XVII. Nu moeten die wachters worden opgeleid, en wel door muzenkunst en
gymnastiek. Het eerste van allen moet men zorgen, dat aan de kinderen
geen onzedelijke sprookjes aangaande de goden verhaald worden, gelijk
er vele bij de dichters voorkomen.
XVIII. Vooreerst moeten zij niet hooren, dat God de bron van kwaad is,
maar alleen van goed.
XIX. En dus ook alleen tot verbetering straft. Verder mogen zij niet
hooren, dat God van gedaante verandert, daar niets hem veranderen kan.
XX. En hij te volmaakt is om zich zelven te veranderen, en te
waarachtig om de leugen niet te haten.