XII. Ook zijn er eene markt, kramers en daglooners noodig.

XIII. Spoedig komt ook de weelde binnen en vermeerdert de behoeften en

de beroepen.

XIV. Hiervoor is een grooter gebied noodig, en door dat streven naar

uitbreiding ontstaat oorlog, die dan weer wachters noodig maakt; want

één mensch moet maar één beroep uitoefenen.

XV. Een goed wachter moet als een goede wachthond scherp van

waarneming, vlug, sterk, moedig en driftig zijn, en tevens vriendelijk

jegens zijne medeburgers.

De republiek van Plato · 第 16 / 65 题