Moet alle Poëzie verdwijnen?
En alles afgepast naar maat,
Van kortsten weg, en rechte lijnen,
’t Al om gewinzucht en om baat?
Mag niets aan ’t toeval meer gelaten?
Daar ’t anders als men dacht, licht ging;
Moet alles, alles enkel baten,
Ten doel slechts van berekening?
Ach ’s Levens Proza is zoo koud.—
Is nimmer opgewekt of blij.
Mag niet een vlucht, een stapje stout,
Omhoog, ter zijde, en uit de rij?
Mag ’s klaproos rood of ’t held’re blauw
Der korenbloemen in de schaâuw,
Laag en bescheiden niet eens staan,
Te midden van het hooge graan?—
En als gij dan verzadigd zijt
Van vrucht en onrust, leed en goud,—
Van al wat u zoo heeft verblijd,—
Van al waar ge anders zoo van houdt,—
Dan denkt ge ook eens aan ’t heerlijk rood!
Dan denkt ge wellicht nog eens gauw,
Wat schoons de held’re klaproos bood,
De ranke korenbloem in ’t blauw!