Bij de banken stonden de jongens te babbelen. Een zat bovenop de
lessenaar, een zwaaide heen en weer, met z'n beenen bengelend tusschen
de leuningen.
Verlegen schoof-ie binnen, voorbij een paar jongens die niet opzij
gingen, zette z'n hoogen hoed op de tafel bij het bord, duwde z'n
gouden bril recht op den kleinen stompneus en tikte met de liniaal
op de voorste bank.
Niemand keek naar hem. Zenuwachtig tikte de liniaal nòg eens, harder.
... "Jongelui, de vijf minuten zijn om."
... "Mijnheer, mag ik nog even naar achter?"
... "Nee, 't is nu te laat."
... "Ik mot zoo erreg."
... "Ga dan maar... Rasch terug, hoor je?"
Het gegons en lawaai hield aan.
Driftig kletterde de liniaal op de lessenaar.
"De vijf minuten zijn om! De vijf minuten..."
Met de handen leunde hij op de schoolbank. Pratend, giegelend gingen de
jongens zitten. Weer duwde hij met de hand tegen den gouden bril. Wat
was dat?... Vlegels!... Z'n hand was vol inkt. Juist, waar hij gewoon
was te leunen, hadden ze inkt gesmeerd... Maar nou zou-ie doen,
alsof-ie niks merkte, alsof-ie d'r stomme, rooie gezichten niet zag,
nou zou-ie z'n hand met z'n zakdoek afdrogen... Zoo, bleeke Willemsen
met je rooie haar en je vieze zomersproeten, daar zal je geen plezier
van hebben... lompe vlegel... Wat was dat nou weer... Goeie God, wat
'n ellendelingen!...
"Davids ... wat is dat?" ...
"Dat dee ik niet, mijnheer!"
"Wie dee 't dan?"
"Dat weet ik niet!"
"Jan, heb jij die erwten laten vallen?"
"Nee mijnheer!"
"Wie dan?"
"Dat weet ik niet."
"Weet je 't geen van tweeën?"
"Nee mijnheer!"
"Nee-ee-ee!"
"Laat 't niet meer gebeuren."
Nou zou-ie voorzichtig loopen... de grond lag vol erwten... als je d'r
op trapte lachten ze weer... Wat was 't weer snikheet... De kachel
stond gloeiend.... Jawel de pook stak er weer uit... Nou zou-ie d'r
niet weer ankomen zooals laatst ... toen-ie dacht dat ze koud was
... toen-ie zich zoo leelijk gebrand had.... Wat gloeide z'n rug van
de warmte!... Maar als je je omdraaide smeten ze met proppen of deeën
weer gekke dingen... die kwajongens..
"Hebben jullie allemaal je Chrestomathie...?"
"Ja, mijnheer!"
"Jaja!"
.... "Wij gaan verder met het Nibelungenlied.... Also, der
mittelhochdeutsche Vers besteht aus einer gewissen Anzahl
Hebungen.... Du, Willemsen, was verstehst du unter Hebung?" ....
"Hebung .... Hebung.... Dat weet ik niet!"
"Du sollst Deutsch reden!"
"Oui monsieur!"
Die vervloekte gluiper.... Nou lachen ze weer allemaal....
".... Timmermans: was ist Hebung?"
Timmermans zou 't wel weten... Die was nummer een van de klas.
.... "Ein Hebung? Ein Hebung .... das ist 'n hooge betonte Silbe,
zwischen welcher je eine Senkung" ....
.... "Gut so.... ausgezeichnet!"
.... "Meheir!"
"Was gibt's?"
"Meheir.... Timmermans leest 't uit 't boek op!"
"Ich frage dich nichts!.... Davids, aus wie viel Langzeilen besteht
die Nibelungenstrophe?"
.... "Was blieb?"
.... "Das sagt man nicht.... Man sagt: bitte."
.... "Aus vier Langzeilen."
.... "Was befindet sich in der Mitte jeder Langzeile?"
.... "Weet ik niet!"
.... "Du!"
.... "In der Mitte?.... In der Mitte?"
.... "Du?"
.... "Eine Cäsur!"
.... "Sehr gut.... Willemsen, was machst du da?"
.... "Niks."
Die kwaje bengel.... D'r kwam rook uit z'n lessenaar!.... Wacht
eens.... Nou had-ie 'm vast in z'n nek en smeet 'm de deur
uit.... Zoo!.... Als ze 'm tarten wouen!.... Jawel.... 't was 'n
brandende sigaar!... Nou waren de anderen ook dadelijk muisstil. 't
Hielp als je een voorbeeld stelde.... Goeie God, wat was 't
warm.... die gloeiende kachel in z'n rug.
.... "Pieters.... Die zweite Strophe!"
Langzaam, onduidelijk las de jongen:
"Ez wuschs in Burgonden
"ein schöne magedîn,
"daz in alle landen
"niht schöners mohte sîn,
"Kriemhilt geheizen
"und was ein schöne wip,
"Darumbe muosten degene
"vil verliesen den lip."
Om de gekke woorden giegelden ze weer.... Nou zou-ie uitleggen.
..."Magedîn... das heiszt Mägdelein.. Ein schöne wîp... das
be-deutet... das bedeutet... Nou goed de bank vasthouen
.... stevig.... en voor je uitkijken.... O God, wat werd-ie
naar... Daar had je 't weer... nou keken ze'm allemaal an
omdat ie z'n mond hield... Waar had ie 't over?... Wat keken de
jongens 'm an!... Wat wou-die gaan zeggen?... Das bedeutet... Das
bedeutet... als-ie niet even ging zitten zou-die tegen den grond
slaan... Nou lachten ze... Je hoorde ze giegelen... Maar nou
zat-ie... Daar kwam 'n prop papier net tegen z'n hoofd... Dat
voelde-die wel... Dat most Lamberts gedaan hebben... Als de jongens
d'r nou niet waren, zou-die huilen... snikken... om dat geheugen,
dat... niet meer deugde... dat nooit meer zou deugen, zoo suf
werd-ie... Wacht... Nou zou-die met de liniaal tikken om stilte...
"Stilte jongens.... Ik ben niet goed in orde.... Ik zal zoo
voortgaan"....
In 'n nevel zag-ie ze nou.... met d'r hoofden dicht bij elkander.... Ze
zaten 'm allemaal te beloeren.... zoo gek as z't van 'm vonden.... dat
't nou al drie maal gebeurd was, dat-ie midden in de les de kluts
kwijt raakte en net als 'n dooie, zoo mal en zoo wit voor zich bleef
staren.... Timmermans zat nou 'n potlood te slijpen.... Pieters beet in
'n appel.... Davids was heelemaal niet te zien.... Nou.... Nou.... Nou
weer even je oogen dichthouen, want.... 't komt weer.... O, wat is dat
akelig.... dat groote leege, lichte gevoel.... dat wegsterven van de
witte muren.... dat toch nog hooren van het stemmengegons.... Nou gaat
't weer weg.... Nou klaart 't weer op.... Daar zit Timmermans weer,
die z'n nagels snijdt met z'n zakmes.... Daar zit Driebels, die uit
'n zakkie snoept.... Nou weer beginnen.... "Jongelui.... neem me niet
kwalijk .... Ik was niet goed in orde.... Waar zijn we gebleven.... O
ja.... Magedîn, dat wil zeggen Mägdelein.... Kom nou Pieters,
jongen, let nou op.... Schöne wîp beteekent .... Sst!.... Niet zoo
lachen! Kom doe dat brood nou van tafel! .... Schöne wîp wil zeggen
Schönes Weib.... "Darumbe muosten degene vil verliesen den lîp....,"
dat moeten jullie zoo lezen: "Um die viel Degen müszten verlieren
Leben und Leib" .... Driebels, was heiszt nun Wip?"
"Wip? Wip?...."
"Weet je 't niet? Dan jij?"
"Wip.... Weib."
"Gut so.... Weiter.... Die dritte Strophe."
"De derde: "....Es pflegten sie drei Könige"...." Voor de klas
stond-ie, steunend op de liniaal, bleek, met zware blauwe wallen
onder de oogen, waarvoor de gouden bril schitterde.
Beneden werd twaalf geluid.
De jongens stormden de trappen af.
"Zeg, heb je opgelet, dat de Mof d'r niks van wist!"
"Nou!"
"Wat 'n stommerik!"
"Stom? Wel nee.... Die was dronken."
"Ik zeg je: de Mof weet 't niet!"
"Morgen, mijnheer."
"Morgen mijnheer de directeur."
"U hebt Willemsen uit de klas gezonden?"
"Jawel, mijnheer. Die jongen is zoo ongezeggelijk"....
"Andere leeraren klagen toch niet.... U hebt niet voldoende
tact.... De jongens maken bij u zoo'n leven, dat uw collega's er over
spreken.... Apropos.... Hoe maakt het uw dochter? al beter?"
"Nee.... Ze wordt niet beter"....
"Niet beter?"
"Nee...."
"Wel, wel.... Zoo'n jonge vrouw.... Enfin, niet den moed laten zakken,
nooit den moed laten zakken. Tot ziens!"
"Goeien morgen, mijnheer."
"Zullen we Willemsen Woensdag nahouden?"
"Uitstekend mijnheer."
"Goeien morgen.... Beterschap"....
"Goeien morgen, mijnheer."