“Reptile! — dost not dread the arm of an honest man when raised
against thee in just anger?”
F. COOPER’S _Headsman_.
In de Keizerstraat stond een gebouw, welks gevel met zijne trapkens zich
verre boven de andere daken verhief. Eene wijde poort, overdekt met
schoon gesneden beeldwerk en met duizenden nagelen, stond gapend open.
Het groot getal vensters aan de straat was met zware ijzeren traliën
voorzien. Deze verzekering was ten uiterste noodig, mits de dieven
en roovers, in dien tijd van beroerte en mistrouwen, zich wonderlijk
vermenigvuldigd hadden en de handhaving der wetten dusdanig was verslapt,
dat de kwaaddoeners bij klaren dag den burgeren hun geld ontroofden.
Dit huis, dat eer aan eene gevangenis geleek dan aan het verblijf eens
edelmans, was de woning van Godmaert.
Deze was dan des morgens in zijne gewone werkkamer gezeten, met het
hoofd op de hand de staatszaken overpeinzende, wanneer de deur der kamer
langzaam openging, en er een geestelijke binnentrad. Het was een man
van bij de zeventig jaren, lang van gestalte en niet gekromd door den
ouderdom; hij hield zich recht, alhoewel al zijne bewegingen vergezeld
waren van eene bevende rilling. Zoodra hij de kap van zijn habyt op
den rug geworpen had, kon men niet zonder een gevoel van eerbied zijn
statig hoofd beschouwen. Zijn schedel, die als een spiegel het daglicht
weerkaatste, was omvangen door eenen krans van zilverwitte haren: de
kroon, die de voorbijgesnelde jaren om zijn hoofd gevlochten hadden.
Op zijn gerimpeld doch schoon gelaat blonk goedheid en liefde, terwijl in
zijne weifelende oogen eene diepe droefheid te lezen was.
Bij de komst van dezen priester sprong Godmaert op, liep hem te gemoet,
drukte hem de beide handen met eerbiedige liefde en sprak:
“Pater Franciscus, mijn goede vader, mijn vriend, heb dank dat gij mij
komt bezoeken.”
“Mijn zoon,” antwoordde de priester, “moet ik, in deze dagen van
verleiding en van ongeloof, uwe kinderen niet van besmetting bevrijden?
Zij zijn tot hiertoe zoo godsdienstig en zoo zuiver van gemoed gebleven,
ik zou zondigen, indien ik nu niet met verdubbelde zorg over hen waakte,
nu de duivel zich van het gevoel der vaderlandsliefde bedient om de
zielen te doemen.”
Nedergezeten zijnde, ging de priester voort:
“Godmaert, ik kom hier, om eenigen tijd met Lodewijk en Geertruid te
spreken, ik vrees voor deze mijne beminde kinderen.”
“Lodewijk is nog niet hier, maar Geertruid is bereid om u te ontvangen,
vader. Zij is in de boekzaal.”
“Meteen zal ik haar gaan vinden; maar Godmaert, mijn zoon, mijn vriend,
mijn broeder vóór deze, luister nog eens met aandacht op mijne vermaning,
en verschoon de tranen van droefheid, die mijnen dorren oogen ontglippen.”
“O, spreek, vader; gij weet hoezeer ik uwe woorden eerbiedig, en wat
liefde ik u steeds heb toegewijd.”
De priester greep de hand van Godmaert in zijne bevende handen, en sprak
met aandoening:
“Ik weet het, mijn zoon. Die troost blijft mij over, dat gij wel
verdwaald, naar niet misdadig zijn kunt.”
Na een poos in overdenking gebleven te zijn, hernam de priester met eene
nadrukvolle stem, en alsof hij uit hetgeen hij zeggen ging eene hem
vreemde kracht ontleend had.
“Godmaert, Godmaert, de vijand van uwen God zegepraalt in uw vaderland!
De lucht weergalmt dagelijks van lasteringen tegen het geloof onzer
vaderen, benden van allerlei ketters, door Satan aangevoerd, overstroomen
onzen bodem en verleiden onze verblinde medeburgers. Zij hebben een
vereenigingswoord, een vaandel, waarop geschreven staat: “Haat aan
de Spanjaarden!” Ho, neen, neen, zij bedriegen u: “Haat aan het oude
geloof van België!” Het is niet de troon van Philips, dien zij omver
willen werpen, maar de altaren van onzen God willen zij ontheiligen en
verbrijzelen. En weten dat gij, mijn zoon, mijn vriend, wiens gemoed
rechtzinnig is, dat gij, Godmaert, onder dit vaandel strijdt, o! dit
doet mij weenen en bidden. Ik roep tot den hemel met de woorden van den
stervenden Zaligmaker: Heere, Heere, vergeef hem, want hij weet niet, wat
hij doet!”
Godmaert was bij de woorden van den priester hevig ontroerd, en hij
ontveinsde zich niet, dat daarin eene waarheid berustte, die moeielijk
te betwisten was, doch hij, zoowel als andere menschen, kon in dit geval
niet plotseling van gevoelen veranderen. Hij antwoordde:
“Ik ontken niet, vader, dat ons land vervuld is met slechte lieden, die
uit vreemde streken hier gekomen zijn om het zaad der ketterij uit te
strooien, maar ik kan niet gelooven, dat de omwenteling iets ten hunnen
voordeele zou voortbrengen.”
“Maar, Godmaert, ruk toch dien blinddoek van uwe oogen. Waarom zijn
Doornik, Audenaerde, Rijssel, Valencyn overgeleverd aan de Calvinisten?
Waarom gaat de gezindheid der Herdoopers als een loopend vuur over
Holland en Zeeland? Waarom is Antwerpen de grond, waar de Lutheranen, de
Calvinisten en de Herdoopers te gelijk en ongehinderd hunne gezindheid
in de opene lucht aanpreeken? Wil ik het u zeggen? Omdat gij en de
andere edelen, door uwe tegenstreving aan de Spaansche beheersching,
het staatsbestuur hebt machteloos gemaakt. Wat zal er nu van komen? Gij
zult de kerken van uwen God overgeleverd zien aan de balddadigheden der
boozen, men zal den spot drijven met de voorwerpen, die uw geloof voor u
geheiligd heeft! Hoort gij dan den donder der beeldenbraak in de verte
niet grollen? Ziet gij de onweerswolk op de kim niet rijzen?”
Godmaert had den priester met ontsteltenis aangehoord, zijn hoofd was
allengs dieper op zijne horst gezonken. Na een oogenblik wachtens
antwoordde hij met neerslachtigheid:
“O! ik weet het, en ik zie het met pijn: wij werken tegen ons geloof.”
Als een lichtstraal glom de vreugd op het gelaat des priesters. Hij hief
zijne oogen ten hemel en riep:
“Heb dank, o God, die mijne stem kracht gegeven hebt.”
Godmaert blikte naar den grond en wrong zich de leden, alsof hij door een
pijnlijk gevoel gefolterd ware geweest. Eensklaps richtte hij het hoofd
op, en riep als verdwaald:
“Maar, vader, zouden wij ons dan aan den Spanjaard moeten onderwerpen?
Ben ik geen krijgsman? Ben ik niet van den Vlaamschen adel? Neen, neen,
ik kan hunne misachting niet verkroppen, en ik mag het gevoel der eer
in mijnen boezem niet versmachten. De Spanjaarden zijn te trotsch en te
hoogmoedig: zij moeten weg!”
Het gelaat des priesters werd weder droef; hij sprak met kalmte:
“Ik weet het, mijn zoon, er bestaan voor de Belgen eenige redenen om niet
over de Spanjaarden voldaan te zijn, maar eene wereldsche overdenking,
zal die in de schaal van uw gemoed opwegen tegen uwen God? Zult gij bij
de zonde der wraakgierigheid de kleinachting van uwen Schepper voegen?
Neen, niet waar, gij zult dit niet doen! Gij zult pater Franciscus niet
dwingen over de doemenis der ziel van zijnen besten vriend te treuren?”
“Wat moet ik doen om u te gehoorzamen?” vroeg Godmaert met ontsteltenis.
“De Spaansche regeering ondersteunen, ten minste tot na de demping der
ketterijen, uwe vrienden aanmanen om dit insgelijks te doen, en de
bevelen der gouvernante doen eerbiedigen in Antwerpen.”
“Ik, vader, ik de Spanjaarden ondersteunen? O, dit is mij onmogelijk!”
“Welaan, kunt gij dit niet op uwen wereldschen hoogmoed verkrijgen, steek
dan uwen degen in de scheede en help toch de muitelingen niet.”
Godmaert zweeg eenige oogenblikken. Dan vatte hij de hand des priesters
en sprak:
“Ik moet u iets zeggen, dat gij niet weet; de omwenteling, dit onweder
dat gij vreest, zal binnen weinige dagen losbarsten, misschien nog eer
de week ten einde zij. Geloof mij, geen menschelijk vermogen kan het
beletten. Alles is gereed; op het eerste bevel van Brussel staat het
geheele land op tegen de Spanjaarden. Ik voorzie ook de balddadigheden
der ketters; uwe woorden hebben mij doen ijzen; maar denkt gij, pater
Franciscus, dat het beter ware dat ik, die het hoofd der Antwerpsche
edelen ben, dit alles liet geschieden, zonder er bij te zijn? Kan ik den
godsdienst mijner vaderen niet beter beschermen door mijne bevelen en
mijne daden dan door mijne afwezigheid?”
Uit de oogen des priesters rolden eenige blinkende tranen; hij bezag
Godmaert met stijven blik, als iemand die verstomd staat. Eindelijk riep
hij, de armen ten hemel heffende:
“Binnen weinige dagen? O, Heer, zult Gij uwe kerk zoo spoedig bezoeken?
Zal ik de ontheiliging uwer altaren zien; zal ik mijne ooren moeten
stoppen voor de lasteringen, tegen Uwen heiligen naam uitgebraakt?”
En zich tot Godmaert wendende, ging hij voort:
“Mijn geest verdwaalt bij dit schrikkelijk nieuws. Ik weet niet wat
ik u moet raden; maar ik bid u, ik bezweer u met saamgevouwen handen,
Godmaert, bewaar de tempels, meng u niet met de ketters, dan om ze te
bestrijden, en houd in die dagen van gevaar uwen God voor oogen, opdat
gij niets doet, dat u eene onvergeeflijke zonde mocht zijn.... O, Heer,
Uwe straffende hand is over ons!”
Hij boog het hoofd voorover en zonk in eene smartvolle overdenking,
waaruit het antwoord van Godmaert hem zou opgebeurd hebben; doch eene
jonge edelvrouw kwam op dit oogenblik in de kamer. Zoodra hare oogen op
den priester vielen, blonk haar aangezicht van blijdschap, en hare zoete
stem bracht deze stille woorden op hare lippen:
“Ha! daar is pater Franciscus!”
Zij naderde den priester, stak hare hand met zorg onder zijnen schouder
en wilde hem van zijnen stoel oplichten, terwijl zij hem toesprak:
“Kom, goede vader, mijnheer Lodewijk Van Halmale is in de boekzaal. Wat
ben ik blij, dat gij gekomen zijt!”
De priester bezag het jonge meisje met vaderlijke teederheid en stond,
door haar ondersteund, van zijnen zetel op; hij reikte de hand aan
Godmaert en sprak:
“Ik ga mij wat vertroosten met mijne goede kinderen. Gij, mijn zoon,
vergeet toch mijne woorden niet.”
Door het meisje vergezeld, ging hij met wankelende stappen de kamer uit.
Godmaert plaatste zieh terug in zijnen zetel en sprak, met den vinger op
zijn voorhoofd:
“Ja, ik moet den godsdienst verdedigen en de tempels beschermen, maar de
Spanjaarden zal ik nooit voorstaan of verschoonen. Neen, neen, ik moet
mij wreken en mijn vaderland verlossen, de eer gebiedt het: een krijgsman
als ik mag zich niet ongestraft laten hoonen....”
Nu verzwakte zijne stem allengskens. Zijne lippen bewogen nog wel, en hij
sprak zichtbaar tot zich zelven, doch die suizende woorden waren niet
meer verstaanbaar.
Een uur later werd hem aangekondigd, dat het noenmaal in de eetzaal was
opgedischt; hij stond op, begaf er zich heen en plaatste zich aan het
oppereinde der tafel.
Nevens hem zat zijne lieve en eenige dochter Geertruid, waarlijk een
kostbaar juweel onder hare kunne. Schoonere wezenstrekken, edeler
uitdrukking, zediger houding kon men bij geen ander vrouwspersoon
aantreffen. Het haar was heur niet als bij de anderen boven het hoofd
gehaald, maar daalde aan beide zijden harer roosvervige wangen neder, en
vormde van haar bekoorlijk aangezicht een zoo schoon ovaal als ooit een
schilder malen kon.
Een beminlijke en zuivere glimlach zweefde nu over hare lippen, en hare
oogen waren met een gevoel, waarover zij zich niet schaamde, op eenen
jongeling, die over haar geplaatst was, gevestigd. Deze jongeling was
haar beminde Lodewijk. Hij ook zat eerbiediglijk en stilzwijgend. De
tegenwoordigheid van een persoon, die aan het ander einde der tafel zich
bevond en wiens blikken hem ijskoud op het hart vielen, weerhield hem van
met Geertruid een minzaam gesprek te houden.
Hij, die de gelieven met zulke stijve blikken aanzag, was Valdès, een
voornaam Spaansch heer, die veel vermogen bij de gouvernante had.
Door Godmaert was hij altijd vriendelijk onthaald geworden, want zeer
gevaarlijk was het, zich den haat dezes Spanjaards op den hals te halen.
Een fluweelen mantel, waarvan de kraag met goud gestikt was, bedekte
zijne schouders. Zijn dolk was ook rijkelijk met gesteenten bezet, en
hing hem als een schitterend sieraad aan den hals.
Altijd had Valdès neiging en liefde voor Geertruid getoond, doch
altijd werd hij beleefdelijk afgewezen. Daarom staarde hij nu met
nieuwsgierigheid op den jonker en verstond de taal, die de gelieven in
elkanders oogen lazen.
Lodewijk noch Geertruid waren des Spanjaards vrienden. Godmaert was het
alleenlijk uit staatkundige berekening, zoodat er in het eerst eene
groote stilte in de zaal heerschte. Godmaert, willende zijnen lastigen
genoodigde eenige nuttige verklaringen ontlokken, begon het gesprek met
de vraag:
“Wel, heer Valdès, wat zegt gij van de zaken? Zouden de beroerten haast
gestild worden?”
“Och, dat weet ik niet, heer Godmaert,” antwoordde de Spanjaard, “doch
ware ik de koning Philips, zoo zou ik spoedig met dat grauw en die
weinige slechte edelen gedaan hebben!”
“Gelooft gij dit, Valdès?” hernam de Geus, met een spijtigen glimlach.
“Weet gij dan niet, dat het Vlaamsche volk nooit met geweld ten
onder gebracht is? Dat uw koning al zijne soldaten beurtelings in de
Nederlanden zende, dat hij al de inwoners volgens zijnen lust vermoorde,
dan zal dit ons vaderland nog vijanden uit het graf opzenden tegen zijne
hoogmoedige verdrukkers.”
“Godmaert, gij behandelt onze natie niet wel. Waarom wilt gij vóór de
Spaansche edelen gaan? Heeft onze koning geene redenen om zijn volk voor
te staan?”
“In zijn land, ja. In ons land, neen.”
“Arm als gij zijt, van duistere afkomste, zijt gij al te hoovaardig
om niet voor zulk eene heerlijke natie, als de Spanjaarden zijn, te
zwichten!”
De oude Godmaert, die zulke taal van zijnen gast niet verwacht had, kon
met al zijne staatkunde zich niet langer wederhouden. Een brandend vuur
rees hem door de aderen, en zijn bloed kwam tot in de rimpels van zijn
voorhoofd zich vertoonen.
De Spanjaard, die met inzicht den grijzen Vlaming vertoornde, ging met
eene geveinsde gematigdheid voor.
“Wel, Godmaert! denkt gij niet, dat al die muitmakers, die edelen, welke
zich Geuzen noemen, beter zouden doen de Spanjaarden te dienen dan, als
bedelaren met slechte kleederen het grauw tot woelen op te maken?”
“Valdès!” antwoordde Godmaert met eene bevende stemme, “gij vergeet dat
ik een Belg ben. Zoekt gij mij in mijne woning te hoonen? Spreek dan
rechtuit!”
“Ho, gij bedriegt u, edele Godmaert,” hernam de arglistige Spanjaard. “U
en weinige anderen wil ik daarvan uitzonderen, doch van dezen zijn er nog
velen, die zonder ’s konings gunst zoo arm zouden zijn als de anderen.”
“Gij zegt, dat wij arm zijn, Valdès? Hadden wij den inwoneren eener
afgelegene wereld het bloed tot den laatsten druppel afgezogen, gelijk
gij den Amerikanen gedaan hebt, zoo zouden wij ook rijk zijn. Wat aangaat
de gelijkheid, die wij met de Spaansche edelen eischen, dit is niet meer
dan billijk, daar wij in ons eigen vaderland zijn. Dat wij geene vreemde
meesters hebben mogen, zullen de voorvallen beter getuigen, en dan zullen
wij zien, of de Spanjaarden zooveel moeds hebben als hunne lasterende
verwaandheid het schijnt te beloven!”
De Spanjaard grimlachte met eene verachtende uitdrukking, en scheen groot
vermaak in des grijsaards toorn te vinden.
Lodewijk beefde in al zijne ledematen. Tienmaal had hij reeds het
rapier, dat aan zijnen stoel hing, met angst in de vuist gewrongen,
doch Geertruids smeekende blikken hadden hem wederhouden des Spanjaards
lasterenden mond te sluiten.
Het noenmaal was ten einde. De dienaren, die de schotels afgenomen
hadden, stonden met bange nieuwsgierigheid op het gezegde te luisteren.
De Geus gebood hun de zaal te verlaten en niet zonder bevel weder te
komen.
“Geertruid,” sprak hij, zich tot zijne dochter keerende, “ga in de
boekzaal. Dat Lodewijk u volge!”
Hij bleef alleen met zijnen Spaanschen vijand.
De boekzaal was een vertrek van groote ruimte, en geleek wel aan den beuk
eener kerk. Eenige boekdeelen in folio, welke hier en daar als verloren
lagen, hadden haar dien edelen naam verdiend. Beter ware het geweest deze
plaats de wapenkamer te heeten, mits menigvuldige zwartverroeste helmen,
harnassen, slagzwaarden, wapenrokken en meer andere krijgsuitrustingen
er tegen den naakten muur hingen. Eenige schilderijen van Frans Floris,
Hugo, Van Hort, Grimer en andere meesters versierden het diepste der
zaal. Niet al te klaar was het vertrek, zelfs bij de middagzon, daar de
veelkleurige vensterglazen niet dan een twijfelachtig licht doorlieten.
In eenen hoek stond een klein altaar, met een ebbenhouten kruisken en
eenige maagdenbeelden versierd, vóór dit alles de knielbank, gewone
plaats, waar Geertruid zoo menig gebed, vurig en zuiver, den Schepper had
toegezonden.
De gelieven traden stilzwijgend deze kamer binnen.
“Lodewijk, Lodewijk!” schreide het meisje, in tranen uitbarstende, “ik
kan den hoon, dien zij den grijzen haren mijns vaders toebrengen, niet
langer aanzien. Zij hebben door smaad en laster zijne dagen verkort! Hoe
menigmaal hebben des grijsaards tranen, met de mijne gemengd, als beken
over onze wangen gestroomd....”
Nu kon zij geen woord meer uitspreken. Angstig snikken en bitter zuchten
was alles, wat zij op Lodewijks troostende beden antwoordde.
“Geertruid,” sprak hij smeekende, “och, stil u een weinig! Heb geduld
in de smarten, die de Heer ons ter beproeving overzendt. Bedenk hoe
ik lijden moet, ik, die edel ben en een mannenhart heb, dat onstuimig
jaagt....”
En hij zuchtte bitterder dan het zwakke meisje, alhoewel hem een koud
zweet van beklemde razernij over de wangen vloeide.
De jonkvrouw liet zich door zijne woorden niet stillen, integendeel, haar
gelaat, gewoonlijk zoo zoet, bekwam nu eene strenge uitdrukking. Zij riep
snikkende:
“Hebt gij dan niet gezien met wat helschen wellust die Spanjaard mijns
vaders lijden heeft gesmaakt? Ziet gij niet, dat die dagelijksche hoon
mijnen ouden vader naar het graf leidt, — en, eilaas, niemand, niemand
die hem bescherme!”
Eene plotselijke verandering gebeurde in den jonker: hij richtte het
hoofd op met fierheid, uit zijne oogen straalden bliksems van mannelijk
vuur, en alles verkreeg in hem de kenteekens der wanhoop en des toorns.
“Welaan!” riep hij, met onstuimige geestdrift uit, terwijl hij voor
Geertruid op zijne knieën viel, “welaan! gij zult mij niet van lafheid
beschuldigen. Zeg, wat moet ik doen? Wil ik met mijn rapier door Valdès’
lichaam boren? Wil ik u het hart van den Spanjaard, bloedig en rookend,
ten geschenke geven?”
Een schreeuw van angst vloog op uit de borst der jonkvrouw, zij sprong
achteruit en verwijderde zich van Lodewijk, alsof zijne aanbieding haar
grooten schrik hadde ingeboezemd. Haar gelaat werd droef, en berouw kwam
in haar hart.
De jonkheer begreep de ontsteltenis der maagd; aan zijn gelaat eene kalme
uitdrukking gevende, vatte hij hare hand en sprak met teederheid:
“Wij dwalen, Geertruid, wij vergeten de vermaningen van onzen goeden
vader Franciscus.”
Geertruid borst in tranen los. Uitgeput en machteloos viel zij, zonder te
antwoorden, met het hoofd tegen den schouder haars vriends.
Zoo bleven zij lang hunne tranen mengen en als kinderen gevoelloos
snikken, totdat Geertruid, uit eenen naren droom ontwakende, Lodewijk
zachtjes van zich verwijderde, en, zich op de knielbank nederzettende,
in den hemel, waartoe zij hare zuivere ziel met het gebed verhief, eenen
troost zocht, dien zij op de borst van haren beminde niet gevonden had.
Lodewijk zag zijne Geertruid met verrukking aan en luisterde
godsdienstiglijk het suizende gebed na. Gedurig kwam de naam van haren
grijzen vader langzaam en weemoedig over ’s meisjes lippen. Lang bleef
zij met het hoofd op de knielbank, als in eene hemelsche beschouwing
verzonken liggen. De jonker, door eerbied opgetogen, boog zich achter
haar ten gronde, en, gedwongen door dit machtig voorbeeld, vouwde hij de
handen te zamen en bad met haar voor het vaderland.
“Lodewijk, waar zijt gij?” riep Geertruid eindelijk, terwijl zij de kamer
verbaasd rondzag.
Zij bemerkte den verrukten jongeling, haar met liefdeblikken aanziende,
en stond op. Zachtjes naderde zij den nog nedergebogen Lodewijk, en hief
hem van den grond.
“Wel,” vroeg zij, “vindt gij niet, dat een zuiver gebed de menschen als
een hemelsche balsem vertroost?”
Lodewijk stond verwonderd over de schielijke verandering, die hij op ’s
meisjes aangezicht bemerkte.
“Geertruid,” sprak hij, als verdwaald nevens haar gezeten zijnde, “in
mijne verrukking heeft de hemel mij toegeschenen. Ik heb u als eenen
engel bij God gezien!”
“Ho, ja zeker,” antwoordde zij, minzaam lachende, “zoo kan eene
godvruchtige ziel zich altijd met God vereenigen en dáár, ’s werelds
rampen onttogen, eenen voorsmaak der hemelsche vreugd genieten. Dien
wellust kennen de goddeloozen niet!”
De jongeling staarde verwonderd op zijne minnares.
“Hoe zuiver is uwe ziel, Geertruid!” riep hij. “Op uw gebed zal de Heer
onze liefde zegenen.”
“Ja, Lodewijk, ik hoop dat de smaadkelk haast van mijns vaders hoofd zal
gekeerd zijn, en dan....”
“En dan,” voegde de jongeling er bij, “zullen wij den zegen eens
priesters over ons roepen, en te zamen, door liefde en zorgen, de dagen
van onzen ouden vader verlengen....”
Een blos van maagdelijke schaamte kleurde de wangen der maagd. Zij bleef
eenige oogenblikken met de oogen ten gronde gericht. Dan, het gesprek
willende afwenden, vroeg zij:
“Maar, Lodewijk, zou het toch waar zijn? Geldt het onzen godsdienst in
den opstand tegen de Spanjaarden? Wat schrikkelijk tafereel heeft vader
Franciscus ons voorgeschetst! Hij weende, hij, de goedheid zelve!”
“O, Geertruid,” antwoordde Lodewijk, “de heilige man bedriegt zich niet
in zijn voorgevoel. Gij gaat nooit uit uwe woning, maar kendet gij den
toestand onzer stad! Nu reeds durft men bijna niet meer bekennen, dat
men de ware kerk aankleeft. De ketters zijn meester, zij prediken in
volle lucht tegen ons geloof, zij lasteren God, zij spotten met de Moeder
des Zaligmakers, ja, onze goede vader Franciscus, hij die door zijnen
ouderdom en door zijn hemelsch gelaat de wilden zelfs tot eerbied zou
dwingen, is eergisteren door hen op de straat uitgelachen en gehoond
geworden!”
De jonkvrouw werd bleek en riep, de armen ten hemel heffende:
“O, mijn God, bewaar hem toch van laster en van smart!”
De jongeling hernam:
“En dit vreemd gespuis, dat uit alle streken hier te zamen geloopen is,
roept onophoudend: Leven de Geuzen! Wist gij, Geertruid, hoe verachtelijk
die naam mij in hunnen mond toeschijnt.”
Hij voegde er met eene zichtbare wanhoop bij:
“Ik ook, Geertruid, ik ben een Geus!”
De jonkvrouw gaf aan hare wezenstrekken eene teedere uitdrukking en
antwoordde:
“Ik weet het, Lodewijk, het is de wil mijns vaders, dien wij moeten
gehoorzamen. Hij toch heeft zooveel door de Spanjaarden geleden, hij
zegt, dat het vaderland van hunne beheersching moet verlost worden.
Eerbiedigen wij een gevoel, dat wij niet kunnen of mogen beoordeelen.”
“Wat zijn uwe woorden wijs en verstandig, mijne Geertruid! Ja, ik zal de
bevelen van Godmaert nakomen: het is mijn plicht.”
“Lodewijk, gij weet het, ik heb met onzen goeden vader Franciscus
geweend en gezucht over het gevaar des geloofs, doch, daar het lot ons
al te hard drukt, als ik den laster en de pijn, welke zij mijnen vader
aandoen, overdenk, raad ik u zijne bevelen zonder achterdocht te volgen.
Ik versta wel, dat op het beslissend oogenblik vele gruweldaden tegen
onzen heiligen godsdienst zullen begaan worden, maar als er geene andere
middelen zijn, laat dan de verdwaalden begaan, en wij, kinderen der ware
kerk, zullen alles nog prachtiger dan te voren herstellen. Beloof mij,
Lodewijk, dat gij nooit in de godvergetene gevoelens der beeldenvijanden
zult deelen.”
“Dit beloof ik bij den God, die mij hoort!” sprak Lodewijk op plechtigen
toon.
“Wel dan,” hernam Geertruid, “laat het volk euveldaden begaan, die
wij niet kunnen beletten. Hopen wij, dat het van zijne dwaling zal
terugkomen, wanneer de tijd van verleiding en van ongestuime driften zal
over zijn. Oh, ik twijfel niet....”
Zij zweeg. De stem haars vaders weergalmde als de donder tegen de muren
der zaal. Angstig luisterden zij beiden, om de oorzaak van dit gerucht te
vernemen.
“Spaansche bloedhond!” schreeuwde Godmaert, “vertrek uit mijne woning.
Zet nimmer weder uwen voet over den dorpel. Gij slang!”
“Wel, gij arme Geus,” antwoordde Valdès, “wat let mij, dat ik u op dit
oogenblik als eenen knecht behandele?”
Godmaert brulde van toorn, dewijl hij zich om andere oorzaken niet wreken
durfde.
Nu sprong Lodewijk, brieschend zijn rapier uit de scheede trekkende, naar
de deur. Geertruid, bleek van angst, hechtte zich aan zijne kleederen
vast.
“Lodewijk! ach, Lodewijk, wat gaat gij doen?”
“Mijne handen in het bloed dezes Spanjaards doopen!” schreeuwde hij, zich
met geweld uit ’s meisjes armen rukkende.
Als een pijl vloog hij de boekzaal uit. Geertruid volgde hem en poogde
nogmaals hem te wederhouden. Het was te vergeefsch.
Met eenen arm, door haat en liefde gestijfd, vatte hij den Spanjaard bij
de keel en deed zijne tong blauwvervig op zijne lippen komen.
“Gij laffe versmader eens weerloozen grijsaards!” riep hij uit, den
Spanjaard op den vloer nederwerpende, “geef uwe verachtelijke ziel den
Schepper weder, want uw laatste snik gaat over uwe lippen!”
En hij neep zijnen vijand dusdanig, dat hij roerloos en zwart, op den
grond lag.
Godmaert was, door toorn en vrees overmand, op eenen leunstoel machteloos
nedergezakt. Daar zat zijne dochter weenend aan zijne voeten, haren vader
wanhopig roepende, alsof hij hare bede hooren kon. Hare vingeren joeg zij
door zijne grijze haarlokken, en zijne wangen poogde zij door brandende
kussen te warmen. Op eens draaide zij het hoofd om en zag Lodewijk met
de punt van zijn rapier op de borst des Spanjaards drukken. Huilend
verliet zij haren vader en hechtte zich zoo vast aan Lodewijks wambuis,
dat zij hem achteruit trok en hem belette dezen moord te volbrengen. Hij
zocht door nijdig geweld haren armen te ontgaan, om zijnen wraaklust te
voldoen, doch de wanhopige Geertruid hield zooveel te vaster, daar zij in
des jongelings dwaze blikken niets dan bloeddorstige razernij lezen kon.
“Lodewijk!” riep zij, op haren vader wijzende, “dáár, dáár ligt het
slachtoffer uwer oploopendheid!”
De jonker liet zijn rapier op den grond nedervallen, en vergat zijnen
vijand om Godmaert te hulp te vliegen. Meteen had hij stoel en grijsaard
opgelicht, en liep er een ander vertrek mede binnen. Hier deed hij, door
Geertruid geholpen, Godmaert tot bewustzijn wederkeeren.
“Waar is hij?” vroeg de vader met zwakke stem.
“Hij ligt op den vloer te zieltogen,” antwoordde Lodewijk. “Het spijt
mij, dat ik zijn bloed niet vergoten heb. Mocht ik het nog doen!”
Hij scheen des grijsaards verlof daartoe te vragen. Godmaert zou zeker
woorden van verzoening gesproken hebben, maar de gedurige omhelzingen en
hartdrukkingen zijner dochter lieten hem zulks niet toe.
“Ach, lieve vader!” schreide zij, van blijdschap weenende. “God heeft
mijne bede gehoord. Gij leeft!...”
Van bittere droefheid en krankzinnige vreugd afgemat, zonk zij
glimlachend op den schoot haars vaders neder. De rozen harer wangen
verdwenen, hare oogen sloten zich, en zij bleef bleek en koud onder den
zoen des grijsaards liggen.
Lodewijk schoot onrustig toe, doch nu ging de deur der kamer open, en de
Spanjaard kwam schuimend op hen aangeloopen.
“Daar, daar, Lodewijk!” riep Godmaert, op een aan den muur hangenden
degen wijzende, “bewaar uwe machtelooze vriendin voor des moorders
handen!”
Lodewijk, den degen vattende, stelde zich vóór zijne minnares.
“Komt gij van de dooden terug?” riep hij Valdès toe. “Wilt gij eenen
grijsaard nog meer hoonen?”
“Neen, neen, Vlaamsche verraders!” antwoordde de Spanjaard, “ik kom u
allen den prijs uwer balddadigheid brengen.”
Hij stuurde de punt van zijn wapen op des jongelings borst, doch deze,
te kundig in den wapenhandel, wist al zijne toegezondene steken af te
weren.
De oude Godmaert klemde zijne dochter met bange zorg tegen zijn hart, en
wakkerde Lodewijk aan niet te deinzen. Daartoe had de jongeling geene
aanwakkering noodig, want het bloed liep des Spanjaards handen af. Deze
verliet weldra al vloekende de kamer. Lodewijk wierp hem de zware deur
vóór het aangezicht, en liet hem zijnen toorn op de muren uitwerken.
“Schelmen!” riep de razende Spanjaard, “gij zult haast uwe roekeloosheid
betreuren. Dat de oude Geus zich bereid make om eene gevangenis binnen
te treden! Mijnen naam en mijne eer wil ik verliezen, zoo ik dien muiter
niet in beulshanden breng!”
Meer anderen smaad en bedreigingen sprak hij tegen hen uit, doch hier
werd weinig acht op gegeven, doordien zij zorgelijk bezig waren met
Geertruid tot het leven te roepen. Eindelijk verliet de vertoornde Valdès
de woning van Godmaert, en hij ging zeker elders de wraak beramen, die
hij hun zoo driftig had toegezworen.
Geertruid was ontwaakt en tusschen haren vader en Lodewijk gezeten. Allen
waren zij zoodanig afgemat, dat geen van hen woorden vond om zich over
de zoo even gebeurde voorvallen uit te drukken. Na een lang stilzwijgen
begon Godmaert eerst, en zeide:
“Nu ziet gij, dat de tijd dáár is, om het lastige juk voor altijd af te
schudden. Dit zal ik pogen te weeg te brengen, al ware het, dat alles wat
ik bezit er aan moest blijven. Mijne Geertruid is een schat, Lodewijk,
dien ik u schenk, en welke zeker meer waard is dan het goed, dat zij u
geven kan. Doch gij weet wat ik u gezegd heb: een Spaansch oog zal uwen
echt niet zien. Vóórdat wij wederom vrij zijn, als onze vaderen, zult gij
met Geertruid niet onder één dak wonen. Om dan uw geluk en de vrijmaking
des vaderlands te verhaasten, zult gij morgen uw paard vroeg doen zadelen
en naar Wolfanghs verblijf rijden. Het spijt mij, dat wij den kwaaddoener
gebruiken moeten, maar de nood is een onverbreekbare wet. Zoo er
gruweldaden begaan worden, zullen de nakomelingen ons verontschuldigen,
wanneer zij overwegen zullen wat haat en toorn ons de Spaansche
verdrukking inboezemde. En gij, mijne lieve Geertruid, zoo gij de
heiligen, die gij eert, en het afbeeldsel van den God, dien gij aanbidt,
met voeten ziet vertreden, beschuldig uwen vader niet van goddeloosheid.
Gij weet met wat zorg ik u de heilzame gevoelens der godsvrucht door
woorden en werken heb aangeprezen.”
“Ja, ja, vader,” viel Geertruid hem in de rede, “gij zult altijd, dit
weet ik, Gods vrienden, de heiligen, in eere houden, opdat zij u en ons
beiden voor grootere rampen bewaren.”
Nu riep Godmaert Lodewijk een weinig terzijde, en, na hem eenige
inlichtingen aangaande Wolfangh en zijn verblijf gegeven te hebben,
reikte hij hem eenen gesloten brief, om aan den overste der roovers te
behandigen. Hij verzocht den jongeling te vertrekken, om hun de rust,
die zij noodig hadden, te laten nemen, en zich zelven tot zijne reis te
bereiden.
Lodewijk sprak nog een oogenblik met Geertruid, die hem merkbaar over
zijne reize onderhield en hem wellicht desaangaande eenigen goeden raad
gaf. Tusschen hare stille woorden kwam de naam van pater Franciscus zich
meer dan eens mengen.
Dan sprak Lodewijk een teeder vaarwel uit, boog zich voor den grijsaard
en vertrok.
Een zoete slaap deed Godmaert en zijne dochter welhaast de geledene pijn
vergeten.