V. En vooral dienstig is, om vóór den dood gepleegd onregt te
vergoeden. ~Socrates~ neemt hieruit aanleiding tot het opperen der
vraag, wat regtvaardigheid is. ~Cephalus~ echter verwijdert zich, en
~Polemarchus~ zet het gesprek voort.
VI. ~Polemarchus~ verdedigt hierop de bepaling van ~Simonides~: dat het
regtvaardig is ieder te geven wat men hem verschuldigd is, en legt dit
zóó uit: zijne vrienden goed en zijne vijanden kwaad te doen.
VII. ~Socrates~ leidt daaruit de bepaling af: de regtvaardigheid
is ieder te geven, wat hem toekomt, maar bewijst, dat die bepaling
verkeerd is, omdat in ieder bepaald vak niet de regtvaardigheid, maar
de ééne of andere bepaalde kennis ons leert te geven wat onzen metgezel
toekomt, en dus de regtvaardigheid zich dan alleen in het bewaren zou
vertoonen.
VIII. Ja, zelfs zou men kunnen bewijzen, dat zij dan even goed op
het stelen betrekking had. Ook is het verkeerd te zeggen, dat zijne
vrienden goed, zijne vijanden kwaad te doen regtvaardig is, daar
dikwijls vrienden en vijanden heel anders zijn dan zij schijnen.
IX. Ook is het ondenkbaar, dat eene goede eigenschap, zoo als
de regtvaardigheid, het doen van kwaad zou wettigen. Dus is de
voorgestelde bepaling der regtvaardigheid verwerpelijk.
X. ~Thrasymachus~ mengt zich hierop in het gesprek, beschuldigt hen van
dwaasheid.
XI. En geeft te kennen, dat hij het beter weet, waarop hij wordt
uitgenoodigd het te zeggen.
XII. Hij zegt: dat het regtvaardige dat is, wat nuttig is voor den
sterksten, dat is voor de bestaande regering.
XIII. En dat het voor de onderdanen regtvaardig is te doen, wat de
overheid beveelt. ~Socrates~ toont aan, dat deze bepalingen in strijd
zijn, zoodra men aanneemt, dat de overheid zich somtijds ten opzigte
van het nuttige kan vergissen.
XIV. ~Thrasymachus~ antwoordt, dat de overheid _als overheid_
onfeilbaar is.
XV. ~Socrates~ beredeneert nu, dat iedere kunst, dus ook die van
regeren, niet het nut van hem, die haar uitoefent, maar van haar
voorwerp beoogt.
XVI. ~Thrasymachus~ bestrijdt dit uit de ondervinding en toont aan,
dat overheden, vooral tirannen, wel degelijk hun eigen nut zoeken, en
dat overal het voordeel aan den kant van den onregtvaardigen is, en de
regtvaardigen het voordeel van anderen bevorderen.
XVII. ~Socrates~ echter toont aan, dat hier de overheid niet zoo als
zij wezen moest genomen wordt, want dat de wezenlijke overheid slechts
het heil der onderdanen beoogt.
XVIII. En dat het voordeel, dat de kunstenaar zelf van zijne kunst
trekt, eene bijkomende zaak is, die niet in de kunst zelve ligt; waarom
ook alle overheden loon vorderen.
XIX. En als de overheid niet betaald wordt, nemen goede menschen zulke
posten slechts waar, om kwaad te verhoeden. Ook is het een leugen, dat
de onregtvaardigheid gelukkiger maakt dan de regtvaardigheid.
XX. ~Thrasymachus~ houdt dit echter vol en noemt de onregtvaardigheid
wijsheid en de regtvaardigheid domheid.
XXI. Waarop ~Socrates~ aantoont, dat overal het onbepaalde streven naar
meer, dat den onregtvaardigen kenmerkt, een teeken van domheid, en het
houden van de juiste maat een teeken van wijsheid is.
XXII. Ook is de onregtvaardigheid niet sterk, want zij maakt overal
tweedragt.