MINTENEE.

Een uur nadat ze gekomen waren stierf hij, zonder ze te herkennen.

Zachtjes dee zij de alkoofdeur dicht, ging zitten huilen in den

doorzeten leunstoel.

"Loop nou zoo niet heen en weer. Je maakt me zenuwachtig!... Hoor je

me niet!"

"Jouw, jouw schuld."

"Wàt mijn schuld? Wat, wat, wàt?"

"Dat weet je wel. Jij wou niet buigen."

"Nee."

"Nou zijn we nét te laat gekomen!"

"Waar is dat schepsel gebleven?"

"Ze is weggegaan."

"Dat béést, dat schaamtelooze"...

"Stil wat."

"Woonde ze bij 'm in?"

"Ja."

"Ze kan toch niet terugkomen?"

"Dat zal ze wel niet."

"Heb je met d'r gesproken?"

"Eventjes."

"Wat zei ze tegen je?"

"Niks."

"Niks?"

"Ze huilde."

"Heb je d'r gezegd, dat ze d'r boeltje most pakken?"

"Nee."

"Waarom niet?"

"Ik had meelij met d'r. Je had d'r moeten zien... Zoo bleek. Zulleke

gezwollen oogen."

"Kan me niks schelen. Jullie bent allemaal 't zelfde."

"Spreek wat zachies Marie... Denk an Jan"...

"An Jan... An Jan... mijn arme jongen!"

"Laat de alkoofdeuren dicht, kind... D'r valt niks meer an te

veranderen"...

"Mijn arme jongen... Dat-ie me niet herkend heeft!... ik ben toch

z'n moeder!"

"Goed zoo. Huil maar is uit"...

"Als-ie niet dat mensch ontmoet had"...

"Zachies wat"...

... "Zouen we d'r eerder van geweten hebben, had ik 'm kunnen

oppassen.... had jij 'm kunnen oppassen!... Wie heeft getelegrafeerd?"

... "Zij."

... "Zij?"

... "Ja."

... "Had ze 't niet eerder kunnen doen?"

... "Ze dorst niet."

... "Waarom niet?"

... "Omdat... Laat ik je 't maar liever niet zeggen, Marie."

"Wat was d'r dan... Maak me niet ongeruster."

... "Omdat... omdat Jan 't niet wou."

... "Wou hij ons niet meer zien."

... "Nee."

... "Dat beest, dat schèpsel!"

... "Zachies, zachies!"

"Heeft zij je dat gezegd?"

"Ja."

"Dan heeft ze je voorgelogen... Dat kàn-die d'r niet gezegd

hebben... Zou-die z'n eigen ouwers"...

"Ze heeft me nièt voorgelogen."

"Hield-ie dan zóóveel van d'r?"

"Kind, kind... ik heb je zoo dikwijls gezegd."

"Hou je mond! 'k Wil niks weten... smijt dien hoed uit de kamer!"

"Marie, Marie!"

"'k Wil niks van die vrouw zien."

"Laat 'm liggen, kind... Denk an Jan die"...

"Mijn arme jongen, mijn eenige jongen!.. Dat-ie zoo vroeg sterven

most!... Waarom is d'r 'n God op de wereld... als jonge menschen zoo

weggehaald worden!"

... "Dàt maakt me niet ongelukkig. Ik heb berouw dat ik naar jou

geluisterd heb... Wat dee je me op te stoken... Nou is alles te laat."

"Berouw? Berouw? Had jij willen hebben dat-ie die meid, zoo'n van de

straat opgeraapt schepsel getrouwd had?"

"Waarom niet, waarom niet!"

"Ben je krankzinnig geworden!"

... "Nee niet krankzinnig!... Wat heb jij nou bereikt?... Nou hebben

ze tòch samen gewoond, samen geleefd als man en vrouw... En zijn wij

als vreemden hier gekomen... net te laat... net te laat"...

"In Godsnaam.... beter dàt dan zoo'n gemeen schepsel tot je

schoondochter."

"Maar hij hield van d'r!.... Wat doe je?.... Wat doe je?.... Laat dat

staan, Marie!.... Verander niks an de kamer.... Jan ligt d'r.... Foei!"

"Heerlijk! Lekker! In duizend stukken! Zoo! Zoo! Zoo!.... Ik wil geen

portretten van dat schepsel hier zien!"

"Daar staat 'r nog een op den schoorsteen.... Op zijn schrijftafel

staat er nòg een.... Nee blijf 'r af! Ik wil niet dat je het

verscheurt!"

"Laat me mijn gang gaan!"

"Nee! Blijf'r af!.... Kom toch even tot jezelf!.... Het heele portret

staat in gedroogde rozen.... Voel je niet hoeveel Jan van d'r gehouen

moet hebben"....

.... "Drie portretten.... van zoo'n leelijk schepsel.... Kijk die

oogen is.... en dat gemeene lachen!.... Zet ze dan weg, als je niet

wil dat ik ze verscheur!"

"Spreek wat zachies.... Denk toch dat je kind dood is"....

"Mijn arme, arme jongen.... Als ik d'r geweest was zou-ie 'n goeie

oppassing gehad hebben.... zou ik 'm beter gemaakt hebben.... Zoo'n

slordig schepsel.... Overal slingert d'r goed.... Daar ligt

'n doos met poudre-de-riz.... Ze poederde zich! Ze poederde

zich, zie je dat?.... Daar, onder den stoel, dààr, staan d'r

muilen.... 'n Fijne madam!.... chevreau-leer met goud, met hooge

hakken!.... Heb je mij ooit zulke dingen zien dragen?.... Hier heb

je weer haarspelden.... Wat is dat?.... Nee maar kijk nou is.... Ze

verfde zich.... Lippenverf.... Zoo'n gemeen"....

.... "Zachies wat"....

.... "Spreek jij maar zachies, als je ziet waaran onze arme jongen

zich vergooid heeft.... Heb je nog meer bewijzen noodig?.... Kijk

is in die kast.... Wat 'n sjiek.... allemaal van ons geld.... Ze mot

direct d'r boeltje pakken, versta je? Ik wil die dingen geen minuut

langer in huis hebben!.... Geplunderd heeft ze'm! Geplunderd! Zoo'n

gelukzoekster! Zoo'n vies schepsel!"

"Marie zou je 'r nog is an willen denken dat in de alkoof"....

"Dood is-ie! Dood!.... Geen woord heeft-ie meer voor ons over

gehad! Z'n eigen moeder! Z'n eigen vader! Waarom ben ik niet dood

gegaan!"....

"Ga nou naar het hotel terug, kind.... Het rijtuig wacht.... Je kunt

hier niks meer doen. Hier is je mantel"....

"Nee! Ik ga niet alléen.... Je mot meegaan!"

"Ga vast vooruit. Ik wil alles sluiten--nog 't een en ander regelen."

"Dat mensch is nog hier.... Je wil met d'r praten."

"Nee. Ze is weg."

"Mijn arme jongen! Mijn beste Jan!.... Vergeef 't me! Ik ben slecht

voor je geweest! Ik meende 't zoo goed.... Mijn lieveling!"

"Doe de alkoof nou dicht. Wat geeft het of je hem nog langer

ziet.... Zal ik je naar 't rijtuig brengen?"

Dicht viel de huisdeur. Het rijtuig ratelde lawaaimakend weg. Op zijn

teenen liep hij naar een deur, achter in de gang.

"Juf.... frouw"....

Ze opende al.

"Mijn vrouw is weg, juf... frouw"...

Zonder te antwoorden, liep ze hem voorbij, de kamer in, naar de alkoof

en begon den dooie te zoenen.

"Laat 'm liggen... wees u bedaard... juf... frouw"...

Stil lag ze met het hoofd in de kussens.

Ze leek wel dood.

"Ga u liever zitten... u mot u niet zoo opwinden... juf... frouw"...

Ze bewoog niet.

"'t Is toch beter... júf... frouw... dat u heengaat... U kunt toch

niet hier blijven. Het huis mot gesloten worden... Kan ik u soms

helpen? Hoort u me niet, juffrouw?... Juf... frouw!"...

"Ik hoor 't."

"... Wil u soms wat goed meenemen, voorloopig?... Morgen of overmorgen

zal ik u alles zenden... als u mij uw adres opgeeft"...

... "Mijn adres... O ja... Ik mot hier weg."

"Kan ik u soms helpen?"

"Dank u. Ik heb alles."

"Gaat u nou van het bed weg... juf... frouw"...

"Ja."

"Wil u soms wat drinken?"

"Nee... Waar is mijn hoed?"

"De hoed... Waar is de hoed?... O, hier op den grond... Asjeblief

juffrouw."

"Dank u."

"Heb u geen mantel?.... 't Is frisch buiten."

"Nee. 't Is zoo goed."

"Doet u nou de alkoofdeuren dicht, juf... frouw."

"Ja... Zie ik 'm nou voor 't laatst?"

... "Ja... juf... frouw... U begrijpt dat 't moeilijk is... om u... als

hij begraven wordt"...

"Ja... Is-hij kalm gestorven?"

"Hij heeft ons niet herkend... Zoen 'm niet meer... 't Is niet goed

dooien te zoenen, juffrouw."

"Goeien avond, meneer."

"Dag juffrouw... An welk adres motten de kleeren...?"

"Dat weet ik niet."

... "Wat gaat u nou voortaan beginnen, juffrouw?"

"Dat weet ik niet... Goeien avond, meneer."

"Goeien avond, juffrouw."

Schetsen, Eerste bundel · 第 31 / 52 题