Haarlemmer-Meerboek.--De titel van den eersten druk luidt woordelijk:
Ȉ dieu seul honneur et gloire. Haerlemmer-Meer-Boeck, dienende tot
remonstrantie, verklaringh ende voorbereydinghe om de Haerlemmer-
ende de Leytse-meer te bedijcken. Als oock van de diepten, gronden
en de nuttigheydt derselver. Midtsgaders: van meest alle de Meeren
die in Noort-Hollandt teghen den Huygendijck en Saerdam bedijckt en
tot land gemaeckt zijn, zedert het jaar 1608, geduerende tot het
jaer 1641. Beschreven door Jan Adriaenz Leech Water, Ingenieur en
Molenmaecker van de Ryp in Noort-Hollant."
Zoo ook luidt de titel van den derden druk; doch op denzelven slaat
nog: »door d' Autheur een vijfde part vermeerdert."
De 8ste druk, dien ik in deze heb gebruikt, mist de Fransche spreuk,
doch heeft de woorden: "den achtsten druk wederom met verscheyden
notable Artykelen een zesde part vermeerdert, ende ook met eenige
tegenspraak van Colevelts Boeksken." Hetgeen waarschijnlijk ook op
de titels der vierde en volgende uitgaven gevonden wordt.
De eerste druk is in geene paragraphen of nummers verdeeld. Men mist
er ook alles, wat in No. 7 tot en met No. 33, in No. 42 tot en met
No. 45, en in No. 57 is vermeld, alsmede de optelling der bedijkte
plassen in No. 65 en hetgeen men in No. 72, in No. 153 tot en met
No. 174 vindt. De verdeeling in Nummers of Paragraphen heeft echter
reeds in den derden druk plaats.
Bl. 3. De Haarlemmer Meer.--In het werk van Leeghwater heb ik
het woord Meer vrouwelijk gelaten, omdat hij het als zoodanig
heeft gebruikt. Het woord is in onze taal zoowel vrouwelijk als
onzijdig.--Men zie Bilderdijk's Geslachtlijst der Naamwoorden.--In
mijn eigen werk heb ik mij naar het thans algemeen gebruik gevoegd
en het woord als onzijdig gebezigd.
» Voorbereiding, dit is plan.
» Prins van Oranje, te weten Prins Frederik Hendrik, aan wien en aan
de overige bij de opdragt vermelde personen, waarschijnlijk al hetgeen
in den eersten druk staat, is ingeleverd. Misschien wel bij wijze van
verzoekschrift, om octrooi te erlangen tot het bedijken van het Meer.
» Lofbaarlijke, dit woord gebruikte Leeghwater veelvuldig, het is
lofwaardig; wij hebben nog in onze taal schrikbaarlijk, wonderbaarlijk,
enz.
Bl. 4, No. 1. Zoo dat de vrees niet ongegrond is.
Bij Leeghwater staat: hetwelk te bedenken staat, eene spreekwijze,
thans niet meer in gebruik; wij hebben echter hiervan nog het woord:
bedenkelijk, die zaak is bedenkelijk.
Ald. No. 2. Een kenning. Eene zeer onbepaalde maat, zoo ver als men
zien, kennen, herkennen kan, een gezigt ver. Het woord komt ook voor
bl. 7, No. 10.
» Geloofwaardige. Leeghwater zegt: loofwaardige, eene Noord-Hollandsche
spreekwijze.
Ald. Bij eenen landmeter, oude spreekwijze voor: door eenen landmeter.
Bl. 5, No. 3. 't Land van de Vennep en het land van den Ruigenhoek. Het
land van Vennep was eertijds zeer uitgestrekt, en aan het vaste
land vast; men kon van dáár over Aalsmeer en Amstelveen te voet
naar Amsterdam gaan. (Zie ook v. Leeuwen, Bat. Ill., bl. 140). Nog
tegenwoordig heeft men te Hillegom de Venneper laan, die naar het Meer
loopt. Vennep is een klein eilandje in het Meer, naast Beinsdorp. (Zie
over Vennep v. Mieris, Beschr. van Leyden, II D., bl. 601).
Het land van den Ruigenhoek ligt niet ver van Aalsmeer, eenigzins
westwaarts van dáár.
Ald. No. 4. Het zwoord van het land, is het bovenste gedeelte, de huid
van het land, de bovenste korst, waarschijnlijk van waren, bewaren.
» Nieuwerkerk, was weleer een welvarend dorp. Thans geheel, even
als Vijfhuizen, Rijk, Rijkeroort, Burgerveen en 's Greegelsgeregt,
door het Meer verzwolgen.
» De schoor van het land; men noemt schoor, schor, schorre den aanwas,
den aanworp van het land; het slijkland, gors. Het duidt in het
algemeen aan land, dat boven water ligt, ook wel strand of oever.
» No. 5. Dat zijn Vader zich herinnerde. Bij Leeghwater staat: 't
welk zijn vader mogte gedenken; verouderde spreekwijze, wij zeggen
nog in die beteekenis: gedenk mijner, voor herinner u mij.
Bl. 6, No. 7 tot en met 33 worden niet in den eersten druk gevonden.
Ald. No. 8. Rafter, is een stuk ruw hout. Zie Kiliaan op het woord. In
het taalkundig woordenboek van Weiland komt het niet voor.
Bl. 8, No. 14. Dat in dien tijd de mond van de Spiering-Meer geheel
digt was. Men zie de kaart door ons bij dit werk gevoegd, waar men zien
kan, dat het Spiering-Meer bevorens een geheel afzonderlijke plas was.
De kaart van 1531 zou, volgens G. Schoenmaker, in de aanteekening op
de Noord-Hollandsche Arcadia van Kl. Bruyn, bl. 481, vervaardigd zijn
door Pieter Bruinsen, Landmeeter van Rijnland en Kenmerland.
Bl. 8, No. 14. Dat daartoe geene waterlozing bij het huis ter Hart was.
Het is onzeker, wanneer de sluizen bij half weg Haarlem het eerst
gelegd zijn. In 1364 heeft Hertog Albrecht aan die van Rhijnland eene
Handvest verleend, om sluizen te mogen leggen tusschen Amsterdam
en Spaarndam, waarbij bepaald werd, dat door deze nimmer eenige
doorvaart zijn mogt van groote schepen; ook mogt hier nimmer een
overtoom gemaakt worden of eenige overslag van goederen over den dijk
plaats hebben. Welligt is alzoo de oorsprong der sluizen op Halfweg
aan deze handvest toe te schrijven.
Het Huis ter Hart is thans meer bekend onder den naam van Zwanenburg;
S. van Leeuwen zegt in zijne korte beschrijving der stad Leiden,
bl. 156, dat hier weleer het adellijke huis Polanen stond. (Zulks
is ook het gevoelen van Soeteboom in zijne Saanlandsche Arcadie,
IIIde Boek). Dit wordt echter door anderen betwijfeld, die beweren,
dat het huis Polanen een weinig meer naar de Amsterdamsche zijde,
niet ver van de tegenwoordige trekvaart, waar later de lustplaats
van den Heer Klaas Kornelisz Kalff was, heeft gestaan. Zwanenburg is
het gemeen-landshuis van Rhijnland; de tijd der stichting is mij niet
gebleken. G. Schoenmaker zegt, dat de naam Zwanenburg waarschijnlijk
eerst zal hebben aangevangen na de vertimmering in 1660, en ontleend
van de Zwanen, die boven ieder der stijlen van den ingang werden
geplaatst.
Bl. 9, No. 15. Zoo zou de Meer met de Drecht gemeen wezen. Over de
betrekking van het Haarlemmer Meer en de Drecht, kan men zien het
in den jare 1825 geschreven werkje van den kortelings overledenen
ijverigen en werkzamen Jacob de Jong, Dijkgraaf van het Heemraadschap
van den Amstel en Nieuwer Amstel, getiteld: De Amstel, de Drecht en
de Aar voor groote schepen bevaarbaar gemaakt.
Ald. Het Griet. De Griet is een polder, tusschen Leimuiden en het Meer,
waarvan zeer veel is weggespoeld, zoodat het gedeelte van het Meer,
dat er tegen aanspoelt, mede het griet wordt genoemd.
Bl. 10, No. 20. Zoo dat deze waterwolf alles vernielt wat daaromtrent
is. C. Velsen geeft, in zijne aanmerkingen over de tegenwoordige staat
van de Haarlemmer Meer, eene opgave van de landen, die na Leeghwater,
tot op zijnen tijd (1727), door het Meer zijn weggespoeld.
» 11, No. 24. Hoorn. Hoorn, niet ver van de stad Leiden.
» 12, No. 24. Begon te leggen, er staat slissen.--Slissen is eigenlijk
slechten, effen-glad maken, complanare. Zie Kiliaan.
Bl. 13, No. 27. Dat de droogte van Pampes daar nog dagelijks door
gevoed wordt.--Wijlen mijn vriend M. G. Biben heeft in den jare 1828
twee zeer belangrijke verhandelingen in het licht gegeven, over de
aanslibbing der haven van Amsterdam en de afdamming van Pampus.
Bl. 16, No. 36. Rhijnlandsche roede.--Eene Rhijnlandsche roede is 3
Ellen, 7 Palmen, 6 Duimen, 7-4/10 strepen Nieuwe Nederlandsche maat;
een Rhijnlandsche voet is 3 Palmen, 1 Duim, 3-9/10 Strepen.
» 17, No. 41. De waard.--Geene bedijking had met zoo vele tegenspoeden
te kampen als de Wieringer-waard, waartoe reeds 5 September 1595
verlof werd gegeven, doch welk meer eerst in 1611 is gekaveld.
Bl. 18, No. 41. Voor 's Hertogenbosch. In de kleine kronijk, bl. 40,
No. 49, zegt onze schrijver: »Nota, dezelve Jan Adriaansz. Leeghwater,
heeft ook gewerkt in 't leger voor 's Hertogenbosch, alwaar hij
grooten dienst gedaan heeft voor den Prins, met molens te ordineeren
en te stellen, om het water uit te malen, 't welk groot voordeel
heeft gegeven om dezelve onwinlijke stadt winlijk te maken, gelijk
gebleken is."
Ald. No. 42 tot en met No. 45 wordt in den eersten druk niet gevonden.
» No. 42. In het jaar onzes Heeren, te weten in 1628.
Bl. 20, No. 46. In het labeur wezen.--Zoo staat er bij Leeghwater:
het is het Latijnsche in laborem esse, bezig, werkzaam zijn.
» 21, No. 47. Ronde Goden.--Wat ronde Goden zijn, heb ik niet kunnen
ontdekken.
» 21, No. 48. De Beemster.--Leeghwater heeft de bedijking der Beemster,
in zijne kleine kronijk, bl. 27, aldus beschreven:
»In den eerste, de verzoekers en octrooijanten van de Beemster,
die met Gods hulp dit heerlijke treffelijke werk eerst bij der
hand genomen hebben, waren bij namen de navolgende perzonen; de
eerzame, vrome koopman, Dirk van Os met zijn broeder Hendrik van
Os, Burgemeester Boom, Arent Grootenhuis, met zijn broeder Heins
Grootenhuis, Jan Klaasz Krook, goutsmit; deze zes personen waren
woonachtig te Amsterdam, met nog den bailjou van Oosthuizen, genaemd
Vollenhoof, die mede een octrooijant was, die de eerste dijkgraaf
geweest is die de Beemster bediende.
»2. De namen van de vier principaalste Landmeters waren deze navolgende
personen, (die de Beemster, aldereerst de ringdijk, daarna de wegen
en sloten, en de cavelingen, met advys van de E. Heeren bedijkers,
gerooit en gesteld hebben) Mr. Luicas Jansz. Sink van Amsterdam,
met Mr. Jan Pietersz. Dan van Leiden, met Augustyn Bas van Alkmaar
en Schout Reier van Warmenhuyzen.
»3. De eerste Secretaris was van Purmerend, genaamd Riwert Claasz, een
zeer bekwaam man tot zoodanige diensten, en Jan Adriaansz. Leegwater
van de Rijp, was van de E. Heeren gesteld waar te nemen het fabrijken
en stellen van de watermolens.
»4. De Beemster was een water van omtrent zeven mijlen in het rond
en na mijne meting omtrent zes voeten diep. De bedijking van dezen
is een zeer treffelijk werk geweest, strekkende tot groot profijt,
niet alleen voor het gemeene Land, maar ook voor vele arbeiders,
die hun brood daaraan wonnen, en waardoor nu nog dagelijks, droog
geworden zijnde, vele duizend menschen gespijst worden.
»5. De besteding van de watermolens van de Beemster, is geschied in
het jaar 1608, op nieuwe jaarsdag, in het openbaar tot Amsterdam,
op den Nieuwen dijk tot Anna Franken, en die den eersten molen aannam
was van Delft, genaamd de Boer.
»6. De eerste aanbesteding van het dijkwerk werd gedaan tusschen
Purmerend en Nek, op den 10den April 1508, waarvan een groote
menigte van volk tot Purmerend op het kasteel vergaderd was. De
aannemer van het eerste park was van Burghorn, zijn naam was Jan
Adriaansz. Jongkint, welke een ton bier van de Heeren ten beste kreeg,
omdat hij het eerste park gemijnd had.
»7. Een zeker Engelschman, aangenomen hebbende een groot stuk dijks,
begon daaraan te werken, doch is, door het geweld van het water,
vermits de dijk zeer lang was, verhinderd hetzelve uit te voeren,
en moest tot zijn groote schade, de wijk nemen.
»8. Daarna heeft men beginnen te raadslagen hoe dat men het
Spijkerboorsgat zou stoppen, hetwelk kwaad om te doen was, overmits
de scheuring eene groote diepte aldaar maakte; dit werd met balken
en heiwerk, en aarde daartusschen ingeworpen voltrokken, zulks dat
men haast over dezen dam kon gaan.
»9. Daar is ook eene uitwatering besteed, die begonnen is voorbij
Ursem, langs Walingsdijk, daar nu de vaart tusschen Alkmaar en Hoorn
is; voorts liep het voor bij Avenhorn, en zoo allenskens in zee. De
andere uitwatering was na Sardam, alwaar de Heeren van de Beemster
eene nieuwe sluis lieten leggen, om het water te lossen.
»10. Men zag met er haast vele watermolens rondom de Beemster stellen,
om na het sluiten van den Ringdijk het water uit te malen, hetwelk
in vier jaren tijds volbracht is.
»11. Doen de Beemster ten naastebij droog was, zoo dat men daar niet
langer met schuiten over varen kon, zoo is aldaer in de zomer veel
volks in gegaen met manden en zakken, na de kil toe, door de slibber
en heeft aldaar bij menigte visch en aal met handen gegrepen, en t'
huis gebragt, gelijk ik zelfs mede gedaan heb.
»12. Doen de Beemster eerst droog geworden was in het jaer 1612,
den 4den July, dat men de wegen redelijker wijze kon gebruiken,
hebben de E. Heeren bedijkers van de Beemster, den Prins Mauritius,
met zijnen broeder, Prins Hendrik, met meer groote Heeren en Edelen
daer bij wezende, verzogt, en genoot om in de Beemster te komen,
om hunnen maaltijd aldaar te houden in 't Heeren huis; hetwelk ik
Jan Adriaansz. Leegwater mede gezien heb, en den tafel mede heb
helpen bedienen.
»13. Op den zelfden dag, voor den maaltijd, is de Prins Mauritius,
met zijn adel en suite na de Rijp getrokken, alwaar hij zeer treffelijk
ingehaald en ontvangen werd, waarvan Jan Sypersz., een braaf jongman,
eene fraaije vrijster bij hem hebbende, allereerst den Prins gewelkomd
heeft, en hij heeft haer elk met een stuk gouds vereerd.
»14. En alzoo daer nog geen brug bij Rijp over de ringsloot was, daar
men over gaan konde, zoo was schipper Jan IJsbrantsz. van de Rijp, die
een liefhebber van den Prins was, de aanlegger om een brug te ordineren
met schuiten en pramen, mede met planken en deelen op het spoedigste te
maken en te stellen, zoo dat die brug wel gereed lag doen die Prinsen
en Heeren in de Rijp kwamen, en daer bekwamelyk over gaen konden.
»15. Alzoo die loffelyke dykagie van de Beemster door den zegen
des Heeren alle jaren zeer treffelyk begon aen te wassen en te
vermeerderen, zoo waren die van Rijp zeer begeerig om een wagenbrug by
de Rijp over de Ringsloot te hebben, waarvan Meinert Cornelisz. Salm,
een van de vroedschappen van de Rijp was, die aan de E. Heeren Bedykers
van de Beemster verzogt en verkregen heeft, aldaar een wagenbrug te
leggen, waarvan de Heeren bedykers het hout daartoe gegeven hebben,
en die van de Rijp hebben die brug uit een goede gonste ter liefde
gemaakt, in twee halve dagen, waarvan ik, Jan Adriaansz. Leegwater,
het fabryk met het timmeren van de brug waargenomen heb.
»16. Zoo haast die brug gemaakt was, zoo was IJsbrant Jansz. de
Lange, zeer begeerig, en heeft zyn wagen en paard op den zelfden
dag gehaald op het spoedigste, en is allereerst over die brug in de
Beemster gereden, welke voorz. brug al daar sommige jaren tot een
behulp gelegen heeft. Deze voorz. brug is gelegen in het jaar 1613,
op den 29sten Maart, en doen is de eerste wagen uit de Beemster over
die brug in de Rijp eerst gekomen."
Men leze over de Beemster Le Francq van Berkhey, Nat. Hist. van
Holl., Iste Deel, bl. 76; A. Wolf, de bedijking van de Beemster;
Historisch berigt wegens Joost Jansz. Beeldsnijder, door J. Koning,
geplaatst in het Vde Deel der werken van de 2de klasse van het
Koninkl. Ned. Instituut, enz.
Ik kan mij niet onthouden hier te plaatsen de regels van Vondel,