Als ze opstond, liep ze 't eerst op d'r bloote voeten naar het
raam, trok het pennetje weg, sloeg de gordijnen open, liet wat
lucht binnen. Aan de overzij was een meid bezig met 't schrobben
van de stoep. De juffrouw stond voor het open raam en sloeg met een
mattenklopper op zittingen van stoelen. Een eind verder belde de
slager aan en klopten twee schuinhangende vrouwen met bengelende
borsten een kleed uit.
Daar kwam ook de brievenbesteller. Nou stak-ie de straat over. Nee,
niks. Natuurlijk, niks. Geeuwend keek ze in den spiegel, ze dee dat
elken morgen. Nou thee zetten. Voorzichtigjes nam ze een gebonden
exemplaar van de Gartenlaube van tafel. Elken dag lag die precies op 't
zelfde plekje, schuin over de tafelschel, die ze nooit gebruikte. Elk
plaatje, elk verhaaltje van de Gartenlaube kende ze. Tien jaar lang
had ze er in gebladerd en gelezen.
Boeken las ze niet. Soms nam ze van de familie een gelezen Nieuws
van den Dag mee en dee daar een week over. Anders las ze maar
weer in de Gartenlaube, dat een dik boek was en een herinnering
aan den gestorven man. Nou lei ze het boek op de Bonheur-du-jour,
lei het photographie-album, dat aan de andere zij van de tafelschel
lag--precies in een rechten hoek met de Gartenlaube--er naast,
nam de tafelschel op, den rooien tafellooper en wreef met de lange,
stevige vingers het pluche van het tafelkleed glad.
Als ze zoover was--het waren de stille, regelmatige bewegingen
van elken morgen--nam ze het tafelkleed bij twee slippen, vouwde
het zachtjes-streelend over haar robuste knie en lei het bij de
tafelschel. Achter de Bonheur-du-jour had je de stofdoek, waarmee
de tafel gewreven werd. Ze plofte warmen adem op het glimmend blad
en wreef. Er was niets te wrijven. Ze wreef, omdat zij 't gewoon
was. De tafel was het ook gewoon. De tafel in het benauwde kamertje
zou onrustig en vreemd gedaan hebben als de kleffe, warme adem er
geen doffe plasjes op gestooten had.
Nou glom de tafel. Nou was 't weer zóóver in orde. Onder het
hoofdkussen in de alkoof zocht ze den sleutelbos. Ze had vier sleutels:
een van de kamerdeur, een van de kastdeur, een petieterig-kleintje
van de schrijfmap en een van de handschoenendoos, waarin ook het geld
lag. De handschoenendoos lag in een hoedendoos. De hoedendoos stond
tusschen meerdere hoedendoozen op de bedsteeplank. Inbrekers zouden
natuurlijk dáár de spaarduitjes niet zoeken en de sleutels bewaarde
ze onder haar hoofdkussen. Voor buitengewone veiligheid zette ze
's avonds als ze slapen ging een stoel met een glas er op voor de
kamerdeur en op zij van het matras stak het broodmes.
Ze maakte de kastdeur open, nam het ontbijtservet, spreidde dat
over tafel, wreef de plooien glad en haalde de plank van de kast
verder leeg. Het brood was wat oudbakken. Ze dee drie dagen met
een pondje. Ze stak het lichtje onder het theewater aan en telde de
sardientjes in het busje na. Er waren er nog vijf. Op sardientjes
was ze dol. Eens om de tien dagen kocht ze een nieuw busje van zeven
en twintig en een halven cent. Elken dag, 's morgens, at zij er één
met een beetje van die "lekkere" olie. Soms had je voordeelige bussen
met tien sardientjes, maar 't gebeurde ook wel--zulke bedriegers--,
dat er maar acht of negen in waren.
Bij haar eerste twee boterhammen at zij het sardientje, bij de derde
een zacht ei. Ze dee 't tien jaar lang, hapje voor hapje. Het was
lekker en zuinig. Een tweede ontbijt gebruikte ze nooit. Als het
water suisde, lei ze 't eitje er in, bleef geduldig vijf minuten
naar de pendule kijken en in den spiegel en zat tegen elf uur
te ontbijten, eerst een half sardientje met éen boterham, dan het
andere halve sardientje met de tweede boterham, dan het eitje met de
derde boterham. Wasschen dee ze zich, als ze ontbeten had, als ze de
laatste kruimels van het bord gepikt had. Als je je eerst waschte,
maakte je je toch maar weer vuil in het huishouden.
Ze bad nog eerst met de oogleden als luiken voor een grutterswinkel
en de manshanden gevouwen met één pink op het bord. Dan begon ze te
ruimen, te vegen, te stoffen. Ze dee 't bedaard, zeker, alles in de
nauwkeurige, mathematische opvolging van alle dagen. De theeblaren,
die ze gebruikte voor het vloerkleed, werden van de deur naar het raam
toe en niet omgekeerd gestrooid en ze zou er geen seconde over gedacht
hebben om het hoektafeltje eerder af stoffen dan de Bonheur-du-jour.
Was dan ook het bed opgemaakt en de sprei keurig-glad getrokken, dan
ging het tafelkleed en de looper weer op tafel, zette ze de tafelschel
precies in het midden van den tafellooper en kwamen Gartenlaube en
portretalbum in een rechten hoek tegenover elkaar om de schel te
liggen. Dan begon ze aan haar toilet. Het is onwelvoeglijk om hier
in te groote bijzonderheden te treden, maar ook nu deed ze alles
in correcte volgorde. Eerst vijf minuten geborstel over de groote,
gelijke paardentanden.
Ze was trotsch op dat groote, stevige, zoogdierengebit, waarmee
ze noten kon kraken, die andere menschen nog niet eens tusschen
de scharnieren van de deur konden stuk krijgen. Ze was trotsch op
de rijen witte, sterke tanden en kwam op dreef als andere menschen
over kiespijn klaagden. Ze was er zoo aan gewoon om met dat schoone
zoogdierengebit te pronken, dat zij zelfs in treurige eenzaamheid
bij sardientjes en eitje kleine geaffecteerde hapjes nam, om haar
stukken cement te laten zien.
Ze poetste ze met sigarenasch. Al de aschbakjes van d'r familie
leegde ze in een toetje. Eens in de week zuiverde ze haar collectie
van eindjes doorkauwde sigaar en afgebrande lucifers. Na het
tanden-geborstel waschte ze zich. Ze had een kom, waar nog geen liter
water inging. Met een punt van den handdoek wreef ze over het groote,
beenige gezicht en over den vleezigen hals. Verder kwam ze niet. Zij
gaf elken avond haar twee potjes geranium voor het raam meer water
dan zij tot Zaterdag-avond zelf gebruikte.
Zaterdagavond nam ze een voetbad in de literkom. Dan warmde ze water
in den theeketel, stak den eenen voet in de kom en als die gereinigd
was, waagde ze ook den anderen voet er aan. Sedert den dood van haar
man waren de twee voeten nog niet samen te water geweest. Als ze zich
gewasschen had, begon ze aan het haar. Dat droeg ze kort geknipt en
krulde 't elken morgen. Vroeger had ze wel eens papiljotten gelegd,
maar daar kreeg je hoofdpijn van en met een warm ijzer ging 't wél
zoo goed.
Wanneer ze dan nog de ouwe trekken met poeder had gevoileerd, was ze
klaar, kleedde zich en ging uit. Om half twee, mooi weer of stortregen,
kwam ze op straat. Ze dineerde nooit thuis. Maandag, Woensdag, Vrijdag
at ze bij Frits, Dinsdag, Donderdag, Zaterdag bij Lien. 's Zondags was
het om beurten. Ze wandelde van half twee tot half vijf, dan hier,
dan daar heen. Als ze aanschelde om half vijf bij Frits of Lien,
wisten die wie er was. De vrouw van Frits had 't land aan d'r. Ze liet
't nooit merken, zei alleen tot de meid "dat vandaag de zuster van
m'nheer kwam en 'r voor drie personen meer moest gekookt worden."
Lien had vijf kinderen. Die vond 't zoo buitengewoon niet als er
iemand extra was, maar d'r man vroeg minstens ééns op een middag:
"Riek, heb je wel genoeg?" wat de kinderen dee giegelen, omdat tante
méér at dan de heele familie samen en zóóveel op haar bord te gelijk
nam, dat er geen saus meer bij kon.
Ze voelde zich volkómen gelukkig als ze met haar slagtanden voor
zoo'n vol bord zat. Ze was altijd uitgehongerd, niet te verzadigen.
's Morgens, bij het ontbijt, dee ze zich geweld an om d'r geen vierde
boterham bij te nemen. Dan dacht ze an de volle borden van 's middags
en an de handschoenen-doos met de spaarduiten.
Frits en Lien gaven haar samen een weekgeld, niet te hoog, toch
welletjes. Elke week hield ze over. 's Morgens at ze weinig,
's avonds at ze niet--'s middags moest het komen--het, 't vet voor
't lange, zware, beenige lichaam. Dàt was haar eenig, innigst geluk,
als ze met het witte, klapperende zoogdierengebit dineerde. Dan keek
ze sentimenteel-schapig uit de groote oogen en at. Dan glimlachte
ze vriendelijk en at. Dan werd ze spraakzaam--tusschen de happen
door--en at.
Ze at meer, op zoo één maaltijd--dan een gezonde huzaar die twaalf uren
achtereen in het zadel heeft gezeten. De groote mond ging rustig, open
en "nam in." Ze at een half uur achtereen, stevig door, zonder ophouen,
lei vork en mes netjes naast 't bord--nooit gekruist: daar kwam ruzie
van--spande de dunne lippen over elkaar, inspecteerde de tafel of er
nog wat eetbaars was en lei de handen berustend in den schoot.
Niemand maakte ooit, waar ze bij was, een opmerking over haar
gulzigheid. Ze was afhankelijk en men wou niet "onkiesch" zijn. Alleen
zei de zwager, lachend, elken middag: "Riek, heb je wel genoeg?" Na
het middageten had ze haar vaste plekje om te dutten, bij Frits in de
voorkamer, bij Lien op de sofa. Weldadig-glimlachend met een huiselijk
gezicht keek ze dan rond, sloot de oogen en dacht aan Charles, die
tien jaar geleden gestorven was.
Ze dacht aan den doode, die haar alleen schulden had nagelaten,
ook weer precies op dàt uur, zoo als ze 's morgens nauwgezet éérst
de Gartenlaube en dan het portretalbum van tafel nam. Met de oogen
dicht, overgevoelig door te volle maag--ze klaagde wel eens over
de spijsvertering--dacht ze aan hem op dezelfde manier. Nooit
gevarieerd, altijd met de visie van een gladgeschoren kin, zwarte
gladde bakkebaardjes en zoo iets van 'n schemering van oogen. Z'n
oogen was ze half vergeten, maar de kin zag ze met de bakkebaardjes,
zooals-ie op bed lag toen z'm gevonden hadden.
Als ze zoo dacht, had ze heelemaal geen verdriet. 't Hoorde bij den
dag, bij 't dagelijksch doen, bij het stoffen en vegen, wasschen en
dineeren. Nog wat later was ze ingedut, nog wat later snurkte ze. Dan
wekten Frits of Lien d'r voor de thee en nam ze 'n handwerkje op.
Om tien uur ging ze naar huis, nam den sleutelbos twee straten te vroeg
in de hand, maakte de huisdeur open, de kamerdeur open, sloot het raam,
dee 't pennetje in 't gaatje, zette den stoel met het glas voor de
deur, stak het broodmes achter het matras en stapte in bed. Met een
kaars dee ze veertien dagen. Ze lag nog geen twee minuten of ze sliep
en snurkte door haar neusgewelven.