XVI. Tot dit laatste is het noodig, dat hij wijsgeerig van aanleg zij.

XVII. Nu moeten die wachters worden opgeleid, en wel door muzenkunst en

gymnastiek. Het eerste van allen moet men zorgen, dat aan de kinderen

geen onzedelijke sprookjes aangaande de goden verhaald worden, gelijk

er vele bij de dichters voorkomen.

XVIII. Vooreerst moeten zij niet hooren, dat God de bron van kwaad is,

maar alleen van goed.

XIX. En dus ook alleen tot verbetering straft. Verder mogen zij niet

hooren, dat God van gedaante verandert, daar niets hem veranderen kan.

XX. En hij te volmaakt is om zich zelven te veranderen, en te

waarachtig om de leugen niet te haten.

De republiek van Plato · 第 17 / 65 题