Op den dag, dat hij aarzelend over het huwelijk sprak, zei ze ruw-weg
nee. Hij drong aan, drong aan, maar ze werd driftig. Hij zweeg,
blij dat ze 't nou eenmaal wist, vast besloten, om er op terug te
komen. Een week later, voorzichtig, vroeg hij nòg eens, zachtjes:
"Nou moeder.... Ben je tot àndere gedachten gekommen?"
Het donkere Joden-vrouwtje verroerde zich niet. Ze zat met de handen
gevouwen alsof ze niet gehoord had.
"Ben je tot andere gedachten gekommen, moeder?"....
Ze bleef in dat stugge zwijgen, liet het hoofd achterover gaan in
den leunstoel, knipte de oogleden dicht.
"Ben je niet lekker?" vroeg-ie, omdat ze zoo stil bleef en hij nou
pas oplette, dat ze zoo geel-bruin en gerimpeld en oud was bij het
licht van de lamp.
Ze schudde 't hoofd.
"Geef.... dan antwoord."
Ze dee de oogen open, keek hem aan, boog het lijf driftig voorover
en snauwde:
"Je trouwt die meid niet!"
"Die meid.... Die meid.... Ik wou dat je je wat matigde."
"Ik zeg maar meid, om niks ergers te zeggen"....
"Wil je d'r niet kalm over praten?"
"Nee. D'r is genog over gepraat."
"D'r is niet over gepraat. Je ben an 't schelden gegaan, toen ik d'r
over sprak."
"Dat hèb ik, dat hèb ik.... dat doe ik nog.... Jij gooit me met vuil,
als je zóó'n slet"....
"Moeder!"....
"Zou je vader mij genomen hebben, as d'r maar zóó veel op me te zeggen
was geweest"...
"Vader ging zijn weg"...
"Je bent gek, gek, gek!"
"Win je nou niet op... Ja, ik ben gek, krankzinnig op die vrouw... Ik
ken d'r negen maanden en in dien tijd heeft ze zich gedragen, om
je hoed voor af te nemen... Mot 't nou zoo zwaar wegen als iemand
lichtzinnig was... Denk daar eens over na... Stel je in 't geval dat
je eigen dochter"...
"Anna was te fatsoenlijk!"
"Zooals je 't nemen wil--d'een trouwt 'n man om geld--d'ander uit
liefde.--Ik zou liever m'n tong afbijten!"...
"Bijt je tong liever af vóór je 'n slet"...
"Moeder!"
... "Voor je 'n slet trouwt! Wou je hebben dat ik d'r ontving in mijn
huis, dat ik d'r zoende als me eigen kind, dat ik d'r liet anzitten
an mijn tafel?"
"Bij God, moeder!"
"Denk an de geboden... Spreek den naam van den Eeuwige niet ijdellijk
uit... Denk an de geboden... Eer uw vader en moeder, opdat uwe dagen
verlengd worden!"
"Ja, ja, dat weet ik, dat weet ik... Die klets! Ik zal nemen de
vrouw, waarvan ik hou, de vrouw, aan wie ik wat goeds kan doen,
die ik oprichten kan uit d'r verval, de vrouw die nog onbedorven is,
al beschouwen jullie dat ànders, de vrouw van wie ik hou, hou, hou,
de vrouw die voor mij geen fatsoen, geen onfatsoen heeft, omdat ik
van d'r hou, die niet slecht kan zijn, omdat ik van d'r hou, die geen
verleden heeft, omdat ik van d'r hou!... En als je ooit liefde gekend
heb... dan begrijp je dat, dan voel je dat en dan hou je niet tegen,
wat toch niet tegen te houen is!..."
"Joozep, Joozep... herinner je de Vrijdag-avonden, als je vader zat
in z'n leunstoel... als 't witte tafelkleed op de tafel lei... en de
kaarsen brandden..."
... "Huil nou niet moedertje. Je begrijpt zoo weinig, zoo niks van
de dingen van 't leven, zooals wij dat doen!... Er kan toch geen
schande in zijn, een vrouw tot je huisvrouw te nemen, als je houdt
van elkander! Is dat niet àlles voor 't huwelijk? Wat heb je meer
noodig? Als je dat niet begrijpen kunt, omdat je zoo heel anders bent
opgegroeid, omdat je zoo streng, zoo raar bent in je gedachten over
fatsoen... zeg dan ja... voor den vorm... ontvang d'r niet... beschouw
d'r as een vreemde... tot je anders heb leeren denken!... Want ik
trouw d'r, zoo waar ik het leven heb!"
"Dan hoeven wij niet verder te praten."
"Waarom doe je dat harde... mij te plaatsen tusschen jou... en haar?"
"Omdat ik eerbaar ben... en niet wil worden nagewezen om mijn
schoondochter!"
"Geef je toestemming... het is zoo vreemd om te breken met
jullie... Over zes maanden... 'n jaar... spreekt niemand er over."
"Nee, nee, nooit!"
"Denk d'r wel over, moeder... we gaan voor goed van elkaar."
"Zooas je wilt! Zooas je wilt! Kinderen zijn d'r nou eenmaal, om
ondankbaar te zijn... om alles te vergeten... Hier in de kamer, waar
het portret staat van je vader, waar zijn tefille [3] leit, waar die
gewoond en geleefd heeft as eerlijk, fatsoendelijk man, ontvang ik geen
schoondochter, die zal kleuren as ze voor me staat... ik zou niet meer
naar zijn graf durven... Later zul je me op je knieën danken, dat ik je
teruggehouen heb, dat ik je gewaarschouwd heb, je niet te vergooien!"
"Dan zie je me voor 't laatst!"
"Ik wil geen hand van je!"
"Geef me je hand... Je weet nooit wat gebeuren kan"...
"Nee."
Het was een korte ceremonie.
Ze reden van 't Stadhuis terug. Het rijtuig rolde snel, gevolgd door
twee andere met getuigen. Met haar hand in de zijne, onnoodig-opgewekt,
uit zenuwachtigheid, zat hij in de trouwkoets.
"Wat is er?" vroeg ze ongerust, toen hij op eens, half-verschrikt
uit het portier keek.
"Niks, niks."
"D'r is iets!"
"Wel nee."
"Je verbergt iets, Jo."
"Ach wel nee, wel nee."
"Heb je... je moeder gezien?"
"Nee kind, d'r is niks!"
"Geef me je woord!"
"Gekkinnetje... vertrouw je me al niet op den trouwdag?"
"We zijn toch 't huis van je moeder voorbijgerejen?"
"Ja."
"Was 'r wat te zien?"
"Vraag nou niet..."
"Ik wil 't weten"...
"De gordijnen waren neergelaten"...
"Anders niks?"
"Nee."
"Op je woord?"
"Guus, Guus, da's tweemaal!"
"Ik kan 't niet helpen, maar ik ben zoo ongerust!"
"Ben ik er dan niet?"
In de woning van den vriend stond een koud déjeuner klaar.
De bruid was even boven.
Bij het raam stond-ie.
"Joseph, wat kijk je triestig!"
"Heb je gezien, Herman, dat de gordijnen neergelaten waren?"
"Ja"...
"Waarom dee ze dat?... D'r kan toch geen... ongeluk gebeurd zijn?"
"Nee."
"Hoe weet je dat?"
"Omdat ik van morgen bij haar was."
"Jij?"
"Ja... op 't laatste oogenblik wilde ik nog probeeren"...
"Dank je!"
"Ze wou niet."
"Dat dacht ik wel."
"Je zuster Anna was d'r ook en heeft staan huilen om d'r over te
halen.--Ze was niet te bewegen.--Nou heeft ze iets... leelijks
gedaan"...
"Wat dan?"
"Het zal je hinderen om 't te hooren"...
"Later hoor ik 't tòch... Zeg 't maar ronduit!"
"Ze zei... as-die om elf uur trouwt, ga ik om elf uur sjiwwe-zitten"
[4].
"Heeft ze... dàt... gezegd?"...
"En gedaan... Ze zei: nou is-ie dood voor me. Achter de gordijnen
zat ze sjiwwe."