Lof der Schepping

_Voorzang_.

Wat zijt gij nietig kind der aarde!

Wat roemt ge op uwer handen werk?

Wat uw genie, uw geest ook baarde,

Waar hooge kunstzin zich aan paarde,

Al droeg ’t onwikk’lings hoogste merk;—

Wat zijn uw trotsche bouwgewrochten,

Des kunstzins eenig ideaal?

Roem hen, die ze ooit aanschouwen mochten,

Gij, die ze hier en elders zochten:

’t Zij ’t Vaticaan, ’t Escuriaal,

Sint Pieter, Straatsburgs, Keulens kerken,

Sint Paul of Boroboedors pracht,

Of Pyramidens reuzenwerken,

Waarin de geest op kunst’naars vlerken

Zijn ideaal in vormen bracht!

De schim der Angelo’s ruischt zwevend,

Bij die der Wrens, der Steinbachs voort;

Blijft in hun grootsche werken levend,

En werd daarin tot levend woord.—

Ziet hoe die hooge zuilen rijzen,

Van de aard, steeds hooger, naar omhoog!

Ziet! hoe zij als ten hemel wijzen,

Langs halflicht heen, ten hoogsten boog;—

Hoort! hoe de stomme steenen spreken,

Alom, in ’t heerlijk bouwgevaart’,

Waar ieders oog verbaasd op staart;—

Maar wat is alles vergeleken,

Bij ’s Hoogsten werken van Hem zelf,—

Die ’t schitt’rend, vonk’lend stergewelf,

Heel de aardbol eenmaal overspande,

Tot tempelboog der lustwarande,

Die groene, bloeiende aarde heet!

Gij riept o Heer eens de elementen!

Zij sierden de aard’ met heerlijk kleed,

Van bloemen en van loovertenten,

Zoo weidsch, zoo hoog, zoo trotsch, zoo breed.

Hier rijst het oerwoud voor onze oogen,

Gevormd tot trotsche tempelbogen,

Waar ’s zonlichts stralen, nauw vermogen,

De onmeet’bre koepels in ’t gezicht

Te brengen, door het weif’lend licht.—

Ginds ruischen Mamre’s reuzeneiken,

Wier jaren over eeuwen reiken,

Dáár Ced’ren op den Libanon;

En bloeit op heuv’len en in dalen,

Waar slechts de blikken henen dwalen,

’t Gebloemt bij ’t vuur der zomerzon.—

Varens en mos · 第 6 / 50 题