Alles was bereid gemaakt tot het omverwerpen der Spaansche beheersching.
Eenigen der Antwerpsche Geuzen, die meest allen edellieden waren, wilden
slechts tegen den vreemdeling strijden; doch er heerschte nog eene andere
en veel talrijkere gezindheid onder de woelende scharen. Dit was de haat,
dien menigeen den beelden toedroeg. Pieter Herman was de prediker, die
toen ter tijd bij Antwerpen met den grootsten nijd tegen deze uitvoer.
Hij had zich door eene misbruikte welsprekendheid veel invloed bij de
misnoegden verworven, en zich daarvan bediend om hen aan den Roomschen
godsdienst te onttrekken. Dat het gemeene volk zich door zijnen haat
tegen de Spanjaarden had laten verleiden, hebben de navolgende jaren
bewezen; want de menschen kwamen allen, de eene vóór, de andere na, van
hunne dwaling terug. Op dit tijdstip waren er evenwel zeer vele en vurige
voorstanders der hervormde leer.
Den negentienden Augustus, dag van gisteren, had er eene buitengewone
preek bij Borgerhout plaats gehad. Eene groote menigte volk was er
tegenwoordig. De regen, die bij groote vlagen op het veld nederstortte,
deed hen allen de plaats verlaten. Er werd dan onder hen gezegd, dat
zij ook eenen tempel hebben moesten; en met vloeken en zweren werd deze
begeerte nog sterker uitgedrukt. Herman, die gevoelde, dat de tijd
gekomen was om zijn doel te bereiken, hield zijne aanhoorders een weinig
buiten de Kipdorppoort staan, en klom op de trap van eenen windmolen.
Het volk luisterde met angstige nieuwsgierigheid. Herman riep hun deze
roekelooze woorden toe:
“Morgen, te acht uren, preek in Onze-Lieve-Vrouwekerk!”
En hij kwam onder het gejuich: Leven de Geuzen! de molentrap af.
Nu begon de schrikkelijke dag van morgen in het Oosten zich als eene
schemering te vertoonen. Een dikke grauwe nevel rees uit het Westen het
morgenlicht te gemoet en bedekte de zon met een ondoordringbaar floers.
Het scheen, dat die heerlijke parel van Gods kroon hare stralen niet
over zulke gruwelen zenden wilde on de koude dampen als een scherm tot
zich had geroepen. Dezen ganschen dag bleef het blauwe hemelwelfsel
onzichtbaar; de lucht was met stofregen als bezwangerd, en de natuur
kreeg eenen dier dagen, op welke de dieren der aarde zich, alsof het
nacht ware, verschuilen.
De deuren en vensters werden krakend geopend. De vreedzame daglooner ging
met haast aan zijn werk, zijnen knapzak met het dagelijksch brood gevuld;
de kooplieden zette hunne waren uit, de huisvrouw strooide met zorg het
witte zand voor hare deur, want geen van hen wist wat er gebeuren zou.
Om acht uren veranderde de rustige stand der stad in een woelig tooneel,
waarop het volk als de baren eener onstuimige zee rondstroomde. Door
nieuwsgierigheid aangedaan, verlieten de werklieden hunne winkels, de
bootslieden hunne schepen, de vaders hunne huisgezinnen; en boven deze
duizenden vlottende hoofden staken de vuurroeren der wapenbroeders
blinkend uit. Niets voorspelde, dat er gruwelen zouden begaan worden;
want zulke rondstrooming van volk werd er in die tijden meest alle dagen
in de stad gezien. Bij afwisseling kwam het geroep: “Leven de Geuzen!”
eenen onvoorzichtigen mond uit, en dan ging een nare schreeuw ten hemel
op, en verlengde zich door al de straten der stad. De meeste toeloop was
op de Groote Markt; daar stonden talrijke schutters voor het stadhuis
geschaard. Zeker hadden de weldenkende wethouders iets van der Geuzen
opzet vernomen, want nooit was het stadhuis zoo wel met krijgslieden
bezet geweest.
Lodewijk, Van Halen, Schuermans en hunne vrienden waren daar ook
tegenwoordig. Eenigen van hen hadden zich onkennelijk gemaakt. Schuermans
had het dikke wambuis en de blauwe broek eens schippers aan, de anderen
droegen den wijden mantel op de schouders en den breeden hoed op het
hoofd.
Juist waren zij bezig met te beraadslagen, hoe zij zich gedragen zouden,
wanneer zij al het volk naar de hoofdkerk zagen loopen. Angstig voor hare
behoudenis, drongen zij met geweld door de dichtgeslotene scharen, tot in
het midden des tempels. Gods woning werd door vloeken en zweren van het
grauw onteerd, de wapens klonken tegen de marmeren pilaren, en de graven
der heiligen werden van goddelooze voeten vertreden.
“Het sermoen! de predikatie!” werd er geroepen.
Dokter Herman klom op den predikstoel, met den bijbel in de hand. Hij
dacht zeker, dat hij daar niet rustig zou geweest zijn, want in de andere
hand nam hij een geladen pistool en riep, dat hij het op degenen, die hem
durfden storen, zou losbranden.
Lodewijk en zijne makkers hadden dit met ongeduld aangezien.
“Daar hebt gij een der voornaamste opstokers,” sprak de jongeling.
“Wilt gij eens zien, Lodewijk, dat ik hem op het oogenblik doe zwijgen?”
vroeg Schuermans.
Op een bevestigend teeken van den jonkheer liep hij driftig den
predikstoel op. Eer Herman hem bemerkte, had Schuermans hem reeds het
pistool uit de handen gewrongen en het verre van hem op den tempelvloer
geworpen.
“Ga hier af, ketter!” riep hij, “of ik werp u, als eenen hond dat gij
zijt, ten gronde!”
Dokter Herman wilde niet afgaan. Op zijn gezelschap steunende, poogde
hij Schuermans vast te grijpen; doch deze, den prediker om de middel
vattende, wierp hem als eenen steen te midden in het volk, dat
schreeuwend achteruitdeinsde. Vele gewapende mannen vielen op Schuermans
aan, om den hoon, dien hij hunnen meester had aangedaan, te wreken.
Misschien zouden zij den moedigen Antwerpenaar wel onbarmhartiglijk
gedood hebben, waren zijne vrienden hem niet ter hulp gevlogen.
Hier begon nu eene hevige worsteling. De beeldenstormers wilden den
predikstoel hebben, en schreeuwden den anderen toe, dat zij Spanjaarden
waren. Echter, zij het tegendeel wetende, werd er van de dolken geen
gebruik gemaakt. De krachtige spieren en de zware vuisten alleen dienden
hun tot wapen. Dit worstelen had nu al eenigen tijd geduurd, wanneer een
moedwillige vreemdeling Schuermans eenen dolksteek toestuurde en hem een
weinig aan den arm kwetste. Eenige droppelen bloeds rolden hem over de
vingers. Zijne vrienden werden op dit gezicht verbolgen en trokken hunne
dolken. Een bloedig gevecht scheen onvermijdelijk; velen liepen vervaard
en schreeuwend de kerk uit.
Op eens werd het volk, dat bij den ingang stond, met onweerstaanbaar
geweld tempelwaarts ingedreven; de predikstoel scheen onder de drukking
der achteruitdeinzende schaar van zijne grondvesten te worden gerukt.
Wolfangh kwam aan het hoofd van twintig welgewapende roovers als
uitzinnig de kerk binnen. Op het gezicht dezer onbekende mannen, die
met zulke dreigende blikken op het volk staarden en den tempel tot een
moordkuil schenen te willen maken, werd het worstelen geëindigd. Niemand
durfde zich nog roeren.
“Lodewijk,” vroeg Wolfangh, “wat gebiedt gij?”
Hij zwaaide zijn rapier met vlammende oogen tusschen de beeldenstormers.
Eer Lodewijk een woord gesproken had, lagen er reeds drie gewond op den
vloer.
“Houd op! houd op!” riep de jongeling, “stort geen bloed! Wij zijn te
gering in getal om de predikatie te beletten; laat ons liever naar het
stadhuis loopen om hulp te vragen. Wij zullen terugkomen met eene goede
bende schutters en deze goddeloozen de kerk doen ontruimen. Komt aan met
spoed!”
Zij gingen ter tempeldeur uit, in de gedachte dat men gedurende hunne
afwezigheid zou voortgaan met prediken. Maar niet zoodra hadden zij de
plaats verlaten, of een lang geschreeuw van “de afgoden aan stukken! de
afgoden aan stukken!” vervulde den tempel als een vernielingskreet.
De ketters begonnen dan tegen de beelden allen smaad te roepen, en
wierpen ze met vuiligheden in het aangezicht. Zij hadden evenwel nog
niets gebroken, toen een van hen, voor St. Rochus staande, luidop riep,
dat er geene beesten in Gods tempel zijn mochten. En hij rukte den
marmeren hond van de voetzuil ter aarde. Een ander vatte den heilige bij
de voeten, en daar het beeld in den muur vast was en niet onder zijn
geweld breken wilde, trok hij met zulke kracht er aan, dat de twee voeten
hem in de hand bleven. De ketter stortte achterover op den grond. Het
bloed liep hem langs mond en ooren uit.
“De afgoden aan stukken! De afgoden aan stukken!” riepen duizenden
stemmen. “Leven de Geuzen!” en in een oogenblik hadden zij zich van
koorden, bijlen, houweelen en ander werktuig voorzien.
Nu liepen zij razend naar de tempelmuren, en hakten met geweld alles,
wat maar een beeld gelijk was, ter neder. De menigvuldige kostelijke
altaren, de schilderijen, de marmeren versiersels, alles werd onder het
uitbraken van godlasterende woorden ten gronde gesmeten en met hamers
verbrijzeld. Het heilig lichaam onzes Heeren eerbiedigden zij niet
meer dan het gevoelloos marmer. Zij smeten de hostiën op den vloer en
vertraden ze onder hunne voeten.
Het scheen, dat de almachtige God Zijnen arm wederhield om hunne gruwelen
des te zwaarder te laten worden, en hun de straffen boven het hoofd te
verzamelen.
Tot hiertoe hadden zij de beelden en alles, wat zij bereiken konden,
ontleed en verbrijzeld. Één tafereel hing nog aan den muur. Christus,
voor ons allen aan het kruis stervende, was er kunstig op afgemaald.
Velen der stormers hadden reeds hunne oogen met nijdige blikken er heen
gewend; doch geen van hen dorst het overgeblevene tafereel genaken. Een
man, wiens grijze haren over zijne schouders in wanorde hingon, stond
voor de schilderij, de kolf van een zinkroer tegen de borst, en bereid om
zijn wapen los te branden op dengene, die hem zou naderen.
De heiligschenders kwamen eindelijk in groot getal naar den grijsaard, en
wierpen hem met de stukken der beelden, om hem te doen wijken; doch hij
bewoog zich niet en scheen ongevoelig aan hunne boosaardige woorden en
daden. Op eens kwam er één behendiglijk achter hem en trok hem achterover
op den vloer. Het roer ging af, en een der stormers kreeg het lood in de
borst.
Nu galmde de schreeuw “slaat dood! slaat dood!” door de gansche kerk.
“Mijn tafereel!” schreide de schilder, “o, mijn Christus!”
En hij reikte de armen smeekend ten hemel. Hij zag het tafereel, gebroken
en aan flarden gescheurd, nevens zijne zijde vallen op hetzelfde
oogenblik, als een Geus hem met eenen dolksteek het hart doorboorde. De
ongelukkige kunstenaar sprong op door eene laatste zenuwspanning en viel,
zoolang hij was, op de stukken der schilderij. Zooals hij weleer aan
Lodewijk gezegd had: zijn bloed stroomde, der kunst ten offer, over het
werk zijner handen.
De beeldenvijanden lieten het lijk van Van Hort liggen en begaven zich
opnieuw aan het breken. De twaalf apostelen stonden eerlijk en verheven
boven de pilaren, die het welfsel ondersteunden. Hooge ladders werden
er tegen gesteld, en met haken en koorden werkten de schenders zoolang,
totdat deze marmeren beelden alle op den grond verbrijzeld lagen. Velen
werden door den val gewond, en kermen hoorde men de gansche kerk door.
Doch niets kon hen wederhouden; zij waren uitzinnig geworden. Alles was
nu aan stukken, en de vloer met hoofden, voeten en andere deelen der
beelden dusdanig bedekt, dat men met moeite er over kon.
Een prachtig beeld alleen stond nog ongehinderd boven deze puinhoopen
van heilige zaken. Dit was het miraculeus beeld van Onze-Lieve-Vrouw
van Antwerpen. Zij was nog in plechtgewaad, zooals zij twee dagen te
voren in den ommegang was rondgedragen geworden. Eene kroon van de
kostelijkste diamanten versierde haar hoofd. Een mantel van goudlaken,
met schitterende parelen doorwrocht, viel achter haar in kunstige vouwen
neder. Het goddelijk kind Jezus droeg den zilveren wereldbol op zijne
vingers.
Waarom dit beeld nog niet gebroken was, is moeilijk te zeggen. Allen
hadden het gezien, mits het in ’t midden der kerk op eene prachtige
draagbaar geplaatst was. Het is denkelijk, dat geen dezer goddeloozen het
op zich dorst nemen, den andere tot het breken dezes beelds op te maken.
Nu alles verbrijzeld was, en de haken en bijlen stil lagen, begonnen zij
allengskens de moeder Gods te naderen en zagen elkander in de oogen met
ondervragende blikken. Op dien stond kwam een van hen, die dronken was,
want hij kon zich nauwelijks recht houden, toegeloopen.
“Wel, mannen!” riep hij, “zijt gij vervaard van dit stuk hout, of zijt
gij bang van de bellekens, die haar aan ’t lijf hangen? Kom, kom, smijt
die.... maar op den grond!”
En een zoo schrikkelijk smaadwoord viel van zijne lippen, dat het zijne
makkers verbaasde.
“Roep, vivent les Gueux! of gij moet aan stukken,” brulde hij nogmaals.
Willende de daad bij de woorden voegen, vatte hij met zijne twee handen
de armen der draagbaar, en deze omkeerende, wierp hij de Lieve Vrouw op
den vloer. De juweelen werden ontroofd, de mantel gescheurd, de kroon
verbrijzeld, en het beeld bleef naakt en geschonden liggen.
Hadden de mannen van Wolfangh hunnen meester verlaten, om zich onder de
beeldenbrekers te vermengen? Dit was waarschijnlijk, want onder die,
welke eerst de hand legden aan de juweelen der moeder Gods, waren vier of
vijf kerels, die een uur vroeger met Wolfangh waren uitgegaan.
Wanneer de ketters eenigen tijd nutteloos hadden rondgezien naar
beelden, die konden gebroken worden, begaven zij zich tot rooven. Zij
namen de gewijde kelken, remonstrantiën, kandelaren en kruisen; alles
wat maar eenige waarde had, werd gestolen. De deur der sacristie werd
opengeloopen, en de booswichten, niet vergenoegd met rooven en stelen,
kleedden zich spotsgewijze als priesters en zongen vuile liedjes, als
lofpsalmen, beschimpend ten hemel op.
Dit alles gebeurde zonder eenigen tegenstand. Lodewijk was met Wolfangh
naar het stadhuis geloopen, en had den burgemeester verzocht een deel
schutters met hem naar de kerk te sturen; maar een ander gevaar belette
de overheid dit verzoek toe te staan. Men hoorde in de richting van
het Spaansch kwartier een hevig geschut van zinkroeren, een verward
krijgsgeroep en al de kenteekenen van een bloedig gevecht. Vele schutters
hadden hunne gelederen verlaten, om zich naar huis te begeven en hunne
eigene goederen voor plundering te beschermen, zoodat de burgemeester de
weinigen, die overbleven, niet van het stadhuis durfde wegzenden.
Het gerucht en het geschiet, dat men hoorde, was veroorzaakt door eenen
aanval van Houtappel en zijne vrienden tegen het Spaansch kwartier.
De Spanjaarden hadden zich aan dien aanval verwacht en hunne dienstboden
gewapend langs hunne huizen in de Kloosterstraat geschikt. Ook, wanneer
de Geuzen zich eerst vertoonden, vonden zij eenen goeden tegenstand en
moesten met verlies van vier mannen terugwijken. Maar hunne razernij werd
heviger door dit ongeval. Houtappel sprak zijne makkers aan en liep met
hen opnieuw vooruit.
Nu hoorde men op de Groote Markt de afwisselende schoten der roeren
en het geraas der smaadkreten, die de twee benden elkander vechtend
toestuurden. De Geuzen behaalden ditmaal een groot voordeel op hunne
vijanden, doordien zij moediger en in grooter getal waren; zij smeten
zich weldra te midden der Spanjaarden, vermoordden al degenen, die
tegenweer boden, en dreven de anderen op de vlucht, zoodat zij zich
eindelijk meester van het slagveld zagen.
De lijken en gekwetsten werden opgenomen en bij de Hoogstraat in het
_Paardeken_ gebracht. Wanneer de gewonden verbonden waren, begaven
zich de overblijvende Geuzen terug naar de Kloosterstraat en liepen
er de deuren der Spaansche woningen open, welke bezigheid zij bleven
voortzetten totdat er geen enkel vijand meer te vinden was.
Gedurende dien tijd waren de beeldenstormers nog bezig met in de kerk van
Onze-Lieve-Vrouw alles aan stukken te slaan of te rooven. Doctor Herman,
die hen niet had verlaten, wakkerde hen aan om in het breken der afgoden,
zoo hij zeide, voort te gaan, en deed hen het voornemen opvatten om de
andere parochiekerken der stad op dezelfde wijze te ontheiligen.
Zij trokken dan met kruisvanen, standaarden, zilveren lantaarnen en
kruisen, welke zij geroofd hadden, als eene processie de kerk uit. Een
groot getal onder hen hadden kazuifelen, stolen en ander geestelijk
plechtgewaad aan. Zij zongen met verwarde stemmen de psalmen, door
Clement Marrot op rijm gesteld. De kostelijke kruisvanen wentelden zij
ten schroom der verbaasde burgers, in het slijk, en hieven ze dan weder
vuil en onkennelijk in de hoogte.
Het geschreeuw: Leven de Geuzen! herhaalden zij onophoudelijk.
Lodewijk met Wolfangh en een tiental hunner vrienden stonden bij het
stadhuis en staarden met wanhoop op die verfoeilijke heiligschending, zij
poogden nogmaals de wethouders over te halen tot eenen aanval tegen de
beeldenstormers; doch zij gelukten hierin niet, aangezien de overheden
het voorzichtiger oordeelden, de weinige krijgsknechten, die hun getrouw
gebleven waren, niet in gevaar te stellen.
Lodewijk leunde moedeloos en bijna weenend tegen eenen paal der markt;
zijne oogen dwaalden met afgrijzen en met toorn tusschen de ontheiligde
standaarden. Misschien ware hij in die beweegloosheid zeer lang verzonken
gebleven; maar iets, dat hij nu zag, deed hem opspringen als iemand, die
door eenen pijnlijken slag getroffen wordt. Hij bracht de twee handen
voor de oogen, om niets meer te zien; weldra nogtans hief hij het hoofd
op en riep tot zijne vrienden:
“O, hemel! Ongehoorde boosheid! Ziet, zij hebben het heilig sacrament!
Onzen levenden God zelven durven zij bespotten! Nu weerhoudt ons niets
meer.... Sterven wij als ware Christenen, indien het zijn moet! Ontrukken
wij hun ten minste het allerheiligste!”
Met deze woorden trok hij zijnen degen uit de scheede en wilde zich
vooruitwerpen, om te midden der schenders te loopen; maar Wolfangh
weerhield hem en sprak met doffe stem:
“Bezie mij, Lodewijk. Is er bloed in mijne oogen of niet? Brandt in mij
de razernij als een verslindend vuur? Ja, niet waar? Nogtans, ditmaal zal
ik mijne drift overwinnen. Aan mij zal de eer toekomen van het uitvoeren
dezer taak. Gijlieden kunt ze niet volbrengen; gij zijt te woedend, te
onvoorzichtig, met geweld is hier niets te winnen.... Laat mij doen;
blijft hier stil staan,... verroert u niet....”
Wolfangh haalde bij deze woorden eenen moordpriem van onder zijnen
mantel en beproefde met den vinger of de punt nog scherp was. Dan ging
hij met sluipende stappen tot tusschen de schenders en naderde allengs
tot bij dengene, die het allerheiligste droeg. Maar hoe ontvlamde hij
in gramschap, wanneer hij in dezen spotter eenen roover zijner bende
herkende! Hij bleef staan, stak de hand onder zijnen mantel en vatte den
moordpriem, maar eene plotselijke gedachte deed hem dien weder loslaten.
Hij bracht zijnen mond aan het oor des roovers en sprak met eenen
nadrukvollen klem:
“Gij gaat sterven, Bernhard. Mijn moordpriem weet reeds de plaats, waar
hij u doorboren zal.”
De roover werd bleek als een doode; hij had de stem, die in zijn oor
sprak, herkend. Eene siddering liep hem over het lichaam.
“Luister,” hernam Wolfangh, “ik zal u genade schenken, ik zal u niet
vermoorden, indien gij hetgeen gij draagt mij overgeeft, zonder dat het
iemand bemerke.”
De roover bukte zich alsof hij iets, dat aan Wolfanghs voeten lag, wilde
vatten. Hij stond op: de remonstrantie was verdwenen.... Alleenlijk kon
men bemerken, dat Wolfangh met den linker elleboog de eene zijde van
zijnen mantel omhoog hief, eene houding, die men in hem zeer zelden
bespeurde. Hij ging niet rechtstreeks tot Lodewijk, maar draaide
langs de Handschoenmarkt af en kwam zoo bij het stadhuis, waar hij de
remonstrantie aan den burgemeester ter bewaring overgaf.
Een uur later verliet Lodewijk zijne vrienden, onder voorwendsel van zich
naar huis te begeven; doch het was om vol droefheid en eenzaam door de
stad te dwalen; het was om zich geheel over te geven aan de smart, die
deze schriktooneelen hem veroorzaakten. Wanhopig en buiten zich zelven,
stapte hij langzaam door de straten en scheen zich bijna niet meer te
bekreunen over hetgeen er gebeurde. Een gevoel van schaamte belette hem,
zich naar Godmaerts woning te begeven. Zou hij zeggen, dat dit alles
onder zijne oogen geschied was, zonder dat hij iets had kunnen doen om
het te beletten?
Nu de stormers door de onmacht der regeering van straffeloosheid
verzekerd waren, gingen zij voort met alles in de stad aan stukken te
houwen. Geen beeldje lieten zij op poort of muur ongeschonden staan.
En wanneer de vreedzame burger zich tegen hun geweld wilde verzetten,
werd hij door deze booswichten wreedelijk mishandeld en met smaadwoorden
bejegend. Een oneindig getal inwoners, die over de gevolgen dezer
goddeloosheid en vernieling verschrikten, vielen van de zijde der
hervormers af.
De zon had zich van wolken ontdaan. Heerlijk en prachtig zond zij
hare stralen boven de puinhoopen, die overal op de openbare plaatsen
bijeengezameld waren. Afwisselende scharen van ontelbare menschen
stroomden met blij gejuich door de stad.
“Heil! Heil!” schreeuwden zij, alsof eene razende vreugde hen dol had
gemaakt. Bijlen, ladders, koorden en meer ander werktuig werden door hen
zegepralend rondgedragen. Wanneer zij, aldus loopende, op den gevel van
eenig gebouw nog een beeld, hoe hoog het ook ware, bemerkten, klommen
zij, door het grauw toegejuicht, naar boven, en het beeld viel dan onder
het geroep: Heil! Heil! kletterend en verbrijzeld op den grond.
Alle winkels waren gesloten, alle kerken beroofd, de gevels van alle
huizen en openbare gebouwen geschonden. Puinhoopen van kostelijk marmer
belemmerden de kruisstraten. Het scheen, dat de Antwerpenaren, door
uitzinnigheid verblind, hunne huizen niet meer bewonen wilden en hunne
eigene stad met hardnekkigheid vernielden.
Van deze gruweldaden geschiedden er vele op de markten en in de straten,
waar Lodewijk voorbijging. Zoo zag hij voor de St. Jakobskerk eenen
grooten hoop beelden, kruisen en vele andere gewijde zaken in een groot
vuur, dat de stormers aangestoken hadden, tot assche verbranden.
Op den namiddag ging hij voorbij het Minderbroedersklooster, alwaar men
bezig was met plunderen. De broeders en priesters werden met spotternij
en mishandeling verjaagd en vervolgd. Dit ziende, verschrikte Lodewijk
hevig, daar hij aan pater Franciscus dacht, dan eerst ontwaakte hij uit
de radeloosheid, welke hem dien ganschen dag tot een gevoelloos mensch
gemaakt had. Hij hief het hoofd op; een nieuw vuur blikkerde in zijne
oogen, en hij wendde zich met haastige stappen naar de Veemarkt, om pater
Franciscus te gaan vinden en hem van mishandeling te bevrijden, indien
het mogelijk ware.
Dáár komende, vond hij voor het Predikheerenklooster eenen ontelbaren
hoop beeldenstormers, die hem den doorgang beletten. Met veel moeite, na
lang drukken en stooten, geraakte hij eindelijk binnen in het klooster,
dat met booswichten en dieven was vervuld. Hij zag hen om de zilveren
kandelaren vechten, hoorde de schandelijkste vloeken tegen de welfsels
bonzen, en vond den refter vol dronken menschen, die in onzedige
liedekens en lasterende spotternijen zich vermaakten.
Lodewijk ging dwars door deze goddeloozen en gaf geene acht op hunne
scherts; hij klom de trap op, om zich naar de cel van pater Franciscus
te begeven, en kwam weldra op het eerste verdiep, waar hij weinig volk
aantrof.
De cellen stonden open, alles was binnen deze doodstil; eenige deuren
waren aan stukken geslagen als een teeken der balddadigheden, die men
hier gepleegd had. Reeds klopte het hart van den jongeling langzamer;
zijn hoofd viel met moedeloosheid voorover, en er was weinig hoop meer
in hem, alhoewel hij nog voortstapte door den gang, wanneer hij op eens
eenige stemmen van verre zegepralend hoorde roepen:
“Hier hebben wij nog eenen paap! Werpt hem op de straat, dien hond!”
Lodewijk sprong vooruit, smeet drie of vier mannen van de celdeur weg
en deed eenen stap in het kleine vertrek, terwijl de verbaasde stormers
elkander met ondervragende blikken bezagen.
Pater Franciscus lag, zoo lang hij was, met het aangezicht tegen den
grond voor een kruisbeeld uitgestrekt, zijne zilveren haren raakten van
wederzijden den vloer. Van tijd tot tijd deed hij eene beweging als om de
handen hemelwaarts te heffen, en eenige vurige woorden, die zijnen mond
ontsnapten, getuigden, dat hij bezig was met bidden.
Er ontstond in den geest van Lodewijk eene gedachte om al de spotters,
die aan de deur stonden, te dooden; hij kon dit doen, want zij waren
weinig in getal en niet gewapend; maar hij verliet welhaast dit inzicht
en wierp zich geknield nevens pater Franciscus, wiens eene hand hij in de
zijne nam. Dan sprak hij:
“Vader, hier ben ik, uw beminde zoon Lodewijk. Ik kom u redden.”
De priester rechtte zich op de knieën, bezag Lodewijk met eenen dankbaren
blik en antwoordde, terwijl hij de oogen op het Christus-beeld gericht
hield:
“Lodewijk, mijn goede zoon, ik dank u om uwe genegenheid: maar ik zal
u niet volgen. Hier, in deze cel, wil ik sterven, indien God over mijn
leven heeft beschikt. Laat mij bidden, stoor mij niet. Ik wil de wereld
verlaten met den naam des Heeren op mijnen mond. Ga heen, denk niet aan
mij.”
Lodewijk sloeg als verdwaald zijne twee armen om het hoofd des priesters,
tranen borsten uit zijne oogen, en hij snikte:
“Gij sterven! Gij, mijn goede vader! O, Geertruid zou mij vermaledijden,
indien ik u hier liet! Kom aan, de goddeloozen zullen u mishandelen;
zij zullen u vermoorden.... Het is nog tijd.... Ik zal u verdedigen of
sterven met u.”
“Lodewijk, mijn brave zoon, wees bedaard.... Zie, de kroon des
marteldoods wordt mij aangeboden; zou ik die weigeren? De Heer heeft mij
zeventig jaren gegund, ik ben niet ondankbaar.”
De jongeling plaatste zijne hand op den mond des priesters.
“Uwe woorden zijn heilig,” riep hij, “maar zij branden op mijn hart als
vuur! O, zie mijne tranen, denk aan Geertruid, aan Godmaert. Gij alleen
kunt ons troosten: uw dood zou uwen vriend Godmaert het leven kosten;
want nu durf ik het zeggen, en gij weet het, hij zou deel hebben in
den moord; uw bloed zou op zijn hoofd terugvallen,... hij heeft uwe
vijanden opgestookt.... Zult gij wreed genoeg zijn, o goede vader, om
hem die eeuwige wroeging op den hals te laden, om uw eigen bloed over
hem te werpen, en zijne dochter haren vader te doen beschuldigen? Neen,
niet waar, gij gaat met mij? Gij zijt te edelmoedig, te goed om uwen
evennaaste, uwen vriend, dit ongeluk aan te doen!”
Gedurende deze woorden had Lodewijk den priester met geweld doen
rechtstaan, en trok nu als zinneloos aan zijne hand om hem uit de cel te
doen gaan.
“Ik zal u volgen,” sprak eindelijk de pater, “maar luister wel op
deze woorden, mijn zoon; want ik wil, dat gij ze volbrenget als een
onverbrekelijk bevel.... Misschien zal men u en mij bespotten en
mishandelen; gij zult lijden met mij, zonder gemor, zonder tegenweer....
Wat er ook gebeuren moge, al ware het dat men mij het leven name, zoo is
mijn wil, dat gij niets doet om mij te verdedigen of te wreken,... ik
verbied het u. Zult gij daartoe moeds genoeg hebben?”
“Ja, ja, vader, kom; ik zal alles verdragen.”
Zij gingen dan ter celdeur uit, onder de smaadwoorden dergenen, die zich
in den gang bevonden, en kwamen weldra in den refter, waar zij door eenen
hoop dronken mannen moesten gaan. Dezen hieven een verward gejuich aan,
zoodra zij den priester zagen.
“Een paap! Een paap!” werd er geschreeuwd.
In een oogenblik was pater Franciscus van het boos gespuis omringd;
allerlei lasteringen werden hem toegesnauwd: de een trok aan de kap van
zijn habijt, de ander spuwde hem bier in het aangezicht; doch de priester
ging, met de oogen nederwaarts geslagen, langzaam voort en scheen voor al
deze balddadigheden gevoelloos; zijn habijt was aan flarden gescheurd,
bier lekte van zijn statigen schedel.
Lodewijks gelaat was schrikkelijk. Men kon er genoeg op lezen, wat
leeuwenrazernij hem verteerde, het wit zijner oogen was onder en boven
zichtbaar, zijne tanden waren op elkander gesloten, en hij neep onwetend
de handen des priesters te pletten. Nogtans hij herinnerde zich het
ontvangen bevel en deed geen teeken, dat aanduidde, dat hij tegenstand
wilde bieden.
Na vele mishandelingen geraakten zij eindelijk op de Veemarkt, maar hier
werd hun toestand nog verergerd. Eene ontelbare menigte volgde hen; velen
kwamen aan de ooren des priesters de walgelijkste woorden, de bloedigste
blasphemieën uitspreken; anderen wierpen met slijk en vuiligheid, zoodat
de zilveren haren van pater Franciscus schandelijk met zand en modder
besmeurd werden. Reeds had Lodewijk meermalen gesmeekt en geroepen:
“O, vader, laat mij ze dooden, of mijne aderen barsten nog! Ik kan
niet.... niet meer stil blijven. Om Gods wil, laat mij u wreken en
sterven!”
Maar de priester antwoordde:
“Hoe schoon is het, Lodewijk, te lijden omdat men zijnen God getrouw
is. Denk aan de Christenhelden der oude tijden: zij werden gemarteld,
gebrand, gepletterd, maar in het midden der ziedende olie, onder den
klauw der leeuwen, kwam uit hunnen heiligen mond geene enkele klacht,
geen enkel wraakzuchtig woord; alleen staken zij de handen op tot God, om
vergiffenis voor hunne beulen te vragen. Volgen wij hun voorbeeld, mijn
zoon; misschien zullen wij heden met de glanzende kroon der martelie voor
den Heer verschijnen!”
Bij den hoek der Zwartzusterstraat, aan de Koepoort, stond een half
opgebouwd huis, waarbij een hoop gebroken schaliën lag.
Even was Lodewijk eenige stappen daar voorbij, of hij hoorde een stuk
schalie aan zijn oor fluiten. Weldra vlogen meer schaliën naar hen,
totdat eindelijk eene daarvan tegen het naakte voorhoofd van pater
Franciscus bonsde en hem eene wijde wonde toebracht.... Lodewijk zag het
bloed over zijn aangezicht stroomen....
Nu kende hij geene voorzichtigheid meer; nu vergat hij het bevel van den
pater en, zonder meer naar hem om te zien, liep hij tot dengene, dien hij
de schalie had zien werpen, en stak hem met zooveel geweld zijnen degen
door het lijf, dat deze langs den rug uitkwam; hij zag rond om nog meer
slachtoffers te vinden, maar al de spotters hadden zich loopend tot op
eenen tamelijken afstand verwijderd.
Ondertusschen was pater Franciscus op de straat nedergevallen; de
slag der snijdende schalie had hem zoo wreedelijk getroffen, dat hij
machteloos ten gronde was gezonken.
Lodewijk naderde hem met eenen angstigen schreeuw, en, hem half
opheffende, sleepte hij hem tot tegen den muur van een huis, waar hij
hem zittend liet nederzakken. Terwijl waren de balddadigen met meer
woede genaderd en wierpen allengs meer en meer met steenen, schaliën en
vuiligheid.
Vol wanhoop, radeloos en niet wetende wat te doen om den priester te
bevrijden, ging Lodewijk vóór hem op zijne hurken zitten en bedekte hem
zoo met zijn eigen lichaam. Steenen vlogen onophoudelijk tegen zijne
leden, en menige pijnlijke gil ontsnapte hem. Misschien ware hij lang in
deze houding gebleven, maar een gedeelte van het gespuis kwam langs eenen
anderen kant staan werpen, zoodat zij dikwijls den priester raakten.
Deze, uit zijne machteloosheid ontwaakt, wilde met geweld Lodewijk van
zich doen weggaan.
“Laat mij sterven,” sprak hij, “laat mij martelaar zijn, stel u niet
langer bloot voor mij.... ik zal voor u bidden in den hemel. Kom, mijn
brave, mijn dappere zoon, geef mij een afscheidszoen....”
Maar Lodewijk antwoordde niet; al zijne aandacht was op de vliegende
steenen gericht; al zijne zorg bestond daarin, dat hij met zijne armen
of schouders, als met een schild, het lichaam des priesters beschutte.
Dan, eindelijk werd het getal hunner vijanden zoo groot, dat Lodewijk den
priester niet meer bevrijden kon. Hij wierp zijne twee armen om den hals
van pater Franciscus en klemde zich vast tegen zijne borst.
“Daar is de zoen, dien gij gevraagd hebt, vader,” riep hij, “maar het is
geen afscheidszoen.... Neen, sterven wij te zamen voor onzen God. O, ik
zal ook martelaar zijn.... Hoe schoon is die zekerheid!....”
Zijne stem verging, en hij verborg zijn hoofd tegen den boezem van pater
Franciscus.
Gewis hadde hij zich in deze houding laten dooden: maar een zware steen,
die tegen het lichaam van pater Franciscus bonsde, deed eenen luiden
schreeuw uit zijne borst opklimmen. Lodewijk rukte zich los, sprong met
verdwaaldheid op en blikte tusschen eenen hagel van steenen de straten
in, om te zien of er geene hulp te bekomen was. Op eens zag hij van verre
in de Koepoortstraat eenige menschen, die hij kende, aankomen.
Eene uitdrukking van blijdschap liep over zijn gelaat, en hij schreeuwde
als met eene bovennatuurlijke stem:
“Wolfangh! Wolfangh!”
En dan bedekte hij weder den priester met zijn lichaam.
Bij den naam van Wolfangh schenen de steenen in de handen der werpers
vastgehecht te zijn; zij bestaarden elkander ondervragend en blikten
rond, of zij waarlijk den man zouden zien, die den alomgevreesden naam
van Wolfangh droeg.
Weldra kwamen er een tiental mannen bij Lodewijk: het waren zijne
vrienden, welke hij bij het stadhuis verlaten had.
“Wolfangh! Schuermans!” riep Lodewijk, terwijl hij van voor pater
Franciscus wegging, “ziet, zoo behandelen zij den beste aller menschen,
een zeventigjarigen priester!”
“Ha!” riep Wolfangh als met vreugd, “er zijn boozer menschen dan ik! Het
bloed der moordenaars gaat stroomen!”
Dan wierp hij eenen medelijdenden blik op pater Franciscus en eenen
metenden blik op degenen, die hem mishandeld hadden: hij nam in iedere
hand eenen moordpriem en trok zijn hoofd tusschen de schouders....
er kwam een geloei uit zijne borst als uit de keel van eenen wilden
stier.... en, eenen stormram gelijk, wierp hij zich vooruit....
Eer Schuermans en de anderen hem volgen konden, lag er reeds menig
booswicht in zijn bloed te spartelen; en na een oogenblik was in al
de aanpalende straten geen enkel mensch meer zichtbaar. Alleenlijk
hoorde men in de verte den schreeuw: “Wolfangh! Wolfangh!” als eenen
schrikverwekkenden roep aanheffen.
Dan kwam Wolfangh terug bij pater Franciscus; hij bezag met innige
verontwaardiging het edel gelaat des priesters, dat nu onder een masker
van slijk en bloed onkennelijk was gemaakt, maar, na eene wijl als
verslagen op dit tooneel gestaard te hebben, verliet hij Lodewijk en
zijne vrienden, en liep naar de deur van het tegenoverstaande huis.
Ondanks zijn kloppen en roepen werd er niet opengedaan.
Wolfangh ontvlamde in razernij, wanhopig wrong hij den ijzeren klopper
der deur krom, doch eensklaps hernam zijn ontembaar gemoed de overhand:
een oogenblik later stond hij voor de deur met eenen arduinen dorpel,
dien hij bij het afgebroken huis gehaald had. Slot en grendel sprongen
af.... De deur viel bonzend neder.
Kort daarna kwam Wolfangh uit het huis geloopen, in de eene hand hield
hij eene kom met water en in de andere eenige linnen doeken. Hij knielde
neder bij den priester, waschte zijn hoofd en aangezicht, en verbond
zijne wonde met zooveel behendigheid, dat men hem voor eenen heelmeester
zou hebben kunnen aanzien.
Nu kon men bemerken wat schrikkelijke verandering er in pater Franciscus
was omgegaan. Het verloren bloed had hem al zijne krachten ontnomen;
zijn ingevallen gelaat was meer dan bleek, het was aschvervig en
doorschijnend; zijne lippen waren van dezelfde kleur als de moorddadige
schaliën, die rond hem lagen. En nogtans er blonk op het aangezicht des
priesters eene hemelsche uitdrukking van onderwerping aan den wil des
Heeren, een glimlach als die der engelen.
Lodewijk zat insgelijks bij pater Franciscus geknield en hielp Wolfangh
in het verbinden der wonde. Het was meest op Lodewijk, dat de priester
zijn verflauwend oog gericht hield.
“Ho, gij zult gered zijn, goede vader,” sprak de jongeling met
teederheid, “uwe wonde zal genezen. Gij zult nog langen tijd onze
beschermengel kunnen zijn.”
“Lodewijk, mijn dierbare zoon,” zuchtte de priester, “de Heer heeft
over mij beschikt. Hij heeft mij de kroon der martelie vergund. Ik zal
sterven. Niet van de wonde, die gij verbindt; maar een steen, — de
laatste, — heeft mij de borst ingedrukt. Ik voel het in mijn lichaam:
mijne ziel doet geweld om zich los te rukken; zij wil hemelwaarts....
doch ween niet om mij; mijn lot is te schoon.”
Op deze rede antwoordde Lodewijk niets; alleenlijk staarde hij met stijve
blikken op des priesters gelaat.
“Gij bemint mij dan zeer?” sprak pater Franciscus, terwijl hij Lodewijks
hand drukte.
Die woorden deden de tranen als beken uit de oogen des jongelings
stroomen.
“O ja, gij bemint mij zeer!” herhaalde de priester. “Ik zal voor u
bidden, Lodewijk.”
Nu werd pater Franciscus door Wolfangh en Schuermans voorzichtig
opgelicht, met alle voorzorg ondersteund en langzaam naar de Keizerstraat
voortgeleid, terwijl Van Halen en de andere vrienden van Lodewijk zich
bereid hielden om den eersten spotter het leven te benemen.
Zij kwamen eindelijk aan Godmaerts woning en werden door Theresia
binnengelaten.
X
Gloria in altissimis Deo, et in terra pax hominibus bonae
voluntatis.