Ja, en daar deed ik goed aan. Ik zal

u evenwel niet in den steek laten, maar, zoo veel ik kan, bijstaan. Dit

kan ik doen door belangstelling en door u aan te sporen, en misschien

ook door bereidwilliger dan anderen op uwe vragen te antwoorden; en

daar gij zulk een helper bezit, moet gij dus maar aan de ongeloovigen

trachten te bewijzen, dat het is, gelijk gij zegt.--Als gij zulk een

bijstand geeft, moeten wij het maar beproeven. Ik houd het dan voor

noodig, als wij er heelshuids willen afkomen, naauwkeurig te bepalen,

hoedanige wijsgeeren wij durven zeggen, dat het bestuur in handen

moeten hebben, opdat wij, als dit is vastgesteld, in staat mogen zijn

ons te verdedigen, door aan te toonen, dat dezen van natuur tot de

wijsbegeerte en het staatsbestuur geroepen zijn, maar dat de anderen

zich daarvan moeten afhouden en slechts gehoorzamen.--Die bepaling is

volstrekt noodig.--Komaan dan! volg mij, om te beproeven, of wij het

eenigzins goed kunnen uiteenzetten.--Ga gij maar voor.--Als gij het

welligt vergeten zijt, moet ik u herinneren, dat iemand, die waarlijk

liefhebberij voor iets heeft, niet slechts een of ander deel daarvan,

maar die geheele zaak moet liefhebben.--

XIX. Herinner het mij dan maar, want ik weet het niet best meer.--Dat

een ander zoo sprak, kon er nog meê door, ~Glauco~! maar iemand, die

verliefd van gestel is, moest zich herinneren, dat alle schoonheden hem

treffen en inpakken, en hem toeschijnen regt op zijne opmerkzaamheid

te hebben. Of is het niet zoo? wordt een platneus door u niet aardig

genoemd, een haviksneus koninklijk, een neus, die tusschenbeide is,

van de juiste maat? Noemt gij de donkeren niet flink, en de bleeken

interessant? Ja, is niet zelfs het woord lelieblank waarschijnlijk

door een minnaar verzonnen, die de bleekheid van het voorwerp zijner

liefde als eene deugd aanmerkte; en met één woord, zoekt gij niet

allerlei voorwendsels en mooije benamingen, om allen, die jong en

knap zijn, onder de schoonheden te kunnen opnemen.--Zoo gij gestellen

als het mijne verliefd noemt, dan stem ik toe, dat de verliefden zoo

handelen.--Maar, doen de liefhebbers van den wijn niet hetzelfde?

Prijzen zij niet allerlei wijn om allerlei redenen?--Ja.--En ziet

men niet evenzoo, dat de eerzuchtigen, als zij geen veldheer zijn

kunnen, naar den post van wijkmeester trachten; en zoo zij door

de aanzienlijken niet geëerd worden, zich troosten met eer bij de

geringen; daar al wat eer is hen aanlokt?--Zekerlijk.--Zeg dan nu

eens, of dit waar is, of niet: dat hij, die naar eenig ding begeerig

is, dat in zijn geheel begeert, maar geenszins sommige deelen daarvan

wél, andere niet.--Hij begeert het in zijn geheel.--En zeggen

wij nu niet, dat de wijsgeer begeerig is naar wijsheid, en wel,

niet slechts naar een deel daarvan, maar naar de wijsheid in haar

geheel?--Voorzeker.--Die dus verdriet in het leeren heeft, vooral

wanneer hij jong is, en nog niet kan beoordeelen, wat nuttig is en

wat niet, dien kunnen wij leergierig noch wijsgeerig noemen, evenmin

als iemand, die vol kuren omtrent zijn eten is, kan gezegd worden

wezenlijk honger te hebben.--Dat gaat volstrekt niet.--Maar die vaardig

is om naar alle weten te trachten, en gaarne wil leeren, en nooit

verzadigd is, dien noemen wij met regt wijsgeerig; niet waar?--Hierop

zeide ~Glauco~: zóó kunt gij er genoeg krijgen en daaronder vreemde

stoethaspels. Want de liefhebbers van een kijkje moeten alles weten,

wat er te zien is; en vooral de liefhebbers van hooren zijn vreemde

snaken om ze onder de wijsgeeren te rekenen, daar zij wel nooit

vrijwillig eene redekaveling zouden bijwonen, maar, alsof zij hunne

ooren tot het luisteren naar alle gezang verhuurd hadden, op de feesten

van ~Bacchus~ rondloopen, en geen gelegenheid om te hooren, noch in de

stad, noch op het land laten voorbijgaan. Moeten wij nu deze allen,

en die meer zulke dingen willen weten, en de nietigste kleinigheden

nasporen, wijsgeeren noemen?--Wel neen, zeide ik, maar naäpers van de

wijsgeeren.--

XX. Maar wie noemt gij de ware wijsgeeren?--Hen, die begeerig zijn

de waarheid te zien.--Best, maar wat noemt gij waarheid?--Dit een

ander te beduiden is niet gemakkelijk, maar gij zult, geloof ik, mij

het volgende wel toestemmen.--Wat?--Dat dewijl schoon en leelijk

van elkander verschillen, zij te zamen twee zijn.--Natuurlijk.--En

dat bijgevolg ook ieder hunner één is.--Ook dit.--En geldt nu niet

hetzelfde van regtvaardig en onregtvaardig, van goed en kwaad, en

van het soortgelijke; dat ieder hunner één is, maar, dewijl het zich

overal in verschillende daden, ligchamen en betrekkingen vertoont, den

schijn van veel te zijn aanneemt.--Daarin hebt gij gelijk.--Volgens

dit beginsel nu, onderscheid ik de daareven genoemde liefhebbers van

een kijkje, en de minnaars van kunsten, en de bedrijvigen, van hen,

over wie wij spreken, die alleen regt hebben wijsgeeren genoemd te

worden.--Hoe meent gij dat?--Die liefhebbers van hooren en kijken

houden veel van schoone geluiden, en kleuren, en gedaanten, en al

wat daarvan gemaakt wordt, maar de natuur van het schoone zelf kan

hun geest niet zien noch liefhebben.--Dat is waar.--Zij daarentegen,

die het schoone kunnen opsporen en dat op zich zelf beschouwen, zijn

die niet zeldzaam?--Zekerlijk.--Die nu wel schoone dingen erkent,

maar de schoonheid zelve niet erkent, noch iemand, die hem tot

haar zoekt op te leiden, kan volgen, vindt gij dat hij zijn leven

wakker of droomend doorbrengt? Of is het geen droomen, als iemand

slapend of niet slapend dat, hetwelk ergens op gelijkt, niet als er

op gelijkend, maar als hetzelfde beschouwt?--Ik zou zeggen, dat zóó

iemand droomde.--En die daarentegen het bestaan van de schoonheid

erkent, en haar evenzeer kan zien als hetgeen haar deelachtig is, en

die haar niet met hetgeen haar deelachtig is verwart, vindt gij dat

die zijn leven wakker of droomend doorbrengt?--Fiks wakker.--En kunnen

wij niet met regt aan hem kennis toeschrijven, maar aan den anderen

slechts meening?--Ongetwijfeld.--Maar wanneer nu die man, dien wij

zeggen dat meent en niet kent, boos op ons wordt en beweert, dat wij

geen waarheid spreken, kunnen wij hem dan niet zacht en ongemerkt

ompraten en doen inzien, dat hij dwaalt?--Wij moeten het ten minste

beproeven.--Komaan dan! onderzoek, wat wij tot hem moeten zeggen. Laat

ons hem eerst verzekeren, dat, als hij kennis heeft, wij ze hem niet

misgunnen, maar er ons integendeel over zullen verblijden; en hem dan

verder vragen: antwoord ons eens hierop. Die kent, kent hij iets of

niets? Antwoord gij voor hem.--Ik antwoord, dat hij iets kent.--En

kent hij iets, dat is, of iets, dat niet is?--Dat is; want hoe kan

hetgeen niet is gekend worden?--Hoewel wij nu nog verder konden

bespreken, dat wat geheel en al is, geheel en al kenbaar is, en wat

volstrekt niet is, volstrekt niet kenbaar; hebben wij echter hieraan

reeds genoeg.--Volkomen genoeg.--Best. Maar als nu iets te gelijk is

en niet is, ligt het dan niet midden in tusschen hetgeen volkomen is

en hetgeen volstrekt niet is?--Ja.--Zoo nu de kennis betrekking heeft

op hetgeen is, en de onkunde op hetgeen niet is, moeten wij voordat

middending iets zoeken, dat tusschen onkunde en kennis in ligt; indien

zoo iets ten minste bestaat.--Ongetwijfeld.--Nu erkennen wij immers

het bestaan van meening?--Wel zeker.--Is zij hetzelfde als kennis, of

iets anders?--Iets anders.--Dus heeft de meening betrekking op iets

anders dan de kennis, ieder naar haren aard.--Natuurlijk.--En heeft

nu de kennis geen betrekking op hetgeen is, om het te kennen, zoo als

het is? Of liever, ik geloof dat het noodig is, dit eerst aldus te

onderscheiden.--Hoe?--

XXI. Wij zullen zeggen, dat er vermogens bestaan, door welke de

menschen vermogen, wat zij vermogen, b. v. de vermogens van gezigt en

gehoor. Begrijpt gij dit?--Ja wel.--Hoor dan eens hieromtrent mijn

gevoelen. Aan die vermogens zie ik geen kleur of gedaante of eenige

andere van die eigenschappen, naar welke ik gewoonlijk de voorwerpen

onderscheid; maar bij dezelve onderzoek ik alleen, waarop zij

betrekking hebben, en wat zij bewerken, en noem ze naar aanleiding

daarvan vermogens; en wat op hetzelfde betrekking heeft en hetzelfde

bewerkt, noem ik hetzelfde vermogen, maar wat op iets anders betrekking

heeft en iets anders bewerkt, een ander. Hoe doet gij?--Evenzoo.--Let

dan nu nog eens hierop, mijn beste! Houdt gij de kennis voor een

vermogen, of niet?--Wel zeker, en wel voor het allersterkste.--En de

meening, moeten wij die een vermogen noemen, of niet?--Ook die; want

hoe zouden wij anders vermogen te meenen?--Edoch daareven hebt gij

toegestemd, dat kennis en meening niet hetzelfde is.--Hoe zou dan

ook een verstandig mensch het onfeilbare en het feilbare hetzelfde

kunnen noemen?--Best. Dus stellen wij vast, dat meening iets anders

is dan kennis.--Ja.--Zij zijn dus verschillende vermogens, en hebben

op verschillende dingen betrekking.--Natuurlijk.--En kennis heeft

betrekking op hetgeen is, om dit te kennen, zoo als het is?--Ja.--En

meening om te meenen?--Ja.--Maar heeft zij betrekking op hetzelfde,

hetwelk de kennis kent, zoodat dezelfde zaak het voorwerp van kennis en

van meening is? Of is dat onmogelijk?--Dat is volgens het beredeneerde

niet mogelijk, zoo althans ieder vermogen op een bepaald voorwerp

betrekking heeft, en meening en kennis twee verschillende vermogens

zijn. Hieruit toch volgt, dat de voorwerpen van kennis en die van

meening niet dezelfde kunnen wezen.--Als nu hetgeen is het voorwerp

is der kennis, is dan het voorwerp der meening niet iets anders dan

hetgeen is?--Ja.--Is dit dan hetgeen niet is? Of kan hetgeen niet

is ook geen voorwerp van meening zijn? Denk hier eens over. Rigt

niet de meenende zijne meening op een voorwerp? Of is het mogelijk

te meenen, en toch niets te meenen?--Wel neen.--Dus heeft hij, die

meent, een voorwerp.--Ja.--Edoch wat niet is, is ook geen voorwerp,

maar is eigenlijk niets.--Dat spreekt.--Wat niet is rekenden wij dan

met regt tot de onkunde; wat is, tot de kennis.--Ja.--Dus rigt zich

de meening noch op hetgeen is, noch op hetgeen niet is.--Juist.--Dus

is zij noch kennis noch onkunde.--Geen van beiden.--Is zij dan

misschien daar buiten, en óf nog helderder dan de kennis, óf nog

duisterder dan de onkunde?--Ook dat niet.--Is dan de meening duisterder

dan de kennis, en helderder dan de onkunde?--Juist.--Dus ligt zij

tusschenbeide.--Ja.--Dus is de meening eene tusschensoort.--Ja.--En

hebben wij nu niet vroeger gezegd, dat zoo wij iets vinden, dat te

gelijk is en niet is, dit tusschen hetgeen is en hetgeen niet is moet

invallen, en dat noch kennis, noch onkunde daarop betrekking heeft,

maar wel hetgeen tusschen kennis en onkunde inligt?--Juist.--En nu

blijkt het, dat de meening daar tusschen ligt.--Dat blijkt.--

XXII. Dus moeten wij, naar het schijnt, nog dat vinden, hetwelk aan

beiden deel heeft; aan het zijn en het niet zijn, en dat dus van

beiden moet onderscheiden worden; ten einde, zoo het blijkt, dat dit

het voorwerp der meening is, zoowel de uitersten als de middelsten

behoorlijk te verbinden. Vindt gij dat niet goed.--Heel goed.--Op dezen

grondslag zal ik nu voortgaan met het ondervragen van dien besten

man, die oordeelt, dat het schoone zelf en de onveranderlijke idée

der schoonheid niet bestaat; en die wel vele schoone dingen erkent en

gaarne ziet, maar er niet naar hooren wil, wanneer iemand het bestaan

van het schoone, het regtvaardige, enz., verdedigt. Wij zullen dan

zeggen: mijn beste! is er wel iets onder al die schoone dingen, dat

niet leelijk kan schijnen, of onder de regtvaardigen onregtvaardig,

of onder de heiligen onheilig?--Neen, maar zij moeten onvermijdelijk

dan eens schoon, en dan eens leelijk, enz. schijnen.--En zullen

de dingen, die dubbel zijn, zich niet even zoo goed als half

voordoen?--Ongetwijfeld.--En de groote, en kleine, en ligte en zware

dingen, zullen die wel meer deze namen dan de tegenovergestelde

verdienen?--Neen, zeide hij, maar ieder zal beide kunnen dragen.--Is

dan nu een van die vele dingen dat, wat het gezegd wordt te zijn, meer

wél dan niet?--Dit lijkt wel eene dubbelzinnigheid voor de grap, of een

raadsel, zoo als de kinderen wel opgeven, zeggende: een man en geen

man, een vogel en geen vogel, ziende en niet ziende, wierp hem en wierp

hem niet, met een steen en geen steen[109]; want het schijnt dat dit

dubbelzinnig is, en dat men onmogelijk een van die dingen streng kan

bepalen, en er óf één van beiden óf geen van beiden van zeggen.--Weet

gij er dan wel iets beters mede te doen, dan ze tusschen het zijn en

het niet zijn in te plaatsen? want zij schijnen toch niet minder dan

hetgeen niet is, of meer dan hetgeen is, aan het zijn deelachtig te

wezen.--Dat is waar.--Dus hebben wij, geloof ik, gevonden, dat wat

de menigte schoon, enz., noemt, zich tusschen hetgeen is en hetgeen

niet is moet ophouden.--Ja.--En wij zijn het eens geworden, dat het

in dit geval een voorwerp van meening is, niet van kennis, daar de

middelste der drie vermogens op het middelste der drie voorwerpen

betrekking heeft.--Daarover zijn wij het eens.--Wij zullen dus zeggen,

dat zij, die vele schoone dingen beschouwen, maar het schoone zelf

niet zien, noch een ander, die hen daartoe opleidt, volgen kunnen,

en met wie het evenzoo staat ten opzigte van het regtvaardige, enz.,

dat zij wel vele meeningen maar volstrekt geen kennis hebben.--Dat is

een noodzakelijk gevolg.--En dat zij, die de onveranderlijke idéën

zelve beschouwen, kennis, geen meening hebben.--Dat ook.--En dat zij

genegenheid en liefde hebben voor de voorwerpen der kennis; de anderen

voor die der meening? Of herinneren wij ons niet, dat zij, zoo als wij

zeiden, schoone klanken en kleuren enz., liefhebben en beschouwen, maar

het bestaan van het schoone niet erkennen?--Ja.--Wij zullen dus niet

misdoen met ze vrienden der meening in plaats van wijsgeeren te noemen,

al worden zij daarom ook nog zoo knorrig?--Wel neen, zeide hij; maar

als zij mijn raad willen hooren, zullen zij dat niet worden; want het

is niet goed knorrig te worden op de waarheid.--En zij, die hetgeen

waarlijk is liefhebben, moeten wijsgeeren, niet meengeeren, genoemd

worden?--Dat spreekt.--

De republiek van Plato · 第 46 / 65 题