I.

Laet niet toe, mynen zoon, dat de Nederlanders van den

uytheemschen verdrukt worden, ten ware dat gy u selven in een

jammerlycken en gheduyrighen inlandschen oorlog wilde steken.

_Keizer KAREL aen zynen zoon PHILIPS II. SCRIVERIUS._

Het was in den jare onzes Heeren 1566, den 16en der maand Augustus.

De nacht was duister, en de regen, die bij afwisselende vlagen

nederstortte, had de nare straten der stad Antwerpen tot menigvuldige

waterplassen gemaakt. Geen ander licht deed zich in het verschiet aan

het oog op, dan de weinige flikkerende kaarskens, welke de inwoners voor

de beelden ontstoken hadden. Luttel burgers durfden zich in die tijden

om middernacht alleen in de straten begeven; want de verschillende

gezindheden, die er alsdan heerschten, hadden ieder mensch den anderen

tot eenen vijand gemaakt. De nachtwaker alleen, met piek en lantaarn,

doorkruiste de stad.

“Twaalf uren slaat de klok!” riep hij op dit oogenblik, en zijne schaduw

verdween, als eene reuzenschim, in de Zwartzusterstraat.

“Ust! kom; hij is weg,” zei toen een man, achter de pomp der Veemarkt

uitkomende, en werd onmiddellijk door een ander gevolgd.

Deze twee hadden breede hoeden op het hoofd; een wijde bruine mantel

hing hun op de schouders; verder was het niet mogelijk, hunne andere

kleedingstukken te onderscheiden, doordien het uitnemend donker was.

“Wel, heer Koenraad,” vroeg de eene, “gij zegt dat onze vrienden daar

zijn?”

“Ja,” antwoordde de andere, “dezen nacht wordt de groote zaak beslist.

Zoo wij den schrikverwekkenden Wolfangh met zijne benden tot ons krijgen

kunnen, zal het spel haast in gang zijn. Kom, stappen wij wat beter aan,

mij dunkt, dat ik de wapenbroeders van den Burcht op ons hoor afkomen.”

Nu draaiden zij met loozen tred achter het Vleeschhuis en daalden de lage

Krabbestraat in. Over de Vischmarkt tredende, vroeg de eerste:

“Wat middelen zullen wij toch in ’t werk stellen om Wolfangh tot ons te

trekken? Geld hebben wij niet veel, en de minste veropenbaring kan ons

het leven kosten.”

“Godmaert heeft alles beraamd,” antwoordde Koenraad, “hij heeft een jong

edelman aangeworven, die hem veel schijnt verschuldigd te zijn. Deze

zal ons tot werktuig verstrekken. Hij ziet er een weinig Spaanschgezind

uit. Heden wordt hij in onze geheimen en aanslagen gewikkeld, en, zoo

hij weigert den eed te doen, welken wij allen gedaan hebben, zal ik wel

maken, dat hij zijne moeder niet vertellen zal wat hij van ons zien of

hooren kan.”

Met eenen wreeden grimlach vatte hij den dolk van zijne borst en toonde,

bij het licht eener Lieve Vrouw, het scherp daarvan aan zijnen gezel.

Stilzwijgend vervolgden zij hunnen weg tot bij de korte Peter-Potstraat.

In deze afgelegene en enge steeg bleven zij plotseling voor een huis

staan, en zachtjes lieten zij den ijzeren klopper driemaal op de deur

nedervallen.

“Wie is daar?” vroeg eene heesche en bevende stem door het schuifken, dat

op ’t midden der deur was.

“Dolk en bedelzak!” was het fluisterend antwoord.

Zij werden binnengelaten, en het poortje werd achter hen toegegrendeld.

“Eh wel! verroeste tooverheks,” vroeg Koenraad, “zijn de bedelzakken

hier?”

“Altemaal,” antwoordde het oude wijf, “behalve Godmaert. Ga toch binnen!

De heeren zijn braaf aan ’t redeneeren. Ik ben maar eene oude sloore,

maar zoo ze wat minder klapten, zouden ze veel beter doen; want wie weet

of er geene latten aan het huis zijn!”

“Wat zegt gij daar, moeder?”

“Ja, ja, heer Koenraad, daar is een jonge droomer in de kamer en dien zou

ik geen kruis betrouwen.”

“Zwijg, en zorg maar voor uw eigen vel,” zei Koenraad, en hij stiet de

deur der diepgelegene zaal open.

Het vertrek, waarin zij traden, was tamelijk wijd en ten allen kante

met goudleer behangen. Onder het arduinen beeldwerk der berookte schouw

blaakte een klein en krakend vuur. Eene ijzeren lamp met twee bekken,

van het verdiep dalende, zond hare stralen twijfelachtig en bleek tot

in de hoeken der kamer. Op eene langwerpige tafel, waarover beken wijn

stroomden, lagen eenige opene brieven, een groote bedelzak, pistolen en

dolken. In eenen hoek stond een ebbenhouten kruisbeeld op eenen kleinen

lessenaar.

Een twintigtal personen zaten in zware uitgesnedene stoelen rondom de

tafel. Allen hadden zij, als de twee inkomenden, bruine mantels en

breede hoeden. Hunne knevels waren niet, als bij de Spanjaarden, in de

hoogte gekruld, maar daalden, zwart en dik, tot over den mond. Een dolk

hing hun, bij eenen lederen draagband, blinkend aan den hals; gulden

medailles, waarop een bedelzak gesneden was, droegen zij op de borst; en

dit ten teeken dat zij allen den naam van Geus liefhadden, alhoewel deze

hun uit smaad gegeven was. Menigvuldige tinnen potten stonden voor hen op

de tafel; de drinkvaten waren echter niet zoo kostelijk, mits allen uit

houten schoteltjes dronken.

Een fraai jong edelman had zich van dit slempend gezelschap verwijderd

en zat, in diepe mijmering verzonken, met het hoofd in de hand tegen den

muur.

Zijne gelaatstrekken waren zuiver en ernstig. Lang van gestalte was hij,

en schoone blonde haarlokken zweefden hem zachtjes over de schouders.

Hij had noch mantel, noch dolk, en géén teeken der Geuzen was bij hem te

vinden. Terwijl deze laatsten grijze onderkleederen hadden, was de jonker

in fluweel en zijde ten kostelijkste uitgedost. Zijne linkerhand leunde

zwaar en achteloos op het vergulde handvest van een lang rapier, welks

staal onder hare drukking boog. Bij het inkomen van Koenraad sloeg hij de

oogen op het woelende gezelschap. Een verachtende grimlach kwam zijn glad

voorhoofd berimpelen, en het woord: “Verdwaalden!” viel afkeurend van

zijne lippen.

“Zijt gegroet, Houtappel, Van Halen, Schuermans, De Rydt, Van der Voort,

en gij allen, broeders!” riep Koenraad, zich bij de tafel nederzettende.

“Welkom, welkom!” schreeuwden al de anderen, terwijl de potten geledigd

werden.

“Waar zijt gij, oude zielverkoopster?” riep Van der Voort.

“Hier, hier!” antwoordde het slordige wijf, “zal ik den heeren nog eenige

potten opdienen?”

“Breng maar toe,” was het antwoord, “de Geuzen alleen zouden de Schelde

leegdrinken, ware haar nat maar zoo smakelijk als de gedoopte wijn van

moêr Schrikkel.”

“Gedoopt! gedoopt!” morde het oude wijf, met eene spijtige uitdrukking,

en zij week de kamer uit.

“Maar zeg mij, Van Halen,” vroeg Koenraad, op den eenzamen jonker

wijzende, “wat doet toch die opgepronkte jonkvrouw onder ons gezelschap?

Hij gelijkt eer een bruiloftsgast dan een Geus!”

“Godmaert weet alleen wat er met hem te doen staat,” antwoordde Van

Halen, “en heeft verboden hem eenigen hoon toe te brengen.”

“Dat geeft er niet aan!” brulde de dronken Schuermans, die het gehoord

had. “Eh! heer donkergeest! kom eens hij de tafel! en zoo gij op der

Geuzen gezondheid dezen schotel wijns niet ledigt, zeg ik, dat gij een

verbasterde Belg zijt! Hoort gij niet, jonker?” schreeuwde hij nog harder.

Nu richtte de jonge Lodewijk zich op.

“Ja,” antwoordde hij, “ik versta u zeer wel! en zoo ik de gehoorzaamheid,

die ik Godmaert schuldig ben, niet geheugde, zou ik u op dit oogenblik

rekening over uwe lastertaal vragen.”

“Zijt gij edel?” schreeuwde de razende Schuermans, zijnen dolk vattende.

“Edeler dan gij zelf,” sprak Lodewijk, “daar gij den naam uwer

voorvaderen bevlekt door een gedrag, waarover zich een zakkendrager

schamen zou.”

“Die hoon zal u ’t leven kosten, jonker!” riep Schuermans, over de tafel

springende. “Hier, melkmuil!” en hij stiet zijnen dolk op Lodewijks

hijgende borst, doch eer deze het naakte vleesch bereikte, had de

jongeling door eene kundige tegenweer de punt nevens zijne zijde gestuurd.

Twintig dolken flikkerden nu te gelijk in de kamer. Vele stemmen

van verzoening mengden zich met de weergalmende slagen, die de twee

strijdende edelen elkander toebrachten. Men kon hen door geweld noch

woorden stillen. Schuermans schuimde van angstige razernij, en zocht

met eene stijfhoofdige woede de baan, langswaar hij zijnen dolk door

Lodewijks hart zou jagen. Al de omstanders wilden zich te gelijk tusschen

de twee edele strijders werpen: de eene stiet den andere achteruit, er

werd van alle zijden geschreeuwd, de potten rolden door het woelen van de

tafel, de stoelen lagen omverre, en dusdanige verwarring ontstond er in

de kamer, dat de eene den andere niet meer verstaan kon.

Het oude wijf schreeuwde, dat de wapenbroeders der wijk daar waren. Zij

sprak van gevangenis, van galg, doch alles te vergeefs.

Schuermans wilde met geweld den jongeling dooden, doch deze, zich in

levensgevaar ziende, trok zijnen degen uit de scheede.

Op eenmaal vloog een straal bloeds tegen den muur, en de rampzalige

Schuermans viel onmachtig op den vloer neder.

Lodewijk had de punt van zijn rapier uit de wonde getrokken en blikte met

neerslachtigheid ten gronde.

Schuermans werd met zorgend medelijden van zijne kleederen ontdaan, en,

zooveel men kon, was men bezig met het bloed zijner wonde te stelpen,

wanneer er op eens driemaal aan de deur werd geklopt.

“Och God!” riep het oude wijf, “daar zijn ze!”

“Wie?” vroeg De Rydt.

“Wel, de wapenbroeders!” antwoordde moeder Schrikkel.

“Houdt u allen stil!” zei Koenraad, “ik zal gaan zien. — Wie is daar?”

riep hij bij de deur.

“Dolk en bedelzak!” antwoordde eene zware stem.

De grijze Godmaert trad na eenige oogenblikken de bebloede kamer in.

Verwonderd bleef hij bij den ingang staan en staarde met vergramde

blikken op het roerlooze lichaam van den gewonden Schuermans.

“Wat gaat hier om?” vroeg hij met ernstig gelaat, “hebt gij de eeden

vergeten van elkander getrouw te zijn tot den dood, en uwe dolken met

geen ander dan Spaansch bloed te verven? Wee hem, die tegen zijnen eed

het Geuzenbloed vergoten heeft!”

Allen zwegen stil en stonden bedrukt en weemoedig voor den grijsaard,

dien zij als hoofd verkoren hadden.

“Wie heeft deze roekelooze daad begaan?” vroeg hij.

Nu vertelde Van der Voort hem de gansche zaak, welke Godmaert, niet

zonder van toorn en diepen weemoed te trillen, aanhoorde. Na zijne oogen

op den neerslachtigen Lodewijk gevestigd te hebben, wendde hij zich tot

den gewonde en riep met donderende stemme:

“Schuermans!”

Deze, op den roep van zijnen vriend en meester, ontsloot zijne oogen

alsof hij uit eenen diepen slaap ontwaakte.

“Schuermans!” sprak Godmaert hem toe, “waarom hebt gij mijne geboden niet

nagekomen? Ik zie met schroom, dat weinigen onder u den waren weg weten

om het doel, dat wij ons voorstellen, te bereiken. Waarom hebt gij den

jongen Lodewijk gehoond?”

Schuermans, die nu door het verliezen zijns bloeds nuchter geworden was,

na eenigen tijd zijne gedachten bijeengezameld te hebben, antwoordde met

eene zwakke, doch klare stem:

“De drank had mij het bloed gaande gemaakt, Godmaert. Daarin heb ik

ongelijk, dat ik tegen uwe bevelen dien jonker niet in zijnen hoek heb

laten droomen. Ik vergeef hem gaarne de wonde, die hij mij toegebracht

heeft, en die, God zij geloofd, niet doodelijk is, doch een ding zweer

ik, dat, zoolang die Lodewijk niet op der Geuzen gezondheid eenen schotel

wijns ledigt, ik hem als eenen Spanjaard zal aanzien en hem diensvolgens

niet in ons gezelschap dulden zal.”

“Lodewijk, Lodewijk!” riep Godmaert, “weet gij niet, roekelooze

jongeling, dat men voor het vaderland zijne eigenliefde en zijne

persoonlijke gevoelens moet verzaken? Kom hier, bij de tafel, en ledig op

mijn bevel dezen schotel.”

Hij reikte het gevulde drinkvat aan Lodewijk, die het bevend en tegen

dank aannam.

“Welnu,” sprak de bange jonkheer, “op aller vaderlandsvrienden

gezondheid.”

Hij bracht de kom aan zijne lippen, doch Godmaert weerhield zijnen arm

met zulke kracht, dat de wijn uit den schotel op des jonkmans fraaie

kleederen stortte.

“Op der Geuzen gezondheid!” riep Godmaert, “de Geuzen, zoo heeten de

vaderlandsvrienden.”

Lodewijk, bleek van angst, bezag het drinkvat met wanhoop.

“Godmaert,” riep hij met kracht, “waartoe wilt gij mij dwingen? Zal ik

drinken op de gezondheid der vijanden van mijnen godsdienst? O, spaar mij

dit verraad!”

Op het aangezicht van Godmaert kwam eene uitdrukking, die spijt

en gramschap aanduidde. Het verdroot hem zeer, in Lodewijk eenige

tegenkanting te vinden.

“Wie zegt u,” vroeg hij met bitterheid aan den jongeling, “wie zegt u,

dat de Geuzen vijanden van den godsdienst zijn?”

“O, ik wilde, dat zij het niet waren!” sprak de jongeling in geestdrift.

“Met zelfopoffering zou ik in hunne pogingen deelnemen, want ik ook, ik

zou de Spanjaarden haten, indien zij de eenige verdedigers des geloofs

niet waren.”

“Hij bemint de Spanjaarden!” riepen de Geuzen met verontwaardiging.

“Gebannen, gebannen, de verrader!”

“Ik bemin de Spanjaarden niet!” galmde Lodewijk. “Hoort gij het wel,

mijne heeren, ik bemin ze niet. Mijn huisgezin heeft hun zijnen

ondergang te wijten. Maar ik zie ze aan als den eenigen vasten dijk,

die nu de hervorming en de aanvallen tegen onzen godsdienst nog kan

weerhouden. Overdenkt het wel, zoo gij de Spanjaarden verjaagt, zet

gij de Nederlanden open voor ketters, beeldenbrekers en slecht gespuis

van vreemde landen, dat gereed staat om als een zwerm onzen bodem te

overstroomen en het geloof onzer vaderen te niet te doen.”

Het gelaat van Godmaert veranderde eensklaps van uitdrukking, het werd

kalm en zoet. Hij sprak tot den jongeling:

“Ik zie met hoogmoed, Lodewijk, dat gij het geloof uwer vaderen zoo vast

verkleefd zijt. Gij weet, dat ik zelf dit gevoel in u gevoed heb, en dat

ik u den godsdienstigste aller priesteren tot leidsman heb gegeven, maar

het kan geschieden, dat pater Franciscus, die zich weinig met ’s werelds

zaken bemoeit, zich over ons gedrag en doel misgrijpt. Zoo ook bedriegt

gij u tegenwoordig in uwe gedachte over ons. Wij willen alleen tegen de

vijanden onzes vaderlands strijden. Gij moet en zult ons helpen. Het is

mijn wil. Geef gehoor aan de woorden van eenen man, die ouder is dan gij,

en die van uwen vader de macht ontving om over u te beschikken.”

Lodewijk liet mistroostig het hoofd op de borst hangen, en antwoordde

zuchtend:

“Het is waar, ik bedrieg mij misschien. Welaan, wat gebiedt gij?”

“Drink op der Geuzen gezondheid!”

De jongeling nam het drinkvat, sloeg zijne oogen ten hemel en riep:

“O, mijn God, vergeef mij deze zonde, indien ik eene zonde doe. Op der

Geuzen gezondheid!”

Allen, zelfs Godmaert, juichten van blijdschap, alsof zij over den

vijand gezegepraald hadden. Hier en daar ging er een lach op over de

vreesachtigheid van Lodewijk. Van Halen alleen bleef ernstig, Lodewijks

woorden hadden indruk op zijn hart gemaakt en hem in diepe overweging

gedompeld.

“Mijne heeren,” riep hij, “lacht niet om de gezegden van dezen jonkheer.

Hij alleen ziet misschien de zaken zooals ze zijn.”

Godmaert achtte de woordenwisseling over dit punt hoogst schadelijk voor

de uitvoering zijner inzichten, en viel Van Halen in de rede met deze

woorden:

“Wie van u, mijne heeren, wenscht nog langer onder de beheersching

der Spanjaarden te blijven? Niemand. Waarom dan getwist over een

afwijkend punt? Laat Lodewijk bij zijne gedachte: zij is lofbaar. Hij

zal ons helpen in ’s lands verlossing, vreest hem niet, want hij is een

rechtzinnig en eerlijk edelman.”

Van Halen naderde tot Lodewijk en, hem de hand drukkende, sprak hij met

stille stem:

“Gij zijt een braaf jonker, ik geef u gelijk. Maar zeg mij: indien de

Spanjaarden tegen uwe landgenooten kwamen strijden, welke zijde zoudt gij

kiezen?”

Lodewijk werd rood op deze vraag, hij hief het hoofd op met fierheid en

antwoordde:

“Ik zou mijn bloed voor mijne broederen vergieten. Maar indien de

Spanjaarden in ons land kwamen om het vreemd gespuis, dat er nestelt,

te verjagen, dan zou ik niet aarzelen onder hunne vaandelen voor den

godsdienst te strijden.”

Een handdruk was Van Halens antwoord. Gelukkig dat Godmaert deze

samenspraak niet gehoord had, want hij zou gewis over haar niet voldaan

zijn geweest.

Alles was nu weder op zijne plaats geschikt. Het oude wijf had het bloed

van den wand geveegd, de stoelen waren gerecht, de potten weder gevuld en

ieder had zich in zijnen vorigen zetel nedergezet.

Schuermans wilde, niettegenstaande het aandringen zijner vrienden, in de

kamer blijven om, zoo hij zeide, met Lodewijk nadere kennis te maken.

Kwaad van aard kon hij toch niet zijn, mits niet het minste teeken van

haat of gramschap op zijn gelaat te lezen was.

“Laat ons nog eens drinken,” sprak Godmaert, “en verleent mij een luttel

tijds aandacht, opdat ik u uitlegge, waarom gij dezen nacht geroepen

werdt.”

Na gedronken te hebben, sprak hij:

“Gij weet wat smaad en wat schreeuwend onrecht de Spaansche dwingeland

en zijne aanhangers ons dagelijks aandoen, hoe zij de edelen onzes lands

voor bedelaren uitschelden, en hoe zij hen van alle ambten afzetten, om

vrij en onbedwongen onze arme broeders te kunnen verdrukken. Zij worden

gewaar, dat wij het juk onverduldiglijk dragen en dat de wraakzucht in

onze harten gegroeid is; zij vreezen eenen opstand, die de Nederlanden

aan hunne geweldenarij zou kunnen ontrukken.... Daarom hebben zij nu,

tegen al onze rechten, geheel ons land met Spaansche soldaten bezet,

opdat wij zouden gevoelen, dat wij slaven in eene wijde gevangenis zijn.

Galgen en schavotten worden in alle steden opgericht, het zwaard des

beuls werkt alle nachten in het duister. Ja, vrienden, roept alweder:

wee! wee! Zierinkx en Van Berchem zult gij niet meer zien.... Zij zijn

gisterenavond zeer laat uit hun bed gehaald, en vóór middernacht waren

hunne hoofden reeds van het kapblok gerold. Het is in den Eeckhof, dat

die geheime en schandelijke rechtspleging gebeurt....”

Een akelig gemor van beknelde wraakzucht, dat uit de vergadering

opging, onderbrak Godmaerts rede, hij zelf werd rood van toorn bij die

aankondiging, en riep met doffe stem:

“Ho, dat ze schrikken, die verdrukkers! De Belgische leeuw zal, door

de knarsing zijner tanden, wel eens de schakels der lastige ketens

doorbijten.... en dan zal onze Schelde duizenden Spanjaarden den

visschen der wijde zee ten roof dragen! Maar om het uur der verlossing

te verhaasten, hoeft er nu alles ingespannen te worden wat mogelijk

is. Lodewijk! luister wel naar dit. Het raakt u alleen. Wanneer een

booswicht, door het noodlot sterk gemaakt, den zwakken rechtzinnige

onderdrukt, mag dan deze het onrechtvaardige geweld zijns vijands niet

tegengaan, al ware het door bedrog en verraderij?”

“Neen,” antwoordde Lodewijk, “verraderij, meineedigheid mag niet gepleegd

worden. Dit hebt gij zelf mij geleerd.”

“Ik weet het wel, Lodewijk, doch zie wel in, dat wij niet dan door

kromme wegen ons doel kunnen bereiken. Zoo wij allen als gij over de

zaak dachten, zouden wij weldra van de lijst der volken gevaagd zijn.

Wij moeten list tegen geweld stellen; alles plegen wat hen maar mag

ontrusten. En denkt gij, Lodewijk, dat één onder hen den dood niet

verdient? Zij hebben ons onze vrijheden ontnomen en ons tot slaven

gemaakt. Zij hebben onze broeders ongestraft gemoord!... En wij, — het

aloude krijgsvolk van Ambiorix, — wij zouden onze dolken laten roesten

met de armen toegevouwen, het bloed onzer vrienden zien rooken! en niets

tot wraak hebben dan de wanhopige wringing onzer vuisten en het doemen

onzer vijanden?... Neen, het bloed, dat niettegenstaande mijnen ouderdom

mij nog warm door de aderen loopt, wil ik aan het land mijner vaderen

opofferen, en den laatsten Spanjaard met wellust de ziel uit het lichaam

rukken!”

Hij zweeg eenige oogenblikken, want te zeer was zijn hart door spijt en

toorn ontroerd.

“Weet dan,” ging hij na eene korte poos voort, “dat koning Philips

het smeekschrift zijner Nederlandsche onderdanen met smaad verworpen

heeft. De prins van Oranje, de graven van Egmont en van Hoorne, en alle

andere vaderlandsvrienden van Brussel wakkeren ons, Antwerpsche Geuzen,

aan om zooveel volks als mogelijk bijeen te brengen, tegen de groote

omwenteling, die welhaast gebeuren zal, gelooft mij.... En dan zullen wij

onzen verdrukkers doen zien dat wij niet verbasterd zijn en, zoo min als

onze vaderen, de beheersching der vreemde volken verdragen.”

Hier zweeg de grijze redenaar. Allen hadden in het diepste stilzwijgen

geluisterd, toen hij nog sprekende was, maar nu hij gedaan had,

begonnen zij opnieuw te drinken, luidkeels de Spanjaarden te doemen en

hunne harten door wederzijdsche aanwakkering tot wraak op te hitsen.

Lodewijk, alhoewel door de woorden van Godmaert ontroerd, hield zich

stil, in twijfel overpeinzende wat hij gehoord had. Het oude wijf, door

vaak overwonnen, zat in eenen hoek der kamer te ronken. De oploopende

Schuermans had zijne wonde bijkans vergeten, en dronk ten beste met zijne

gezellen op de toekomende vrijheid des vaderlands en den ondergang der

Spanjaarden.

Onderwijl had Godmaert den verwonderden Lodewijk een weinig terzijde

getrokken, en zocht hem door alle middelen tot zijne staatkundige

gedachten over te halen. Dit moest niet gemakkelijk zijn, want reeds

hadden zij een half uur te zamen gesproken, wanneer Lodewijk uitriep:

“Welnu dan, Godmaert, ik betrouw mij op uwe vaderlijke zorg: ik zal

mijnen eed doen, mits gij het wilt!”

Nu werd het kruisbeeld op de tafel gebracht, en Godmaert, eerbiediglijk

zijn hoofd ontdekkende, waarin hij van allen gevolgd werd, sprak met

plechtige stemme tot Lodewijk:

“Jongeling! gij zweert bij de heilige passie onzes lieven Heeren Jesu

Christi, dat gij uwe broederen overal zult bijstaan, dat gij zult

strijden met lijf en have tot het verjagen onzer gemeene vijanden, en dat

gij zult gehoorzamen aan den overste, dien gij en de anderen zult gekozen

hebben. Wat uwe godsdienstige gevoelens aangaat, vrees desaangaande

niet: wij allen zijn en blijven getrouw aan het geloof onzer vaderen.”

Lodewijk hief zijne rechterhand in de hoogte.

“Dit zweer ik bij mijnen God en mijne eer,” riep hij, “op voorwaarde dat

gij nimmer iets tegen het Katholiek geloof ondernemet.”

Nu werd er braaf op zijne gezondheid gedronken, en Schuermans zelf reikte

hem vriendelijk de hand.

“Heeren,” sprak Godmaert, “de dag stipt in het Oosten, de tijd

wordt kort. Daarom is het noodig, dat ik u met weinige woorden het

overblijvende mijner taak uitlegge. Bij het dorp Zoersel woont Wolfangh,

die met eene bende van omtrent twintig boeven reeds lang de galg

ontloopen is en veel kwaad doet, zoowel aan Belgen als aan Spanjaarden.

Dezen man moet ik, op ’s prinsen bevel, gij weet het, door geld of een

ander middel pogen tot ons te trekken. Wij allen zijn openbaarlijk voor

Geuzen bekend, dus zou dit niet bedektelijk door ons kunnen uitgevoerd

worden. Lodewijk alleen beveel ik, uit kracht van zijnen eed, zich hij

Wolfangh te begeven.”

“Het is bitter,” antwoordde Lodewijk treurig, “de eer der vrijmaking des

vaderlands met dieven en galgenaas te deelen, doch nu ik door mijnen eed

gebonden ben, zal ik mij volgens uwe bevelen gedragen.”

“Morgen of later, naar de omstandigheden,” hernam Godmaert, “zal u een

schriftelijke last gegeven worden. Gij zult volgens den inhoud er van

getrouwelijk te werk gaan. Nu, heeren, heb ik u verder niets meer te

zeggen, dan alles geheim te houden. Ik heb in deze vergadering mijn

oogwit bereikt. Lodewijk, Geertruid noodigt u morgen ten noenmaal.”

Hij wierp den mantel voor de borst en vertrok. Lodewijks oogen

schitterden van blijdschap. De naam zijner lieve Geertruid had den nevel

zijner duistere gedachten verdreven, en hij ook nam blijmoedig afscheid

van de halfslapende Geuzen.

Koenraad en Van der Voort namen Schuermans onder den arm, en nadat zij

allen het vertrek geruimd hadden, werd de deur gesloten en het huis in de

diepste stilte gedompeld.

Het wonderjaar: Eene gekkenwereld · 第 6 / 19 题