OP DEN BEEMSTER.

De wintvorst, om den rouw van Hollants Maeght te paeien,

Vermits door storm op storm zy schade en inbreuk leê,

Schoot molenwieken aen, en maelde, na lang draeien,

Den Beemster tot een' beemt, en loosde 't meir in zee.

De zon verwondert, zagh de klay noch brak van baren,

En drooghde ze af, en schonk ze een' groenen staetsikeurs,

Vol bloemen geborduurt, vol lovren, ooft, en airen;

En toiende heur hair, bestroide het vol geurs.

De room en boterbron quam uit haer borsten springen,

Het vissigh lyf wert vleesch, noch maeght en ongerept,

Haer voorhoofts torenkroon quam door de wolken dringen,

Gelijk gemeenlyk weelde in hoogheit wellust schept.

Hier jaeght de winthont 't wilt: hier rijt de koets uit spelen.

Men danst, men banketteert in 's koopmans ryke buurt.

Hier lacht de goude tyt in lieve lustprieelen,

Die voor geen oorlog schrikt, noch kiel op klippen stuurt.

Verzier van Cypris hoe zy Cypers quam bekoren:

Ik weet dat dees Godin uit zeeschuim is geboren.

Poezy II.

Bl. 21, No. 48. Na de bedijking heeft ieder morgen omtrent 250 gulden

gekost.--Een morgen lands is bij ons groot 600 Rhijnlandsche roeden,

oude maat, of 85 (vierkante) roeden, 15 el, 79 palmen, 16 duim nieuwe

maat; of 85157916/100000000 van een Bunder. Gewoonlijk geldt het

morgen lands in de Beemster thans tusschen de f 650 en f 750. De

grondlasten, polder-omslagen, dijkgelden, enz., kan men per jaar op

f 12 à f 14 stellen.

Bl. 24, No. 57. Hetgeen in dit No. staat wordt in den eersten druk

niet gevonden.

Ald. No. 57. Kroosing komt van kroos, kroes, kroost, kroost, intestina,

venter cum intestinis, het inwendige, ook ronding; kroes is een

ronde drinkbeker.

» No. 60. Welke kleibodem doorgaans dik is 7, 8 à 9 voet en meer.--Bij

den Heer Baron van Lynden vindt men bl. 302 een proces-verbaal van een

in den jare 1812 plaats gehad hebbend onderzoek der diepten van water

en van den aard en de gesteldheid der gronden beneden het water van

het Meer, opgemaakt door de Heeren A. Hanegraaff, S. Kros en J. van

Lakerveld Blanken, waaruit men echter moet opmaken, dat de kleibodem

doorgaans zoo dik niet is als Leeghwater hier opgeeft.

» No. 61. Dan is het meest altijd laag water op het IJ. Er staat in het

oorspronkelijke: dan is het meest altijd leeg-water, enz. Ook in No. 24

staat leger voor lager. Dit zou het vermoeden kunnen bevestigen van

hen, die meenen, dat Leeghwater zijnen naam van laag-water ontleende.

Bl. 26, No. 62. Plempwerk.--Van plempen, in de beteekenis van dempen,

digtmaken.

» 27, No. 65. De veelvuldige Meren en Moerassen, die in Noord-Holland

vóór en na de Beemster bedijkt zijn. De Heer Baron van Lynden geeft,

bl. 34 zijner verhandeling, eene staat der droogmakingen, zoo in Noord-

als in Zuid-Holland. De eerste bedijking was in 1440 van het Neschmeer

in Noord-Holland. Volgens dien staat zijn in dat gewest van 1440 tot

1645, als wanneer het Sapmeer is bedijkt, 43 meren en plassen tot land

gemaakt, te zamen ruim 42617 morgen uitmakende. En in Zuid-Holland,

met een klein gedeelte van Utrecht, vanaf de droogmaking van het

Soetermeersche Meer, in 1614, tot die van het Bijlmer-Meer, in 1820,

40 Meren en Polders, te zamen uitmakende ruim 35793 Morgen.

Helmers zingt in zijne Hollandsche Natie (Iste Zang) niet ten onregte:

»Stijg, Beemster! Purmer stijg! meldt, welige valleijen!

Op wier beklaverd veld thans vette kudden weijën;

Vermeldt den voorspoed aan der oud'ren vlijt verpligt!

Uw welvaart zegt ons meer dan 't schoonste lofgedicht.

o Grond! in vroeger eeuw in schuimend nat bedolven!

o Grond! door 't voorgeslacht gewoekerd uit de golven,

Gij dondert ons in 't oor met onweêrstaanbre kracht:

Bemint uw vaderland, vereert het voorgeslacht!

Hun brein, dat tot uw nut heel d' aardbol had omvademd,

Schiep 't land dat gij bewoont, den luchtstroom dien gij ademt."

Leeghwater noemt op zijne lijst de oude en nieuwe Zijp; deze werd

eigenlijk reeds in 1553 bedijkt, doch brak later in 1570. De tweede

bedijking had in den jare 1572 plaats; doch in het zelfde jaar bezweek

de dijk weder. In 1595 hervatte men de bedijking, die, hoezeer nog

eens ingebroken zijnde, echter in dat jaar tot stand kwam. Zie de

cronycke van Leeuwenhorn, uitgegeven door D. Asz. Valcooch, bl. 88.

De optelling dezer in No. 65 vermelde drooggemaakte Meren vindt men

in den eersten druk niet.

Bl. 28, No. 66. Dirk van Os met zijn broeder Hendrik van Os, het

eerste jaar toen de Beemster droog geworden was geteeld zeven duizend

zeven honderd drie en vijftig zakken koolzaad. Leeghwater geeft niet

op, hoe veel lands deze gebroeders van Os in de Beemster bezaten;

zeker is het, dat Dirk van Os de voornaamste belanghebbende in die

bedijking was. Men zie Extract uit het octrooi van de Beemster met

de cavelconditiën, gedrukt te Purmerend, 1696, in 8o.

Bl. 29, No. 67. De volger weg is de weg, die van Purmerend, of liever

van de kruissloot, tusschen die stad en Quadyck, naar Volger, bij

Spijker-boort, loopt; hij is bijna 2040 Rhijnlandsche roeden (7685

Nederlandsche ellen) lang.

Ald. No. 69. De Beemster kan ieder jaar nu wel opbrengen aan landhuur

twee maal honderd en vijftig duizend gulden aan vrij geld. Een mijner

vrienden gaf mij op, dat hij van zijn land in de Beemster rekende

jaarlijks f 33 à f 34 vrij geld per morgen te ontvangen. Hetgeen over

de 7645 morgen, die de Beemster groot is, wederom ten naaste bij de

door Leeghwater opgegeven som uitmaakt.

Bl. 31, No. 72. Hetgeen in dit No. staat mist men mede in de eerste

uitgave.

» 34, No. 78. Fabrijk.--Eertijds werd de opziener over de stadsgebouwen

de fabrijk genoemd. Dit heeft in sommige steden nog wel plaats.

Ald. No. 80. Mijn zaligen vader Adriaan Symonsz. Leeghwater.--Men

zou hieruit kunnen opmaken, dat de vader van onzen Schrijver zich

ook Leeghwater noemde; doch het komt mij waarschijnlijk voor, dat

Leeghwater, dien naam hebbende aangenomen, denzelven ook aan zijnen

vader toevoegde, die zich mede met het leegmaken van plassen schijnt

bezig te hebben gehouden.

Bl. 36, No. 87. Sr. van Baerle.--Eertijds,--geen vijftig jaren

geleden,--noemde men Sr. (Sinjeur,) iemand, wien men meende dat de

titel van Heer niet toekwam. Ik zag eens eene assignatie op eenen

kassier, luidende: Sr. N. N. gelieve te betalen, enz. Thans zijn alle

Sinjeurs Heeren, zoo niet Wel-Edel of Wel-Edelgeboren Heeren geworden,

nadat eerst de Heeren Burgers zijn geweest.--O quantum est mutatum

ab illo!

Bl. 37, No. 92. De Haarlemmer-Meer is doorgaans diep negen

Rhijnlandsche voeten.--Uit het hier boven opgenoemd proces-verbaal van

de Heeren Hanegraaff, Kros en Van Lakerveld Blanken blijkt, dat het

water in het Meer meestal 12, 12 1/2 en 13 voeten diep is, ja op eenige

plaatsen 15 voeten, schoon op enkele 8 en minder. Die Heeren hebben 256

peilingen en boringen in het Meer bewerkstelligd. De diepte is door hen

berekend onder het Amsterdamsche peil. De diepte op het door mij bij

dit werkje gevoegde kaartje aangeduid, is derhalve beneden dat peil.

» 38, No. 94. Van de watermolens.--Zeer breedvoerig handelt de Heer van

Lynden over dit onderwerp in het VIde Hoofdstuk zijner verhandeling,

bl. 70-144. Sedert den leeftijd van Leeghwater is men in de werktuigen

van uitmalen veel vooruitgegaan.

» 45, No. 112. De brouwers van Haarlem en Leiden.--Het getal der

brouwerijen te Haarlem, Leiden, Delft en elders in ons Land, was

bevorens zeer aanzienlijk.

» 46, No. 115. Kordewagens is het zelfde als kruiwagens. Zie Weiland

op het woord.

Ald. No. 117. Voor dezen heb ik dit (de berekening der bedijking)

nog eens gesteld.--Hieruit blijkt, dat Leeghwater reeds vroeger het

plan eener droogmaking van het Haarlemmer Meer heeft gevormd.

Bl. 47, No. 120. Een schaft aarde.--Eene schaft is 114 kubiek

voeten. Leeghwater berekent de schaft op 50 cents; in het midden der

vorige eeuw stelde men ze op 85 cents, en de Heer Van Lynden zegt

(bl. 178 zijner verhandel.), dat men dezelve thans, bij het graven van

groote en diepe kanalen, tusschen de 1 1/2 en 2 gulden moet berekenen.

Bl. 48, No. 121. Notsloot voor Nootsloot nog als zoodanig in gebruik,

alsmede notbrug, notweg, enz.

» 51, No. 134. Dit alles bedraagt al te zamen zes en dertigmaal honderd

duizend gulden.--De berekeningen van de kosten der droogmaking zijn

zeer uiteenloopende,

Leeghwater stelt ze op f 3,600,000.

Bolstra gaf die in zijnen tijd op als

zullende bedragen » 6,600,000.

de Heeren Goudriaan en Klinkenberg stelden

in 1769 » 9,000,000.

de Heer A. Blanken, Jsz. » 8,000,000.

de Heer Engelman » 12,000,000.

de Baron van Lynden » 7,000,000.

en Al. Stappers slechts » 6,000,000.

Terwijl, volgens de berekening van het Gouvernement, tot die

droogmaking 8 Millioenen noodig zouden zijn.

Ald. No. 153. Al wat in No. 153 tot en met No. 174 staat wordt in

den eersten druk niet gevonden.

Bl. 63, No. 168. Heeft men het ongeluk in Holstein niet gezien, hoe het

met de Meggerzee, Butsloot en het Noorderstrand is gegaan?--Leeghwater

verhaalt dit ongeval, hetwelk in 1634, daags vóór Allerheiligen,

voorviel, en waarbij hij tegenwoordig was en groot gevaar liep om zijn

leven te verliezen, zeer breedvoerig in de kleine kronijk, bl. 36,

No. 35 tot en met 48.

» 65, de laatste regel: 1643.--Dit jaartal staat onder al de uitgaven,

die den vierden druk volgden.--Leeghwater heeft, na het uitkomen van

Colevelt's Bedenkingen, zijn werk in 1643 nog eens nagezien en eenen

IVden druk van zijn Meerboek uitgegeven, naar welken al de volgende

(met bijvoeging van de kleine kronijk) zijn afgedrukt.

Het Haarlemmer-Meer-Boek · 第 9 / 11 题