VIERDE BOEK.

I. Toen vatte ~Adimantus~ het woord op, en zeide: ~Socrates!~ wat zult

gij antwoorden, als iemand zegt, dat gij die mannen niet bijzonder

gelukkig maakt, en ze zelven daartoe laat meêwerken, dewijl zij

eigenlijk de meesters van den staat zijn en er toch geen voordeel

van trekken, door zoo als de anderen akkers te hebben, en schoone,

ruime huizen te bouwen, en die met behoorlijk huisraad te voorzien,

en eigene offers aan de goden te wijden, en gasten te ontvangen, en,

zoo als gij daareven zeidet, goud en zilver te bezitten, en wat meer

tot het geluk noodig wordt geoordeeld? Want men zou waarlijk kunnen

zeggen, dat zij niet meer schijnen te zijn dan huurtroepen, die

slechts tot bewaking van den staat zijn aangeworven.--Juist, zeide ik,

die slechts in de kost zijn, maar anders geen loon krijgen, zoodat

zij geen reis op hun eigen kosten kunnen doen, en niets hebben om

aan hoeren te geven, of op andere wijs door te brengen, zoo als zij

plegen te doen, die voor gelukkig gehouden worden.--Juist, dat is ook

een deel der beschuldiging.--En nu vraagt gij, wat wij daarop zullen

antwoorden?--Ja.--Langs denzelfden weg, zeide ik, dien wij tot nog

toe gevolgd hebben, hoop ik te vinden wat wij zeggen moeten. Want wij

zullen zeggen, dat zij welligt juist zóó het gelukkigste zijn zullen;

dat wij echter den staat niet stichten, opdat ééne klasse meer dan de

overige, maar opdat de geheele staat gelukkig zij; want, dat wij in

zulk eenen het gemakkelijkst de regtvaardigheid hoopten te vinden, en

evenzoo in die, welke het slechtst was ingerigt, de onregtvaardigheid,

om vervolgens onze eigenlijke vraag te beantwoorden.--Zoo wij dus

den staat gelukkig willen maken, bedoelen wij niet eenige weinige

uitverkorenen, maar den geheelen staat; en zullen vervolgens op

dezelfde wijs den tegenovergestelden bezien. Want, als wij eens een

mensch schilderden en iemand er bij kwam en ons berispte, omdat wij

het schoonste deel niet met de schoonste verwen hadden gekleurd, daar

wij de oogen, die toch het schoonste zijn, niet met purper, maar met

zwart bestreken hadden; zou onze regtvaardiging slechts behoeven te

bestaan in de woorden: vriend! meen niet, dat wij de oogen zoo mooi

moeten maken, dat zij niets meer van oogen hebben, en verlang datzelfde

niet omtrent de andere ligchaamsdeelen: maar zie liever, of wij het

geheel schoon maken, door aan ieder deel te geven, wat er aan toekomt.

Evenzoo moet gij ons ook nu niet dwingen, aan de wachters zulk een

geluk te geven, waardoor zij alles behalve wachters zouden worden. Want

wij konden ook de boeren wel in gala kleeden en met goud behangen en

hen voor pleizier het land laten bebouwen, en de pottebakkers bij het

vuur laten aanliggen en eten en drinken, met het wiel naast hen, om

als zij lust hadden potten te maken: en al de anderen op dezelfde wijs

gelukkig maken, opdat ieder in den staat gelukkig zou wezen. Zoo iets

moet gij ons echter niet aanprijzen, want als wij uwen raad volgen,

blijft de boer geen boer, noch de pottebakker pottebakker, en geen

ander der beroepen, die te zamen den staat vormen, blijft in stand.

Bij de anderen is dit minder, want al zijn de schoenmakers slecht,

en bedorven, en slechts in schijn schoenmakers, dan is dit voor den

staat nog niet gevaarlijk; maar zoo de bewakers der wetten en van den

staat dit slechts in schijn zijn, dan ziet gij, dat zij den geheelen

staat te gronde rigten; terwijl zij in het tegenovergestelde geval de

hoofdbewerkers van deszelfs bloei en geluk zijn. Zoo wij dus werkelijke

wachters maken willen, dan zorgen wij vooral, dat zij den staat geen

kwaad doen; maar hij die zóó spreekt, en ze tot boeren of tot een

gezelschap van gelukkige feestvierders maakt, moge daarmede meenen wat

hij wil, van een staat heeft hij geen begrip. Dus moeten wij toezien,

of wij de wachters aanstellen met het plan, dat zij zelven zoo gelukkig

mogelijk zijn, of dat wij dit voor den geheelen staat moeten beoogen,

en die helpers en wachters met dwang en overreding daarheen moeten

brengen, dat zij hun eigen werk zoo goed mogelijk verrigten, en al de

anderen desgelijks; opdat, terwijl de geheele staat groeit en bloeit,

iedere stand zoo veel deel aan dat geluk krijge, als volgens zijn aard

mogelijk is.

II. Dat moet ik toestemmen, zeide hij.--En wat zegt gij dan van

hetgeen daarmede zamenhangt?--Wat bedoelt gij?--Zie eens of deze

dingen de andere werklieden bederven en slecht maken?--Welke?--Rijkdom

en armoede.--Hoe zoo?--Dat zal ik zeggen. Gelooft gij, dat een

koperslager, als hij rijk is geworden, nog langer werk van zijn vak

zal willen maken?--Wel neen.--Dus zal hij luier en nalatiger worden,

dan te voren?--Zekerlijk.--En dus als koperslager ook slechter?--Veel

slechter.--En zoo hij aan den anderen kant zich door armoede geen

werktuigen, of wat verder voor zijn vak noodig is, kan aanschaffen,

dan zal hij slechter werk voortbrengen, en zijne zonen, of wie

hij verder onderwijst, tot slechter werklieden maken.--Dat kan

niet anders.--Dus worden door beiden, door rijkdom en armoede, de

werklieden zoowel als hun werk slechter.--Dat blijkt.--Dus hebben wij

nog een paar dingen gevonden, die door de wachters op allerlei wijs

buiten den staat behooren gehouden te worden.--En dat zijn?--Rijkdom

en armoede; daar de eerste weelde, luiheid en zucht naar verandering

te weeg brengt; de tweede insgelijks zucht naar verandering en tevens

laagheid en slechtheid.--Dat is waar.--Doch, ~Socrates~! bezie

echter dit eens. Hoe zal onze staat oorlog kunnen voeren, wanneer

hij geene schatten bezit, vooral zoo hij met een grooten en rijken

staat te doen heeft?--Natuurlijk zal dat tegen éénen moeijelijker

en tegen twee gemakkelijker gaan.--Hoe meent gij dat.--Vooreerst,

als er moet gevochten worden, zullen zij dan niet tegen rijke lieden

optrekken, terwijl zij zelve beoefenaars van den oorlog zijn?--Ja,

dat is zoo.--Maar, ~Adimantus~! zou een bokser, die zijn vak volkomen

meester was, niet gemakkelijk kunnen vechten met twee personen, die

geen boksers, maar rijk en vet waren?--Als zij te gelijk kwamen, zou

dat welligt zoo heel gemakkelijk niet gaan.--Ook niet, zoo hij mogt

gaan loopen[84], en zich telkens omkeerende hem, die het meest onder

zijn bereik was, een slag geven, en zoo hij dit telkens herhaalde, en

dat wel in de brandende zon? zou dan zóó iemand niet vele dergelijken

aan kunnen?--Zóó zou het waarschijnlijk wel gaan.--Maar gelooft gij

niet, dat de rijken altijd nog meer kennis en ondervinding van het

boksen, dan van den oorlog hebben[85]?--Ja, dat geloof ik wel.--Dus

zullen onze geoefende manschappen waarschijnlijk met gemak tegen een

dubbel of driedubbel aantal bestand wezen.--Nu moet ik het toestemmen,

want ik vind, dat gij gelijk hebt.--En zoo zij nu naar den éénen

staat een gezantschap zonden, om, zoo als wij naar waarheid doen

kunnen, te zeggen: wij gebruiken geen goud of zilver, want dit is ons

niet geoorloofd, maar u wel; voeg u daarom bij ons, en verkrijg tot

belooning de bezittingen der anderen: gelooft gij dan wel, dat iemand,

dit hoorende, liever tegen sterke en magere honden zou vechten, dan met

die honden tegen vette en zwakke schapen?--Wel neen. Maar zoo nu die

rijkdommen eens het eigendom zijn van éénen staat, zou die dan toch

niet gevaarlijk zijn voor een armen staat, als den onzen?--Gij zijt wel

goed, daar gij ook aan andere staten, dan dien wij daareven gesticht

hebben, den naam van _staat_ wilt geven.--Hoe moet het dan.--Zij moeten

met een grooteren naam benoemd worden. Want ieder hunner is niet één

staat maar meer dan één, die als in het schaakspel[86] vijandig tegen

elkander over staan. In de kleinste zoogenoemde staten toch zijn er

eigenlijk twee, die der armen en die der rijken, en in ieder van die

zijn er weer verscheidene, die gij verkeerd zoudt doen met als één te

beschouwen, daar gij, door ze als velen te behandelen, en het geld,

de magt en de personen van den éénen aan den anderen te geven, altijd

veel bondgenooten en weinig vijanden zult hebben. En zoolang uw staat

de voorgeschrevene matige levenswijs in acht neemt, zal hij niet in

schijn, maar in werkelijkheid de grootste wezen, al had hij slechts

duizend voorvechters; want één wezenlijk zoo grooten staat zult gij

niet ligt bij de Grieken of de barbaren vinden, maar wel velen, die

vrij wat grooter schijnen. Of denkt gij er anders over?--Ik niet.--

III. Dus, zou dit de beste maatstaf zijn voor onze overheden, bij

het bepalen van de grootte van den staat en van het grondgebied, dat

zij er voor moeten trachten te verwerven.--Wat?--Dat hij zoolang

mag aan wassen als zijne eenheid er geen gevaar bij loopt; verder

niet.--Juist.--Dus zullen wij de wachters ook daarvoor laten zorgen,

dat de staat niet klein en ook niet schijnbaar groot, maar van

genoegzame grootte en één zij.--Dat is nog al eenvoudig.--En nog

eenvoudiger is hetgeen wij reeds gezegd hebben, dat, indien onder

de wachters een kind van minder aanleg geboren wordt, dit in een

anderen stand moet overgebragt worden, en evenzoo een uitstekend kind

uit een anderen stand naar de wachters. En hiermede bedoelden wij

tevens, dat ook onder de andere burgers ieder aan dat werk moet gezet

worden, waartoe hij het best geschikt is, opdat ieder, alleen zijn vak

uitoefenend, niet velen maar één zij; en alzoo ook de geheele staat

één zij, niet vele.--Ja, dat laatste is nog eenvoudiger.--Och, mijn

beste ~Adimantus~! al onze voorschriften zijn minder zwaar dan zij

schijnen, zij zijn allen eenvoudig; zoo zij dit ééne groote, of liever

juist voldoende maar in het oog houden.--En dat is?--Het onderwijs en

de opvoeding, want als zij goed zijn opgevoed en menschen worden zoo

als het behoort, dan zullen zij dat alles gemakkelijk inzien, en meer

nog dan dit, b. v. ten opzigte van de vrouwen en de kinderen, dat ook

hierin, volgens het spreekwoord, alle goederen onder vrienden moeten

gemeen zijn.--Ja dat zou dan alles wel te regt komen.--En, als die

staatsregeling maar eens goed aan den gang is, dan breidt zij zich

als in een cirkel uit. Want aanhoudend goede opvoeding en onderwijs

maakt de geaardheid goed; en zoo kinderen van een goede geaardheid

zulk een opleiding deelachtig worden, dan worden zij nog beter dan

hunne ouders, zoowel in andere opzigten als met betrekking tot de

voortteling, even als dit bij andere dieren plaats heeft.--Dat is

waarschijnlijk.--Om het dus met korte woorden te zeggen, de overheden

van den staat moeten vooral zorgen, dat er geene nieuwigheden in de

gymnastiek en de muzenkunst worden ingevoerd, maar daartegen met allen

ijver waken; en zorgen, dat de woorden: het nieuwste lied is voor de

menschen gewoonlijk het aangenaamste: niet zóó worden uitgelegd en

geprezen, alsof hier geen nieuw dichtstuk maar een nieuwe zangwijs

bedoeld werd. Want die mag niet geprezen noch aangenomen worden. Het

aannemen toch van nieuwe zangwijzen is gevaarlijk voor het geheel;

want, zoo als ~Damon~ zegt, en ik toestem, nooit worden de wijzen der

muzijk veranderd, zonder dat dit de grootste veranderingen in de wetten

van den staat na zich sleept.--Dat stem ik ook toe, zeide ~Adimantus~.--

IV. Dus, zeide ik, moeten de wachters vooral over de muzenkunst

de wacht houden.--De overtreding komt althans van dien kant ligt

ongemerkt binnen.--Juist, want zij heeft dáár de gedaante van een

spel dat volstrekt geen kwaad doet.--Zij doet dan ook niets anders,

dan dat zij zich langzaam vestigende zoetjes en zachtjes in de

zeden en de oefeningen binnensluipt, vandaar zich met meer kracht

naar de onderlinge verbindtenissen keert, vervolgens de wetten en

staatsinrigtingen losmaakt, en eindelijk alle bijzondere betrekkingen

en den geheelen staat vanéénscheurt.--Ziet gij dat zóó donker in,

zeide ik.--Ja zeker.--Dus, moeten onze knapen, zoo als wij reeds

zeiden, dadelijk door hunne spelen in de vereischte stemming gebragt

worden, want als zij door dezelve de wetten leeren overtreden,

dan kunnen zij onmogelijk tot vereerders van de wet en tot brave

menschen opgroeijen.--Dat spreekt.--En wanneer zij integendeel reeds

bij hunne kinderspelen door de muzenkunst in die stemming gebragt

worden, welke door de wet verlangd wordt; dan blijft hun dezelve bij,

en oefent overal haren invloed uit, en brengt veel gebrekkigs in den

staat eindelijk te regt.--Dat is volkomen waar.--Dus, vinden zij dan

ook al die schijnbare kleinigheden, waarop de wet ook invloed moet

uitoefenen, en die vroeger zoo zeer verwaarloosd werden.--Welke?--Bij

voorbeeld: dat de jongeren, zoo als passend is, in de tegenwoordigheid

der ouderen zwijgen, en ze op de eerste plaats laten aanliggen en

voor hen opstaan, dat de kinderen hunne ouders eeren, dat bij het

dragen van het haar, bij de kleeding, bij het schoeisel enz., de

betamelijkheid wordt in acht genomen, en wat dies meer zij. Vindt

gij dat ook niet?--Ja zeker.--Op dit alles echter wetten te maken

zou dwaas zijn; want het is toch onmogelijk die wetten te laten

nakomen.--Dat gaat niet.--Het schijnt dan ook, ~Adimantus~! dat

iemand de rigting, die hij door zijne opvoeding krijgt, in zijn

verdere leven van zelfs volgt[87]; daar immers het gelijke steeds

het gelijke met zich meêbrengt.--Juist.--En eindelijk komt dan

hieruit, zou ik zeggen, de hoogst mogelijke trap van goed of kwaad te

voorschijn.--Natuurlijk.--Daarom zou ik ook niet eens willen beproeven,

op die dingen wetten te maken.--Daar hebt gij gelijk in.--Verder, bij

de goden! hetgeen den handel betreft, en de onderlinge schikkingen der

kooplieden of de overeenkomsten met arbeiders, en de beleedigingen,

en beschadigingen, en het beschuldigen, en het verkiezen van regters,

en het invorderen of vaststellen van noodzakelijke belastingen op de

markt of in de havens, en wat verder op het handhaven der orde op de

markt, in de havens en in de stad betrekking heeft, zullen wij van

dat alles in de wet durven spreken?--Het is onnoodig, hieromtrent

voor wezenlijk beschaafde menschen voorschriften te geven; want over

het geheel zullen zij ligtelijk vinden, welke bepalingen daaromtrent

moeten gemaakt worden.--Juist, mijn vriend! zoo God slechts geeft,

dat de reeds vastgestelde wetten in wezen blijven.--En zoo dat geen

plaats heeft, zullen zij, met vele dergelijke bepalingen te maken en

die telkens te veranderen, bun leven slijten, in de hoop, eindelijk

het beste te zullen treffen.--Gij zegt, dat dezulken zullen leven als

zieken, die uit gebrek aan veerkracht niet kunnen besluiten om hunne

verkeerde levenswijs te laten varen.--Juist.--Die hebben dan ook eene

fraaije manier van leven. Want zij vorderen niets met al hun innemen,

dan dat zij meer afwisseling in hunne kwaal brengen en die grooter

maken, terwijl zij van ieder nieuw middel beterschap verwachten.--Gij

schetst den toestand van zulke zieken volmaakt naar waarheid.--Maar wat

zegt gij nu hiervan? Vindt gij het ook niet aardig, dat zij niemand

minder kunnen velen, dan hem, die hun zegt, zoo als het is, dat zoolang

zij voortgaan met drinken en smullen en naar de meisjes loopen, geen

innemen, noch branden, noch snijden, noch tooverzangen, noch broeijen,

noch eenig ander middel hun iets kan helpen?--Heel aardig vind ik dat

niet; want boos te worden op iemand, die ons goeden raad geeft, is al

heel onaardig.--Dus zijt gij, naar het schijnt, geen lofredenaar van

zulke personen.--Neen waarlijk niet.--

V. Dus zult gij het zeker ook niet prijzen, wanneer een staat zoo

handelt. Of vindt gij niet, dat hetzelfde plaats heeft in die staten,

welke, hoewel een slechten regeringsvorm hebbende, de burgers op

doodstraf verbieden pogingen aan te wenden tot het veranderen der

geheele staatsregeling; terwijl hij, die hen, zonder daaraan te

raken, het bereidwilligste dient en zich bij hen door vleijerij weet

aangenaam te maken, en hunne begeerte vooruit weet te raden en die

spoedig te vervullen, de mooije man is, en om zijne wijsheid geëerd

wordt[88]?--Dat komt op hetzelfde neer, en ik prijs het volstrekt

niet.--En bewondert gij nu niet den moed en de handigheid van hen,

die zulke staten met bereidwilligheid dienen?--Of ik: behalve zoo

zij zich daardoor laten foppen, en zich waarlijk voor staatkundigen

houden, omdat zij door de menigte geprezen worden.--Hoe zegt gij?

waarom neemt gij dat die menschen zoo kwalijk? Of houdt gij het voor

mogelijk, dat iemand, die niet kan meten, wanneer velen, die er even

weinig verstand van hebben, staande houden, dat hij vier ellen lang

is, dit niet eindelijk zelf van zich zelven gaat gelooven?--Daar

hebt gij gelijk in.--Maak u dan maar niet boos. Want zulke wetgevers

zijn alleraardigste menschen, die altijd lappen, en meenen tegen de

kwade trouw in de overeenkomsten en de andere gebreken een middel te

zullen vinden, daar zij niet merken, dat zij eigenlijk een moriaan

wasschen.--Ja, dat doen zij waarlijk.--Ik zou echter meenen, dat een

goed wetgever zulk eene wijs van wetten en inrigtingen te maken noch

in een slecht noch in een goed ingerigten staat zou toepassen: in den

eersten niet, omdat het daar nutteloos is en nergens voor dient; in

den laatsten niet, omdat die dingen deels door ieder kunnen gevonden

worden, deels van zelfs uit de eens gegevene rigting volgen.--Wat

rest ons dan nu nog vast te stellen? zeide hij.--Hierop zeide ik: ons

niets, maar ~Apollo~ te Delphi moet nu nog de grootste, schoonste

en belangrijkste bepalingen maken.--Welke?--Die op het stichten van

tempels, en op de offers en andere eerbetooningen aan de goden, geesten

en helden, en op het begraven der lijken en het bevredigen van de

schimmen der afgestorvenen. Van die dingen toch hebben wij zelve geen

kennis, en zullen ons, zoo wij wijs zijn, bij het stichten van onzen

staat tot geen anderen leermeester wenden, dan tot dien onzer vaderen;

deze God toch heeft van oudsher als leermeester van alle menschen

zijnen zetel op het middelpunt der aarde[89].--Dat zegt gij goed, en

zoo moeten wij doen.--

VI. Dus, zoon van ~Aristo~! uw staat is dan voltooid: licht nu eens

bij, en laat uw broeder en ~Polemarchus~ en de anderen ons helpen,

om te zien, of wij vinden kunnen, waar de regtvaardigheid en de

onregtvaardigheid schuilen, en waarin zij van elkander onderscheiden

zijn, en welke van beiden iemand hebben moet, om gelukkig te wezen,

hetzij goden en menschen met hem bekend zijn, of niet.--Wat gij

zegt, zal u niets baten, zeide ~Glauco~, want gij hebt beloofd te

zoeken, daar gij het goddeloos vondt de zaak der regtvaardigheid

niet op allerlei wijs naar uw vermogen te bepleiten[90].--Wat gij

mij herinnert is waar, zeide ik, en zóó moet het dan maar gebeuren;

doch gij moet ook een handje helpen.--Goed, zeide hij, dat willen

wij doen.--Ik heb hoop, zeide ik, het zóó uit te vinden. Ik geloof

dat onze staat, daar hij behoorlijk is ingerigt, volkomen goed

is.--Noodzakelijk.--Dus is hij natuurlijk wijs, en moedig, en

ingetogen, en regtvaardig[91].--Natuurlijk.--Zoo wij dus een deel van

die eigenschappen in hem gevonden hebben, dan is het overige het nog

niet gevondene.--Dat spreekt.--Wanneer wij dus één van vier dingen, die

ergens in waren, zochten, en dat ééne vonden, zouden wij tevreden zijn;

maar zoo wij de drie anderen eerst gemerkt hadden, zou juist daardoor

het gezochte bekend worden; want het zou natuurlijk niets anders zijn

dan het overgeblevene.--Dat is waar.--Dus moeten wij met deze vier

eveneens handelen.--Dat is duidelijk.--

Vooreerst dan meen ik in onzen staat de wijsheid te zien; en ik

merk daaromtrent iets zonderlings.--Wat?--Ik geloof, dat onze

staat werkelijk wijs is: want hij handelt met goed overleg.

Niet waar?--Ja.--En dit goed overleg is eene soort van kennis,

want goed overleg steunt niet op onkunde, maar op kennis.--Dat

spreekt.--Maar nu zijn er vele verschillende soorten van kennis in

den staat.--Zekerlijk.--Moeten wij dan nu den staat wijs en goed

overleggend noemen wegens de kennis der timmerlieden?--Wel neen, want

die kennis strekt zich niet verder uit dan tot het timmeren.--Dus

is een staat nog niet wijs te noemen, al wordt daarin kostelijk

beraadslaagd over de beste manier om hout te bewerken.--Volstrekt

niet.--Of, om bedrevenheid in het geelgieten, of iets dergelijks?--Om

niets van dat alles.--En ook niet om het verstandig bearbeiden van den

grond. Vindt gij wel?--Neen ik.--Maar is er dan bij eenige burgers van

onzen daareven gestichten staat eenige kennis, die geen betrekking

heeft op een of ander deel, maar op den geheelen staat, en op de

beste wijs, waarop hij van binnen moet zijn ingerigt en zich jegens

andere staten moet gedragen?--Wel zeker.--En welke is die kennis en

bij wie wordt zij gevonden?--Het is de kennis der wachters, die vooral

gevonden wordt bij de overheden, die wij volkomene wachters genoemd

hebben.--En hoe noemt gij den staat om die kennis?--Goed overleggend,

en in waarheid wijs.--En wie gelooft gij nu, dat in onzen staat

talrijker zijn zullen, de koperslagers of die volkomene wachters?--De

koperslagers.--En zouden gene ook niet minder talrijk zijn dan al de

overigen, die naar eenige kennis genoemd worden?--Ongetwijfeld.--Dus

zal een staat, die zoo als het hoort is ingerigt, door zijne minst

talrijke klasse van inwoners, en zijn kleinste deel, de overheid en de

kennis die daarin gevonden wordt, geheel wijs wezen; en het schijnt te

blijken, dat zij, die de eigenlijke wijsheid bekomen, uit den aard der

zaak weinig in getal zijn[92].--Wat gij zegt is volkomen waar.--Dus

hebben wij, ik weet niet hoe, één van de vier gevonden en zijne plaats

in den staat vastgesteld.--Ik althans meen, dat dit genoegzaam is

uitgemaakt.--

VII. Edoch de moed en het deel van den staat, waarin hij gevonden

wordt, en daardoor den geheelen staat regt geeft op den naam van

moedig, is juist niet moeijelijk te vinden.--Hoe zoo?--Zou wel iemand,

zoo hij een staat moedig of lafhartig noemde, naar iets anders zien dan

naar dat deel, waaraan de zorg voor den oorlog is opgedragen?--Zeker

niet.--Ik geloof dan ook niet, dat de andere inwoners, door laf of

moedig te zijn, den staat zus of zoo kunnen maken.--Ik ook niet.--Dus

is een staat ook moedig door een zijner deelen, dewijl hij in dat

deel de kracht heeft, die noodig is, om altijd de meening te bewaren,

dat datgene verschrikkelijk is, hetwelk de wetgever bij het onderwijs

als zoodanig leerde beschouwen. Of noemt gij dat geen moed?--Ik vat

nog niet goed, wat gij zegt; zeg het nog eens.--Ik noem den moed

een bewaren zeide ik.--Welk bewaren?--Van de meening, die volgens

de wet door de opvoeding is ingeprent, aangaande hetgeen al of niet

verschrikkelijk is. En ik sprak van altijd bewaren, omdat die meening

bij smart en vermaak en begeerten en verschrikkingen moet bewaard

blijven en niet verloren gaan. Wil ik u eens zeggen, waarmede ik

meen dit te kunnen vergelijken?--Gaarne.--Weet gij dan niet, dat de

wolverwers, wanneer zij wol purper willen verwen, eerst uit wol van

verschillende kleuren alleen de witte uitkiezen, vervolgens die met

niet weinig zorg bereiden, opdat zij zoo veel mogelijk het kleursel

opneme, en haar er dan in doopen? En het op die wijs geverwde wordt

vast van kleur, en het wasschen met of zonder loog kan de kleur er

niet uitkrijgen; maar gij weet, hoe het gaat met hetgeen niet zóó is

behandeld, hetzij het met purper of met andere kleuren zonder die

bereiding geverwd wordt.--Ja, dat verschiet door het wasschen en wordt

leelijk.--Iets dergelijks nu moet gij aannemen, dat ook wij naar ons

vermogen gedaan hebben, toen wij de krijgslieden uitkozen, en die door

muzenkunst en gymnastiek opleidden; want weet, dat wij toen niet anders

bedoelden, dan dat zij, aan ons gehoor gevende, de wetten als eene

verwstof zoo goed mogelijk zouden inzuigen, opdat hunne meening omtrent

het verschrikkelijke en omtrent de andere dingen vast van kleur zou

worden, daar zij in eene door natuur en opvoeding goede geaardheid is

opgenomen, en dus ook niet wordt uitgewasschen door die sterke loog,

het vermaak, die meer vermag dan potasch of salpeter, of door smart,

begeerte, vrees, enz. En zulk eene sterkte en voortdurende bewaring

van de ware en wettige meening omtrent het al of niet verschrikkelijke

heet ik moed, tenzij gij van een ander gevoelen zijt.--Dat ben ik niet,

zeide hij. Want ik geloof, dat gij, wanneer omtrent dezelfde zaken,

zonder opvoeding bij dieren, of slaven een ware meening ontstaat, die

niet bijzonder wettig vindt, en ze als heel wat anders beschouwt dan

den waren moed.--Goed gevat, zeide ik.--Dan heb ik er vrede meê, dat

dit moed is.--Dit is dus uitgemaakt, voor zoover de moed in staatszaken

te pas komt; later zullen wij, zoo gij wilt, dit punt beter behandelen.

Want nu zoeken wij niet dit, maar de regtvaardigheid; en daarvoor is,

geloof ik, het gezegde voldoende.--Dat ben ik met u eens.--

VIII. Dus moeten er dan nog twee in den staat gevonden

worden: de ingetogenheid, en het doel van al ons zoeken: de

regtvaardigheid.--Juist.--Maar zouden wij nu de regtvaardigheid niet

kunnen vinden, zonder nog moeite aan de ingetogenheid te besteden?--Ik

weet het niet, en zoo wij dan de ingetogenheid overslaan, verlang

ik het niet eens, maar als gij mijn zin doen wilt, onderzoek deze

dan eerst.--Dat wil ik ook wel doen, zeide ik, als het niet verkeerd

is.--Waarom zou het verkeerd zijn? Onderzoek maar.--Komaan dan! Zoo

als het nu schijnt te staan, gelijkt zij meer dan de vorigen op

eene soort van overeenstemming en harmonie.--Hoe zoo?--Immers, de

ingetogenheid is eene soort van ordelijkheid en van beheersching der

lusten en begeerten, zoo als blijkt uit het gewone zeggen, dat de

ingetogene meester over zich zelven is, en wat meer van dien aard als

kenmerk der ingetogenheid wordt opgegeven. Niet waar?--Ja zeker. Maar

is dat _meester over zich zelven_ niet eigenlijk ongerijmd? want die

meester over zich zelven is, is ook knecht van zich zelven, en daar

hij toch één en dezelfde persoon is, is hij dan meester en knecht te

gelijk.--Dat is zoo.--Edoch deze uitdrukking beteekent, geloof ik,

dat in de ziel van den mensch een beter en een slechter deel is; en

wanneer nu het betere meester is van het slechtere, dan noemt men

dat meester over zich zelven te zijn, en prijst het: maar wanneer,

door slechte opvoeding of slechten omgang, het slechtere deel zóó

toeneemt, dat het betere er door overheerscht wordt, dan berispt men

dit en zegt, dat zóó iemand zich zelven niet meester is.--Dat geloof

ik ook.--Beschouw dan nu onzen nieuwen staat eens, en gij zult er het

eerste vinden; want gij zult moeten toestemmen, dat hij teregt meester

van zich zelven wordt geroemd, zoo dit ten minste beteekent, dat het

betere deel over het slechtere heerschappij voert.--Ik zie, dat gij

waarheid spreekt.--Dit zult gij nog meer inzien, zoo gij het volgende

opmerkt. Menigvuldige en velerlei begeerten en aandoeningen van vermaak

en smart kan men vooral bij kinderen, en vrouwen[93], en slaven, en

bij de meesten en minstwaardigen der zoogenaamd[94] vrije mannen

aantreffen.--Ongetwijfeld.--Maar eenvoudige en matige begeerten, die

door rede en bedaard overleg bestuurd worden, vindt men slechts bij

enkelen, die door aanleg en opleiding uitmunten.--Dat is waar.--En ziet

gij nu datzelfde niet in onzen staat, en dat dáár de begeerten, die

in de onbeschaafde menigte gevonden worden, door de begeerten en het

verstand der beteren worden beheerscht?--Ja.--

IX. Zoo dus eenige staat meester over de lusten en begeerlijkheden

en over zich zelven mag genoemd worden, dan is het

deze.--Ongetwijfeld.--Maar moet hij dan niet om diezelfde reden

ingetogen heeten?--Voorzeker.--Edoch zoo in eenigen staat overheden en

onderdanen eenstemmig denken over de vraag, wie regeren moet, dan is

het in dezen. Vindt gij niet?--Zeker.--In welke klasse van burgers zult

gij dan bij zulk eene stemming de ingetogenheid zoeken? in de overheden

of in de onderdanen?--In beiden.--Dus ziet gij, dat wij daareven goed

geraden hebben, dat de ingetogenheid eene soort van harmonie is.--Hoe

zoo?--Omdat het hier niet is als met den moed en de wijsheid, die in

een deel van den staat wonende hem moedig en wijs maakten, maar zij

in waarheid door den geheelen staat verspreid is, en dus hen, die in

wijsheid, of kracht, of menigte, of rijkdom of iets anders de sterksten

of de zwaksten of tusschen beide zijn, in een vol accoord doet

overeenstemmen; welke overeenstemming van minderen en meerderen over

de vraag, wie in den geheelen staat en in ieder deel van denzelven

regeren moet, wij met regt ingetogenheid kunnen noemen.--Dat ben ik

volkomen met u eens.--

Goed, wij hebben dan, naar het schijnt, drie van de vier in den staat

gevonden, maar wat zou dan nu de vierde eigenschap wezen, door welke

de staat deugdelijk is? deze toch moet noodzakelijk de regtvaardigheid

zijn.--Dat spreekt.--Dus, ~Glauco~! nu moeten wij doen als jagers, die

een bosch afzetten; en naauwkeurig toezien, dat de regtvaardigheid ons

niet ontsnappe, want zij moet hier ergens schuilen. Zie dan eens goed

toe, of gij ze ook eer dan ik vinden kunt, en zeg het mij.--Als dat

eens gebeurde! Doch gij moet nu maar tevreden zijn, zoo ik u volgen,

en het door u aangetoonde zien kan.--Volg dan maar, en laat ons de

goden om zegen bidden.--Dat zal ik doen, ga slechts voor.--Ja, maar

de streek schijnt digt bewassen en duister; en het is moeijelijk het

gezochte te vinden. Wij willen het echter beproeven.--Dat willen wij,

zeide hij[95].--Hierop bedacht ik mij een oogenblik, en riep: hoezee!

~Glauco~, ik geloof, dat wij een spoor hebben, en dat zij ons niet

zal ontkomen.--Dat is een goede tijding.--Ja, zeide ik, maar wij zijn

al heel laf.--Hoe zoo?--Van den beginne ligt zij voor onze voeten,

mijn beste! en wij zagen haar niet, en maakten ons even belagchelijk

als menschen, die zoeken, wat zij in de hand hebben; daar wij haar

niet digt bij, maar in de verte zochten, en daardoor niet konden

vinden.--Hoe meent gij?--Wel! wij hebben er reeds lang van gesproken

en gehoord, zonder dat wij het merkten.--Dat is een lange inleiding

voor iemand, die gaarne wil hooren, wat er van de zaak is.--

X. Hoor dan, of ik iets zeg. Want, hetgeen wij bij het stichten van den

staat hebben vastgesteld, is óf de regtvaardigheid zelve, óf behoort

althans tot hare kenmerken[96]. Immers, wij hebben vastgesteld en

herhaalde malen gezegd, zoo als gij u nog wel herinnert: dat ieder

burger één van de in den staat noodige dingen verrigten moet, en wel

dat, waartoe hij van natuur de meeste geschiktheid heeft.--Dat is

waar.--En dat zijn eigen werk te verrigten en anderen met rust te

laten regtvaardigheid is, hebben wij dikwijls van anderen gehoord en

ook dikwijls zelve gezegd.--Ja, dat hebben wij.--Dus houd ik het er

dan voor, mijn vriend! dat de regtvaardigheid in zeker opzigt bestaat

in zijn eigen werk te verrigten. Weet gij, waarom ik dat denk?--Neen,

zeg het maar.--Ik geloof, dat hetgeen behalve de dingen, die wij

beschouwd hebben, de ingetogenheid, den moed, en de wijsheid, in den

staat nog over is, datgene zijn moet, wat aan die allen de kracht

verleende om te ontstaan, en vervolgens, zoo lang zij aanwezig zijn,

den staat tot heil te verstrekken. En nu hebben wij immers gezegd,

dat de regtvaardigheid datgene zijn zou, wat overbleef, zoo wij de

drie andere gevonden hadden.--Dat is dan ook noodig.--Edoch, zoo

wij moesten zeggen, wat onzen staat vooral goed maakt, dan zou het

moeijelijk zijn te beslissen, of het de eensgezindheid van overheden

en onderdanen is; óf het vasthouden der krijgslieden aan de door de

wet voorgeschrevene meening omtrent het al of niet verschrikkelijke;

óf de wijsheid der overheden, die hen tot bewaken in staat stelt;

óf dat hij vooral daarom goed is, dewijl kinderen, vrouwen, slaven,

vrijen, handwerkers, overheden en onderdanen ieder alleen zijn eigen

werk verrigten, zonder anderen lastig te vallen.--Dat is inderdaad

moeijelijk om uit te maken.--Dus wordt de deugdelijkheid van den staat

om strijd bevorderd door zijne wijsheid, ingetogenheid, moed, en

daardoor, dat ieder in denzelven zijn eigen werk doet.--Zekerlijk.--En

zoudt gij nu niet stellen, dat hetgeen om strijd met die anderen

den staat deugdelijk maakt, de regtvaardigheid is?--Ongetwijfeld.

Bezie dan nog eens zóó, of gij het hierover eens zijt.--Moeten de

overheden van onzen staat het spreken van het regt niet in handen

hebben?--Ja.--En zullen zij nu daarbij niet vooral moeten toezien,

dat niemand hebbe wat aan anderen behoort, noch van het zijne

verstoken worde?--Juist.--En wel, omdat dit regtvaardig is?--Ja.--Dus

zou men dan kunnen zeggen, dat het zijne te hebben en te verrigten

regtvaardig is?--Ja.--Zie dan nu eens, of gij mij dit toestemt. Als

een timmerman het werk van een schoenmaker wilde doen, of omgekeerd;

en zij alzoo elkanders gereedschap en beroep overnamen; of als één

hunner beide vakken wilde uitoefenen, en dit met al die beroepen plaats

had; gelooft gij, dat dit den staat veel nadeel zou toebrengen?--Och

neen!--Maar wanneer iemand, die slechts aanleg voor een handwerk of

ambacht heeft, op rijkdom, vele vrienden, of ligchaamskracht trotsch

zijnde, zich onder de krijgslieden begeven wil, of iemand, die slechts

voor krijgsman geschikt is, aan de beraadslagingen der overheid wil

deel nemen, en dus de eene stand het werk en de voorregten van den

anderen najaagt, of wanneer één mensch alles te gelijk wil doen, dan

zult gij denkelijk wel toestemmen, dat die verandering en bemoeizucht

verderfelijk is voor den staat.--Ongetwijfeld.--Dus kunnen wij met

regt zeggen, dat niets nadeeliger is en den staat meer kwaad doet,

dan wanneer die drie standen hunnen werkkring te buiten gaan.--Met

volkomen regt.--En zijn eigen staat zoo veel mogelijk kwaad te doen,

is dat geen onregtvaardigheid?--Natuurlijk.--Hier hebben wij dus de

onregtvaardigheid.

XI. En wij kunnen dan bij gevolg daar tegenover stellen, dat, wanneer

werklieden[97], krijgsvolk en overheden ieder hun eigen werk doen, dit

regtvaardigheid is, en den staat regtvaardig maakt.--Ik houd het voor

uitgemaakt.--Al te stellig moeten wij het evenwel nog niet beweren,

maar zoo wij, ieder mensch afzonderlijk beschouwende, diezelfde

bepaling van de regtvaardigheid vinden, dan zullen wij ze wel als

waar moeten aannemen; en zoo niet, dan zullen wij iets anders zoeken.

Laat ons dan nu onzen weg vervolgen, daar wij meenden met meer gemak

te zullen vinden, wat de regtvaardigheid in een enkel mensch is, zoo

wij haar eerst in een grooter geheel hadden opgespoord. Als zulk een

grooter geheel beschouwden wij den staat, en ondernamen derhalve

er een zoo goed mogelijk te stichten; wel wetende, dat slechts in

een goeden de regtvaardigheid zou te vinden wezen. Wat wij dus dáár

gevonden hebben, moet nu op den enkelen mensch worden overgebragt.

Zoo dat overeenkomt, is alles in orde; maar als wij bij den enkelen

mensch tot een ander besluit komen, dan zullen wij den staat op nieuws

onderzoeken. En wanneer wij dan die twee bij elkaar nemen, en als een

paar vuursteenen tegen elkander aanslaan, zullen wij er waarschijnlijk

de regtvaardigheid als een vonk doen uitspringen, en, zoo wij haar ééns

kennen, haar bij ons zelven versterken.--Gij wijst daar een goeden weg,

en dien moeten wij dan maar op.--

Edoch, wanneer hetzelfde in iets grooters en in iets kleiners

gevonden wordt, zijn die twee dan in dit opzigt gelijk of

ongelijk?--Gelijk.--Dus verschilt een regtvaardig mensch van een

regtvaardigen staat ten opzigte der regtvaardigheid niet, maar is

er aan gelijk.--Ja.--Edoch wij hebben beredeneerd, dat een staat

regtvaardig is, wanneer de drie natuurlijke standen ieder zijn eigen

werk doen; en dat hij om andere bepaalde toestanden en gesteldheden

van diezelfde standen ingetogen, moedig en wijs genoemd wordt.--Dat

is waar.--Dus, mijn vriend! dan moeten wij ook zeggen, dat een

enkel mensch, diezelfde onderdeelen in zijne ziel hebbende, wegens

diezelfde toestanden en gesteldheden, ook op dezelfde benamingen als

de staat aanspraak heeft.--Natuurlijk.--Mijn waarde, wij zijn daar

in een leelijke vraag vervallen, te weten: of de ziel drie zulke

onderdeelen heeft of niet.--Ik vind die vraag nog zoo leelijk niet.

Want, ~Socrates~! is het dan geen waar spreekwoord, dat het schoone

moeielijk is?--Welligt hebt gij gelijk. Weet echter, ~Glauco~!

dat naar mijne meening eene zaak als deze, op den weg dien wij nu

volgen, nooit met zekerheid kan gevonden worden, daar de weg, die

daarheen voert, vrij wat omslagtiger en langer is; maar toch zouden

wij er misschien genoeg van kunnen vinden voor de behoefte van onze

tegenwoordige redenering[98].--Dat is al wel, althans ik ben er nu

mede tevreden.--Ik eigenlijk ook.--Komaan dan, begin maar!--Wij moeten

dan toestemmen, dat ieder onzer dezelfde neigingen en hoofdrigtingen in

zijnen geest heeft, als die welke in den staat zijn; want hoe zouden

zij anders in den staat komen? Want het zou dwaas zijn te meenen, dat

de driftigheid niet uit de enkele menschen in den staat gekomen is,

terwijl toch velen, vooral de Thraciers, Scythen en andere volken

van die streken, juist als driftig bekend staan; en hetzelfde geldt

van de leergierigheid, die vooral in ons land gevonden wordt, en

van de winzucht, die zich vooral bij de Phoeniciers en Aegyptenaren

vertoont.--Dat stem ik toe.--Dus kunnen wij het dan als zeker

vaststellen, dat in een enkel mensch dezelfde hoofdneigingen zijn als

in den staat, en het is niet moeijelijk dit in te zien.--Neen waarlijk

niet.--

XII. De eigenlijke moeijelijkheid is dan, of wij met één en hetzelfde,

of met drie verschillende vermogens alles verrigten; dat is, of wij

met het eene leeren, met het tweede driftig worden, met het derde naar

zinnelijke genoegens haken; of dat wij bij ieder dier verrigtingen

onze geheele ziel inspannen. Dit goed te beredeneren is niet

gemakkelijk.--Zeker niet.--Wij willen dan dit punt op de volgende wijs

pogen te onderzoeken.--Hoe?--Het is duidelijk, dat één en hetzelfde

wezen, in hetzelfde opzigt en ten aanzien van dezelfde zaak, niet te

gelijk in twee elkander uitsluitende betrekkingen kan komen; zoodat,

wanneer wij hier zulke tegenstrijdige verschijnselen waarnemen,

daaruit zal blijken, dat wij niet met één en hetzelfde, maar met meer

dan één te doen hebben.--Juist.--Hoor dan nu eens, wat ik zeg.--Zeg

op.--Kan hetzelfde, in hetzelfde opzigt, te gelijk stil staan en zich

bewegen?--Onmogelijk.--Wij moeten dit echter nog naauwkeuriger bezien,

om later niet in de war te raken. Want zoo een mensch stil stond, doch

zijn hoofd en handen bewoog, dan zouden wij, geloof ik, eigenlijk niet

kunnen zeggen, dat hij te gelijk in rust en in beweging was, maar wel,

dat een deel zijns ligchaams in rust was, en een deel in beweging;

niet waar?--Ja.--En zoo nu verder de tegenwerping gemaakt werd, dat

een draaijende tol, wiens punt op dezelfde plaats blijft, toch geheel

in beweging en tevens in rust is, en dat ditzelfde van alle ligchamen

geldt, die om een onbeweeglijke middellijn rondwentelen, dan zouden

wij dit niet toegeven, daar niet hetzelfde deel dier ligchamen in rust

en in beweging is; maar wij zouden zeggen, dat men hier middellijn en

omtrek moet onderscheiden, en dat, voor zoover zij niet ombuigen, de

middellijn blijft staan, doch de omtrek daarentegen in beweging is;

maar, zoo zij zich tevens voor- of achterwaarts, regts of links buigen,

dat zij dan in geen een opzigt in rust zijn.--Dat is juist.--Dus zullen

wij ons door geene zoodanige tegenwerpingen laten misleiden; noch ons

gaan inbeelden, dat ooit één en hetzelfde, te gelijk, in hetzelfde

opzigt en ten aanzien van dezelfde zaak in twee elkander uitsluitende

betrekkingen kan komen.--Daar is geen nood voor.--Laat ons dan, om de

moeite te sparen van al die tegenwerpingen na te gaan en te weêrleggen,

dit maar vaststellen en er op voortbouwen, onder belofte, dat, zoo ons

ooit het tegendeel blijkt, wij al, wat daaruit is afgeleid, zullen

intrekken.--Dat moeten wij maar doen.--

XIII. Beschouwt gij nu het vergunnen en weigeren, het trachten naar

iets en het zich daarvan onthouden, het aantrekken en het afstooten

niet als elkander uitsluitende betrekkingen?--Wel zeker.--Rekent

gij dan nu dorsten, hongeren en de andere begeerten, en willen

en verlangen niet tot deze soort van begrippen? Zult gij niet

zeggen, dat de ziel van iemand, die begeert, tracht naar hetgeen

zij begeert, of wordt aangetrokken door hetgeen zij wil, dat haar

te beurt valle; of ook, voor zoover zij iets bekomen wil, dat als

’t ware in antwoord op een aan haar gerigte vraag aan zich zelve

vergunt, daar zij er naar streeft, dat het plaats hebbe.--Ja.--En

het niet willen, niet verlangen, niet begeeren, en rekent gij die

niet tot het afstooten, afkeerig zijn, met één woord, tot het

tegenovergestelde?--Natuurlijk.--Daar dit zoo is, willen wij als eerste

soort de begeerte vaststellen, en honger en dorst als hare krachtigste

onderdeelen beschouwen.--Best.--En de honger is begeerte naar spijs,

de dorst naar drank?--Ja.--Maar begeert de dorst op zich zelve nog

iets anders, b. v. is zij begeerte naar warm of koud, veel of weinig,

met één woord, naar eene bepaalde soort van drinken? Of zou niet veel

meer, als er hitte bij den dorst komt, daardoor de begeerte naar koud

drinken ontstaan, en omgekeerd; en evenzoo, als er veelheid bij den

dorst komt, begeerte naar veel drinken, en omgekeerd? Kortom is de

dorst zelve uit zijnen aard wel iets anders, dan de begeerte naar

drinken, zonder meer; en de honger evenzoo naar spijs?--Zoo is het,

de begeerte zelve haakt eenvoudig naar haar voorwerp, maar het haken

naar eene bepaalde soort van dat voorwerp hangt af van bijkomende

omstandigheden.--Wij moeten ons dan niet laten wegslepen door de

tegenwerping, dat niemand eenvoudig naar drinken verlangt, maar naar

goed drinken; noch eenvoudig naar spijs, maar naar goede spijs; want

dat allen naar het goede verlangen, en dus de dorst ook begeerte is

naar goed drinken; en dat het evenzoo met de andere begeerte gesteld

is.--Die tegenwerping is toch zoo gek niet.--Edoch, zeide ik, als bij

betrekkingsbegrippen het eene lid eenvoudig is, dan is het andere dit

ook; maar als het eerste eene bepaalde wijziging ondergaat, dan heeft

die in het andere insgelijks plaats.--Dat begrijp ik niet.--Begrijpt

gij niet, dat het grootere uit zijnen aard grooter is dan iets

anders?--Ja.--Immers dan hetgeen kleiner is?--Ja.--En het veel grootere

is dit met betrekking tot het veel kleinere?--Juist.--En wat grooter

was tot hetgeen kleiner was, en wat grooter zal zijn tot hetgeen

kleiner zal zijn?--Natuurlijk.--En zoo staat ook het meerdere tot het

mindere, het dubbele tot het halve, het zwaardere tot het ligtere, het

snellere tot het tragere, het warme tot het koude, enz.--Zekerlijk.--En

is het nu niet evenzoo met de kennis? Heeft niet de kennis op zich

zelve eenvoudig betrekking op het gekende, zonder meer, terwijl de eene

of andere bepaalde kennis ook tot het een of andere bepaalde voorwerp

van kennis betrekking heeft? b. v. wordt niet de kennis van het maken

van huizen van alle andere kennis onderscheiden door den naam van

bouwkunde?--Zekerlijk.--En is dit niet, omdat zij zelve bepaald is, en

tot een bepaald voorwerp betrekking heeft? en is het niet evenzoo met

alle andere kundigheden?--Ja.--

XIV. Nu zult gij wel begrijpen, zeide ik, welke de zin is der woorden:

als bij betrekkingsbegrippen het eene lid eenvoudig is, dan is het

andere dit ook; maar als het eerste eene bepaalde wijziging ondergaat,

dan heeft die in het andere insgelijks plaats. En dit meen ik nu niet

zóó, als of met beide leden volmaakt hetzelfde gebeurde, zoodat de

kennis van het gezonde zelve gezond, die van het zieke zelve ziek

was, en evenzoo die van het kwade kwaad, en van het goede goed; maar

dat, wanneer wij niet van het gekende in het algemeen spreken, maar

van een bepaald voorwerp van kennis; b. v. van het gezonde en zieke,

daardoor de kennis zelve noodzakelijk van eene bepaalde hoedanigheid

wordt, b. v. in dit geval geneeskunst.--Dat begrijp ik, en zóó geloof

ik, dat het is.--Maar heeft nu niet evenzoo de dorst betrekking op

een bepaald voorwerp, en is hij niet dorst naar iets?--Wel zeker,

zeide hij, naar drinken.--En heeft niet eene bepaalde soort van dorst

op eene bepaalde soort van drinken betrekking, maar de dorst op zich

zelve eenvoudig op drinken, zonder meer; niet op veel noch op weinig,

niet op goed noch op slecht, noch op eenige andere bepaalde soort,

maar eenvoudig op drinken?--Ongetwijfeld.--De ziel van den dorstigen

verlangt dus, voor zoover hij dorst heeft, niets anders dan drinken,

en dat is het, waarnaar zij streeft.--Natuurlijk.--Wanneer dan nu

iets haar van het drinken afhoudt, dan moet dat iets anders zijn

dan hetgeen in haar dorst heeft en als een dier naar het drinken

doet streven, want een en hetzelfde doet toch niet twee elkander

uitsluitende verrigtingen te gelijk.--Dat kan niet.--Dit gaat evenmin,

als men van een boogschutter kan zeggen, dat zijne handen den boog te

gelijk naar achteren en naar voren trekken, daar eigenlijk de eene

hand hem naar achteren, de andere naar voren trekt.--Juist, zeide

hij.--Maar weten wij nu niet, dat somtijds menschen, die dorst hebben,

toch niet willen drinken?--Wel zeker, dat gebeurt dikwijls.--En wat

moeten wij nu daarvan zeggen? Immers, dat in hunne ziel iets is, dat

hen tot drinken aanspoort, en iets, dat hen daarvan terughoudt, en

van het aansporende verschillend zijnde, dit beheerscht?--Ik vind

van ja.--En ontstaat nu dat terughoudende niet meest uit redenering,

maar het aansporende en voortdrijvende uit een onaangenaam gevoel van

behoefte?--Dat schijnt zoo.--Dus hebben wij regt, om vast te stellen,

dat hier twee verschillende dingen voorkomen, en mogen dat, waardoor

de ziel redeneert _rede_ noemen, en dat, waardoor zij verliefd is[99],

en hongert, en dorst, en andere dergelijke dingen zonder de rede

najaagt, en naar bevrediging van behoefte en naar vermaak streeft,

begeerte.--Hiertoe geloof ik, dat wij volkomen regt hebben.--Deze

twee verschillende dingen kunnen wij dus als in onze ziel aanwezig

beschouwen. Maar de toorn en hetgeen, waarmede wij vertoornd worden, is

dat een derde of hoort het bij één der beide eerstgenoemde?--Misschien,

hoort het bij het tweede, bij de begeerte.--Maar ik heb eens van

geloofwaardige menschen gehoord, dat ~Leon~ de zoon van ~Aglaeon~ van

den Piréus langs de buitenzijde van den noordelijken muur gaande, en

merkende, dat er lijken op het galgeveld lagen, grooten lust kreeg om

die te bezien, maar tevens op zich zelven boos werd en er zich zocht af

te brengen, en zich er tegen verzettende zijn gelaat bedekte, tot dat

hij door de begeerte overmeesterd met wijd opengespalkte oogen naar de

lijken toeliep, roepende: komaan ellendelingen! verzadig u dan maar aan

dat mooije schouwspel.--Dat heb ik ook wel gehoord.--Hieruit blijkt dan

toch, dat de toorn soms in strijd is met de begeerte, als met iets, dat

geheel van hem onderscheiden is.--Dat blijkt er uit.--

XV. En merken wij ook niet dikwijls, dat iemand, wanneer de begeerte

hem aanzet, om tegen zijne rede te handelen, zich zelven uitscheldt, en

over dat aanzetten boos wordt, en dat aldus, als die twee met elkander

oorlog voeren, de toorn aan de rede te hulp komt? Aan den anderen kant

echter geloof ik, dat gij noch bij u zelven noch bij anderen ooit

gemerkt hebt, dat de toorn met de begeerte gemeene zaak maakte, wanneer

de rede het inwilligen van de begeerte verbood.--Nooit.--Verder;

wanneer iemand weet, dat hij kwaad doet, kan hij dan niet, naarmate

hij van natuur beter is, minder boos worden, al lijdt hij honger en

koude en meer dergelijke dingen, door toedoen van hem, die naar zijn

oordeel het regt heeft hem dit te berokkenen; en is het dan niet, als

of zijn toorn niet wil opgewekt worden?--Zekerlijk.--En wanneer iemand

van oordeel is, dat hem onregt wordt aangedaan, kookt en bruischt dan

zijn toorn niet, en strijdt die dan niet voor hetgeen regt schijnt,

zonder zich aan honger of koude of ongemak te storen, of zich van

hetgeen regt schijnt te laten afbrengen, voordat hij voldaan is of

heeft uitgewoed, of als een hond door den herder door zijn eigen

rede is teruggeroepen en tot bedaren gebragt?--Het is juist zoo, en

eveneens maakten wij in onzen staat de krijgslieden als honden aan de

overheden, die als herders den staat besturen, onderdanig.--Gij begint

reeds goed te merken, waar ik heen wil. Bedenk echter eerst nog even

het volgende.--Wat?--Dat wij nu geheel anders over den toorn denken dan

daareven. Want toen meenden wij hem tot de begeerte te moeten rekenen,

maar nu zeggen wij, dat het ver daarvan af is, maar dat hij veeleer bij

inwendigen strijd der ziel de rede bijstaat.--Dat is zoo.--Maar is hij

dan nu van de rede onderscheiden, of een onderdeel van dezelve; heeft

nu de ziel geen drie, maar twee onderdeelen, de rede en de begeerte?

Of gelijk de staat bestond uit de geldwinners, de krijgslieden en de

overheden, is evenzoo de toorn het derde onderdeel van de ziel, dat uit

zijnen aard de bondgenoot is der rede, zoo het ten minste niet door

slechte opvoeding is bedorven?--Ik houd hem voor een derde.--Ik ook,

wanneer wij ten minste kunnen bewijzen dat hij evenzeer van de rede

als van de begeerte moet onderscheiden worden.--Dat is zoo moeielijk

niet, want men kan het immers aan de kinderen zien, die terstond na

hunne geboorte vol van toorn zijn, maar óf nooit óf althans meestal

zeer laat hunne rede ontwikkelen.--Goed gezegd. En hetgeen hij zegt

blijkt, ook uit de beesten. Wij kunnen hier ook verwijzen op de reeds

aangehaalde plaats van ~Homerus~:

«hij sloeg op zijn borst en zeide tot zijn hart»

want daar laat ~Homerus~ uitdrukkelijk den onverstandigen toorn door de

rede, die inziet, wat beter is, tot bedaren brengen[100].--Dat ben ik

volmaakt met u eens.--

XVI. Hiermede zijn wij dan eindelijk klaar gekomen, en wij kunnen

het als uitgemaakt beschouwen, dat er evenveel en gelijksoortige

onderdeelen in den staat en in ieders ziel gevonden worden.--Dat is

waar.--Dus moeten wij dan ook toestemmen, dat de wijsheid in den

enkelen mensch op dezelfde wijs en dezelfde plaats als in den staat

wordt gevonden?--Natuurlijk.--En ditzelfde zal dan wel met den moed

en met alle andere deugden plaats hebben.--Zekerlijk.--Wij moeten dan

ook zeggen, ~Glauco~! dat een mensch op dezelfde wijs regtvaardig

is als een staat.--Dat is onvermijdelijk.--Edoch wij zijn nog niet

vergeten, dat de staat regtvaardig was, doordien ieder zijner drie

onderdeelen zijn eigen werk verrigtte.--Ik weet het ten minste nog

goed.--Dus moeten wij ook besluiten, dat ieder onzer, wanneer ieder

onderdeel zijner ziel zijn eigen werk doet, regtvaardig zijn zal,

en zijne bestemming zal vervullen.--Dat volgt.--Edoch de rede moet

heerschen, daar zij om hare wijsheid regt heeft op het bestuur over

de geheele ziel, en de toorn moet haar ondergeschikte medehelper

wezen.--Ongetwijfeld.--En hebben wij nu niet gezegd, dat de vereeniging

van muzenkunst en gymnastiek deze twee eensgezind zal maken, deels

door schoone lessen en oefeningen inspannende en versterkende, deels

door vriendelijke verpleging met harmonie en maat verzachtende en

bedarende?--Zekerlijk.--En wanneer nu deze twee aldus zijn opgevoed

en hun eigen werk hebben leeren verrigten, dan moeten zij de begeerte

beheerschen, die het grootste deel van ieders ziel inneemt en van

natuur allerinhaligst is; en zij moeten zorgen, dat die niet, door

volop van het ligchamelijk vermaak te genieten, groot en sterk worde,

en in plaats van haar werk te doen, hare natuurlijke gebieders aan zich

poge te onderwerpen en alzoo het geheele leven ten onderste boven te

keeren.--Zekerlijk.--En zouden die twee de vijanden van buiten niet het

best van ziel en ligchaam afweren, wanneer de eene raad geeft en de

andere krijg voerende in onderworpenheid aan de overheid met moed dien

raad opvolgt?--Ongetwijfeld.--En wij noemen, geloof ik, een tegelijk

dán moedig, wanneer dat deel zijner ziel, waarin de toorn zetelt, in

smart en vreugde getrouw blijft aan het oordeel der rede over het

al of niet verschrikkelijke.--Juist.--En wij noemen hem wijs wegens

dat kleine deel, dat in hem het gebied voert en oordeel velt, en in

zich de kennis heeft van hetgeen voor ieder deel en voor hen allen te

zamen nuttig is.--Voorzeker.--En noemen wij hem niet evenzoo ingetogen

wegens de vriendschap, en overeenstemming van die drie deelen, wanneer

én het regerende én de onderworpene het eens zijn, dat de rede moet

heerschen, en de laatsten zich bij gevolg niet aan die heerschappij

zoeken te onttrekken.--Ja, én in een staat én in een enkel mensch is

de ingetogenheid niets anders dan dit.--Maar zóó zal het dan ook

wel met hetgeen wij eigenlijk zoeken, met de regtvaardigheid gesteld

zijn.--Noodzakelijk.--Wij merken derhalve, dat de regtvaardigheid niets

anders is, dan hetgeen zij in den staat bleek te wezen?--Ik geloof

van ja.--En als er nu nog eenige twijfel in ons overbleef, zouden

wij die op de volgende wijs met geweld kunnen wegmaken.--Hoe?--Bij

voorbeeld, zoo wij over zulk een staat, of een zóó opgevoed mensch de

vraag stelden, of hij toevertrouwde gelden zou ontvreemden; gelooft

gij dan, dat iemand meenen zou, dat hij dit meer zou doen, dan anderen

die anders gezind waren?--Wel neen, zeker niet.--En zou zulk een zich

ook niet van heiligschennis, diefstal en verraad zoo ten aanzien

van enkelen, als van staten onthouden?--Ongetwijfeld.--En hij zou

ook nimmer een eed of eenige overeenkomst overtreden.--Nimmer.--En

overspel, en verwaarloozing van ouders, en ongodsdienstigheid worden in

ieder ander meer dan in hem gevonden.--Dat spreekt.--En is de oorzaak

van dat alles niet, dat zoowel het heerschende als de gehoorzamende

deelen zijner ziel ieder zijn eigen werk doen?--Juist, dat is de ware

oorzaak.--En zou de regtvaardigheid nu wel iets anders zijn, dan

hetgeen enkelen en geheele staten zoodanig doet handelen.--Zekerlijk

niet.--

XVII. Dus is dan nu ons voorgevoel volkomen vervuld[101], en het

schijnt, dat wij, als door de leiding eener godheid, reeds toen wij

onzen staat begonnen te stichten op den regten weg zijn gekomen, om

een uitgedrukt beeld van de regtvaardigheid te vinden.--Dat zou ik ook

zeggen.--En die heilzame eigenschap van onzen staat, waardoor hij een

afbeeldsel der regtvaardigheid geven kon, bestond daarin, dat dien de

natuur tot schoenmaker bestemd had, ook schoenmaker was, en niets

anders verrigtte, en dat ditzelfde met de timmerlieden en met alle

andere beroepen plaats greep.--Juist.--Dus heeft dan ook eigenlijk

de regtvaardigheid geen betrekking op handelingen naar buiten, maar

is meer op het inwendige gerigt, en verhindert ieder deel van de

ziel te doen wat hem niet toekomt, en zich in de zaken der andere

onbehoorlijk te mengen; maar noopt den mensch in waarheid zich zelven

in orde te brengen en te beheerschen, en aldus vrede met zich zelven

te bekomen, door die drie deelen behoorlijk zamen te voegen, als waren

het drie grondtoonen ééner harmonie, de laagste, de hoogste, en de

middelste; en als er nog wat anders tusschen komt, dat zijn eigen

plaats te geven, en aldus uit al die deelen een behoorlijk zamengevoegd

geheel te vormen; en dan in elk geval ten opzigte van geldwinnen, van

verzorging des ligchaams, van staatkunde of van overeenkomsten met

enkelen steeds zulke handelingen voor regtvaardig en goed te houden,

welke dien toestand der ziel bewaren en bevestigen, en de ware wijsheid

te zoeken in de kennis van hetgeen hiertoe noodig is, maar alle

handelingen of meeningen, die denzelven vernietigen, als onregtvaardig

en dwaas te beschouwen.--Gij zegt volkomen de waarheid, ~Socrates~!

zeide hij.--Wanneer wij dus nu beweren, den regtvaardigen mensch,

en den regtvaardigen staat, en wat de regtvaardigheid in beiden is,

gevonden te hebben, dan zullen wij ons niet erg meer vergissen.--Zeker

niet.--Dus willen wij dat maar vaststellen.--Ja.--

XVIII. Daar dit dus is afgehandeld, moeten wij nu de onregtvaardigheid

beschouwen.--Natuurlijk.--Dus moet deze noodzakelijk bestaan in een

oneenigheid van deze drie deelen, en eene bemoeizucht en verkeerde

werkzaamheid, en een opstand van eenig deel tegen de geheele ziel,

ten einde haar tegen het regt te beheerschen, in plaats van, zooals

betamelijk was, zich aan het van natuur tot heerschen bestemde te

onderwerpen. Zulk eene verwarring en afdwaling verdient, geloof ik,

den naam van onregtvaardigheid, onmatigheid, lafhartigheid, dwaasheid,

in ’t kort van ondeugd.--Toegestemd.--En wat nu onregtvaardig

handelen en onregt doen; en aan den anderen kant, wat regtvaardig

handelen eigenlijk is, dat alles is nu duidelijk, zoo wij maar de

regtvaardigheid en de onregtvaardigheid kennen.--Hoe zoo?--Wel! dat

staat nu tot de ziel volkomen in dezelfde verhouding, als het ongezonde

en het gezonde tot het ligchaam.--Hoe dat?--Het gezonde brengt immers

gezondheid teweeg, en het ongezonde ziekte?--Ja.--En brengt nu het

regtvaardig handelen geen regtvaardigheid teweeg, en het onregtvaardig

handelen onregtvaardigheid?--Natuurlijk.--En gezondheid in het

ligchaam teweeg te brengen is toch wel niets anders dan te maken,

dat de deelen des ligchaams, overeenkomstig met de natuur, elkander

beheerschen en gehoorzamen, terwijl het veroorzaken van ziekte gelijk

staat met hierin eene tegennatuurlijke verhouding te brengen.--Dat is

waar.--Edoch het veroorzaken van regtvaardigheid is te maken, dat de

deelen der ziel overeenkomstig met de natuur elkander beheerschen en

gehoorzamen, en het veroorzaken van onregtvaardigheid staat gelijk met

hierin eene tegennatuurlijke verhouding te brengen.--Juist.--Deugd is

dus gezondheid, schoonheid en welstand der ziel; maar ondeugd ziekte,

leelijkheid en ongesteldheid.--Ja.--En leiden nu goede oefeningen

niet tot het verkrijgen van deugd, slechte tot het tegendeel?--Dat is

onvermijdelijk.--

Nu moet, geloof ik, nog onderzocht worden: wat nuttiger is, regtvaardig

te handelen en de deugd te beoefenen en regtvaardig te zijn, hetzij dit

verborgen is of niet; of onregtvaardig te handelen en onregtvaardig te

zijn, zonder door het ondergaan van straf verbeterd te worden.--Maar

~Socrates~! ik vind het eigenlijk gek, na hetgeen wij gevonden hebben

nog te onderzoeken: of wél, als het ligchaam bedorven is, het leven,

zelfs bij overvloed van spijs en drank, rijkdom en magt, alle waarde

mist; maar er toch misschien echt levensgenot bestaan kan, wanneer de

eigenlijke bron des levens beroerd en bedorven is, en men doet, wat men

wil, behalve datgene, waardoor men van onregtvaardigheid kan verlost

worden en regtvaardigheid en deugd kan verkrijgen.--Eigenlijk hebt

gij gelijk. Echter moeten wij, nu het ons vergund is, dit duidelijk

in te zien, niet werkeloos blijven.--Dat is waar.--Komaan! zie dan

eerst eens, hoe veel soorten van ondeugd er wel schijnen te bestaan,

want het is de moeite waard, dit te beschouwen.--Zeg maar op, ik

ben bereid u te volgen.--Welnu, van het verheven standpunt, waarop

wij nu zijn gekomen, komt het mij voor, dat er slechts ééne soort

van deugd is, maar oneindig vele van ondeugd, waaronder echter vier

soorten meer bijzonder opmerking verdienen.--Hoe meent gij dat?--Het

schijnt, dat er evenveel verschillende gesteldheden van ziel als van

staatsregeling bestaan.--Hoeveel dan?--Vijf in den staat, en vijf in de

ziel.--Welke.--Vooreerst die ééne gesteldheid van staatsregeling, welke

wij besproken hebben, welke op tweeërlei wijs kan benoemd worden. Want

als onder de overheden één man uitstekend is, is het eene koninklijke

regering, en als er meer zijn, eene regering der edelen.--Dat is

waar.--Dit nu is ééne soort, zeide ik; want bij eene opvoeding en

opleiding als de beschrevene zou het geen noemenswaardig onderscheid in

de inrigting van den staat maken, of hij door meerderen of door éénen

geregeerd werd.--Dat geloof ik ook niet.--

De republiek van Plato · 第 44 / 65 题