LUC. CAP. II. V. 14.

Glorie aan God in den Hooge, en vrede op de aarde aan de

menschen van goeden wil.

Godmaert en zijne dochter Geertruid zaten nevens elkaar in de boekzaal;

zij deden niets en waren in dien staat van angst en afwachting, die al de

denkingskracht des menschen op een punt vereenigt. Sedert een half uur

hadden zij nog niet gesproken, zij schenen te slapen met opene oogen.

Reeds wisten zij, hoe al de tempels beroofd, geplunderd en ontheiligd

waren, hoe men de geestelijken verjaagd en mishandeld had. Godmaert

weende in het binnenste zijns harten over de hulp, die hij den ketters

weleer verleend had; hij dacht met ijzing aan pater Franciscus, wiens lot

hij niet kende.

Niet min was Geertruid door schrikkelijke gedachten gefolterd. Sedert

den vorigen nacht had zij Lodewijk niet gezien. Niemand had haar over

hem eenig bericht kunnen geven. Pater Franciscus was in hare woning niet

verschenen, hij die anders in alle droeve of gevaarlijke voorvallen als

een schutsengel aan hare zijde stond! Hare angstige vrees, hare benauwde

gepeinzen losten zich op in dezen zucht, die dikwijls op hare lippen

dreef: ho, zij zijn dood! zij zijn dood!

Op eens kwam Theresia in de boekzaal geloopen, roepende als verdwaald:

“Daar zijn ze! Daar zijn ze! Lodewijk met pater Franciscus!”

Een blijde schreeuw van Geertruid antwoordde op de aankondiging van

Theresia. De jonkvrouw stond op met de armen in de hoogte en sprong

vooruit naar de deur.

Maar toen zij de beslijkte kleederen van Lodewijk zag, toen zij bemerkte

hoe zijne handen met bloedige krabben als overdekt waren en bovenal,

wanneer zij op den priester blikte, dan werd zij door eenen hevigen slag

getroffen. Zij bleef bevend in het midden der kamer staan, zond eenen

grievenden gil door de zaal en zakte ineen als een levenloos lichaam.

Godmaert sloeg zich de twee handen voor het aangezicht en ontrukte zich

aldus aan dit smartelijk tooneel.

De priester was bijna dood; hij werd door Wolfangh en Schuermans

veeleer gedragen en voortgesleurd dan ondersteund; zijne verslapte

beenen sleepten over den grond, ze hadden geene kracht meer om stappen

te vormen. Dan, zijn hart was nog niet gebroken, zijn geest nog niet

verdoofd.

Men plaatste hem met voorzorg in eenen armstoel; hij zonk zwaar en

beweegloos er in neder.

Ongetwijfeld had Geertruid het bewustzijn niet geheel verloren; want zij

ontwaakte van zelve en stond op. In deze omstandigheid behield zij alleen

de tegenwoordigheid van geest, die er noodig was. Terwijl al de bijzijnde

personen stilzwijgend op den priester staarden, of met luider stemme

klaagden, riep Geertruid de dienstboden van het huis tot zich. Den een

zond zij om eenen heelmeester, den ander om een geneesheer; de overigen

moesten kussens en linnen doeken gaan halen of wijn en versterkende

dranken aanbrengen.

Deze bevelen gaf zij bevend en als met de koorts bevangen. Dan, zonder

Lodewijk of iemand anders te bezien, ging zij tot den priester en wilde

hem op een goed bed doen leggen, doch hij stelde er zich tegen en, de

hand der jonkvrouw vattende, sprak hij, terwijl een heldere glimlach op

zijne aschvervige lippen speelde:

“Mijne dierbare dochter, spaar u die moeite, uw goede vader gaat tot God.

Pater Franciscus verlaat de wereld,... maar waarom zoudt gij treuren over

mij, terwijl eene ongekende blijdschap mij vervult? Ik heb lang geleefd,

mijn kind; de Heer heeft mij overladen met Zijne gunsten, en nu, nu

bewijst Hij aan mij, onwaardig mensch, de grootste genade.... ik sterf

voor Zijnen heiligen naam!”

Deze woorden deden op het gemoed der jonkvrouw eenen geheel anderen

indruk dan men hadde kunnen verwachten. In stede van in tranen los te

breken, verhelderde haar gelaat, iets, dat aan eenen glimlach geleek,

kwam hare wangen betrekken, en zij hield hare oogen als in eene hemelsche

bespiegeling op den priester gevestigd. Die verandering kwam daaruit

voort, dat zij op de bleeke wezenstrekken van den pater iets heiligs,

iets goddelijks zag blinken; dat zijne woorden vol hemelsche vreugde

haar hadden doen gevoelen, dat zulke dood, indien hij voorvallen moest,

waarlijk een geluk en eene genade van God zou zijn. Zooverre vervoerde

haar deze geestontheffing, dat in haar hart de treurnis gansch verging en

door bedaardheid werd vervangen. Op de woorden des priesters antwoordde

zij zonder droefheid:

“O, ik versta u, goede vader. Ja, gij moogt sterven! Gij moogt de wereld

verlaten! En uwe Geertruid zal niet weenen, niet klagen; want een

schooner leven wacht u, de hemel opent zich om u te ontvangen.”

Op dit oogenblik kwam er een geneesheer in de kamer. Zonder iemand aan

te spreken ging hij tot den priester, vatte zijne hand en bezag hem met

aandacht.

Al de tegenwoordig zijnde personen schenen eensklaps uit hunne droefheid

te verrijzen en naderden te gelijk bij den geneesheer; Godmaert zelf deed

den zetel, waarin bij zich bevond, tot bij den priester rollen.

Na eene lange wijl van algemeenen angst vroeg Lodewijk aan den geneesheer:

“Niet waar, meester Wallensius, er is nog hoop?”

De geneesheer antwoordde niet; maar Lodewijk zijne vraag weldra herhaald

hebbende, liet hij de hand van den priester zachtjes nedergaan en sprak

met dorre stem:

“Nog een half uur, ten langste!”

Op die akelige woorden volgde eene doodsche stilte. Godmaert, die nu bij

de zijde van pater Franciscus gezeten was, sloeg zijnen arm om den hals

van zijnen lijdenden vriend en verborg het aangezicht op zijne borst.

Tusschen eenen vloed van tranen, die onzichtbaar uit zijne oogen op des

priesters kleederen leekten, zuchtte hij:

“O vader, vriend, herhaal mij, dat gij mij vergeeft; want de wroeging

scheurt mij den boezem. Ik weet het, een gedeelte van uw onnoozel

bloed moet op mij terugvallen, indien uwe gebeden het niet van mijn

hoofd keeren. Vergeef mij! Ik heb mede de tempels van mijnen God

geschonden; ik heb het oude geloof helpen verdelgen, en in al de begane

heiligschenderijen heb ik een schrikkelijk deel; want ik heb mijne

stadgenooten aangedreven tot de balddadigheden, die u het leven kosten.

O, vergiffenis!”

Godmaert bezag op dit oogenblik het gelaat des priesters; een

engelenglimlach blonk hem tegen, eene uitdrukking zoo treffend en zoo

zoet, dat hij de koude hand van pater Franciscus aan zijne lippen bracht

en eenen dankbaren kus er op legde.

“O, gij hebt mij vergeven!” riep hij met blijdschap.

Des priesters oogen begonnen te breken; dit was zichtbaar. Hij antwoordde

in het eerst niet op Godmaerts klachten, maar vereenigde al de kracht,

die hem overbleef, alsof hij voor de laatste maal spreken ging. Hij

wenkte dan door eene lichte beweging des hoofds Lodewijk en Geertruid, en

zeide met flauwe stem, zoodra zij bij hem stonden:

“Nu, mijne kinderen, — nu ga ik sterven, — ik voel het!”

De wijze, waarop die woorden uitgesproken werden, liet niet den minsten

twijfel over hunne waarheid. Geertruid zonk op hare knieën voor den

priester en dwong Lodewijk, in dezelfde houding nevens haar te zitten.

De stervende pater ging voort:

“Godmaert, ja, gij hebt gedwaald — en gezondigd; — maar uw berouw is

innig.... In den naam van den God.... wiens dienaar ik ben, — ik vergeef

het u!... Treur niet door de vrees, dat de vijanden van ons geloof —

zullen zegepralen.... De kerk van Jezus Christus is onverdelgbaar.... uit

de vervolging put zij haren luister; — uit de bevechting hare macht....

Wolfangh, de abt van St. Bernard — zal u zeggen wat gij doen moet....

Het kloosterleven zal uwe driften temmen,... gij zult genade vinden bij

den Heer!... Liefste kinderen, hebt dank om uwe genegenheid tot mij. —

Wankelt nooit in uwe warme liefde tot God, in uwe vaste trouw aan het

eenig zaligmakend geloof.... Geertruid, Lodewijk, — gij zult vereenigd

zijn,... wanneer de kerk — haar rouwgewaad — zal afgeworpen hebben....

Uit den hemel.... zal — mijne ziel — over uwe kinderen — waken. — Zijt

gelukkig!.... bemint elkan.... der.... en....”

Zijne stem verging en werd onvatbaar. Door een laatste spanning zijner

levenskrachten hief hij de rechterhand boven het hoofd der knielende

gelieven, en scheen hen biddend te zegenen. Zijne hand viel weldra

ontzenuwd neder. Hij hief nog eens de oogen hemelwaarts, en als een

licht, dat, uitgaande, nog eene heldere sprankel van zich werpt, sprak

hij met klare stem deze schoone, deze verhevene woorden:

“Gloria in altissimis Deo.... et.... in terra pax hominibus!...”

Het wonderjaar: Eene gekkenwereld · 第 19 / 19 题