I. ~Socrates~, met ~Glauco~ naar den Piréus gegaan zijnde, wordt door
~Polemarchus~ den zoon van ~Cephalus~ te gast genoodigd.
II. Hij vindt ~Cephalus~ aan het verrigten van huisselijke Godsdienst
en raakt met hem aan het spreken over den ouderdom.
III. ~Cephalus~ verklaart, dat de ouderdom voor een redelijk mensch
heel goed te verdragen is.