En boven den burcht, door de wolk heen, brak door met zwaar
wiekengewapper een reusachtige fenixvogel, die straalde vreemd in eigen
juweelachtige, pauwblauw geschakeerde glanzen...
--Merlijn! Merlijn! riepen de drie ridders van Tafel-Ronde, Lancelot,
Gwinebant, Galehot.
Werkelijk, het was Merlijn, die op zijn vogel neêr daalde, in een wijden
cirkel van zweefvlucht. Snorrend en hevig sidderend daalde de fenix maar
zette zich toen luchtig en sierlijk vóór den Koning, en Merlijn steeg af
uit des vogels rug. Merlijn was niet zoo heel jong meer, tegen het eind
van den dag, als zijn jeugdbad had uitgewerkt en hij het de moeite niet
waard had gevonden een tweede bad te nemen. Hij groette Koning
Assentijn, die niet meer verbaasde dan overeen kwam met zijne
koninklijke waardigheid en riep en jubelde:
--Eureka! Eureka! Ik heb de draadlooze theorieë gevonden! En ik kom mijn
lieven Gawein verlossen!
Nu lachte hij luide. Terwijl hij lachte, scheen zijn baard te groeien,
schenen zijne oogen als vlammen gloeien te gaan. Zijn gebaar uit wijde,
purperen mouwen was zóó wijd, als of hij met zijn staf een tooverban
trok om het geheele burchtplein heen. De lindeboom bewoog krakend alle
zijn takken en bladeren in den fel waaienden wind. Een dichte nevel zonk
neêr. Allen--de Koning, Lancelot, Gwinebant, Ysabele, Galehot, Amadijs,
de baroenen en edelvrouwen, drongen tegen elkaâr, wèg van Merlijn en de
Kar. Een wervelwind woei. Het duurde nauwlijks twee, drie blikken der
oogen. De nevel trok op; de wind verwoei om den burcht; de zon straalde,
zinkende, door; bij de zonnebloemen blankte op Ysabele; zij school half
bezwijmende in de armen weg van Gwinebant en zij waren schoon en
lieflijk om te aanzien. En voor Merlijns voeten versmeulde weg de Kar
tot een witte asch, terwijl Gawein ongedeerd, hoewel verbijsterd, stond,
als nog omgeven door Merlijns wijd gebaar.
--Tooverië! Tooverië!! riepen de baroenen en angstig de edelvrouwen,
door elkaâr, dringende duwende.
Maar Gawein was verlost...
Over het burchtplein kroop een schildpad.
Merlijn schaterlachte......
Hij wees......
--Dat is de dwerg! zeide hij. Burchtzaten, opent den weg voor mijn
schildpad! Hij keert terug tot Noordhumberland! Hij gaat konden Koning
Clarioen van zijne Schandekarre!
En Merlijn schaterde zóo, dat alle de baroenen ook schaterden. De, door
de edelvrouwen heel lang stil en achterbaks gehoudene, schoothondjes
ontsnapten, liepen toe op den schildpad, die weg kroop en keften.
Ysabele stortte naar Gawein met een vreugdekreet en omhelsde hem.
En toen boog zij eerbiedig voor Merlijn en riep juichend met hare
vreugdestem:
--Groote Merlijn! Ik heb van u gelezen in de schoone jeesten, die de
clerken sedert tien jaren boeken en nu zie ik u met mijn oogen! Gij zijt
de goede toovenaar van hoogste lof! Gij verbranddet in tooverviere de
Kar en zij versmeulde tot witte assch! Wees gebenedijd, gij, die Gawein,
mijn ridder, verloste!
En zij boog diep en herhaaldelijk, beurende hare vlechten omhoog en
alle de edelvrouwen volgden het voorbeeld van de princes.
Terwijl de Koning dreigend riep:
--Jonkvrouwen en vrouwen, zoo gij niet uwe schoothondjes...
Hij kon niet voltooien. Het laweide barstte los oorverdoovend. Er was
gejuich van triomf aan alle ramen des burchts, over alle barbekanen.
Maar de vele schoothondjes keften het hoogst, zonder zich te storen aan
Koning Assentijns oude zenuwen....
Toen, van boven den hoogsten toren, galmde, brallende, koperen geschal,
het signaal van den torenwachter.
De lagere torenwachters galmden hem na.
Allen keken uit, naar den weg.
Een ridder naderde en vroeg toegang.
Het was Sagremort: Gawein, Lancelot, Galehot, Gwinebant ijlden op hem
toe.
Sagremort steeg af. De ridders voerden, met de baroenen en de
edelvrouwen en de schoothondjes, Sagremort vóór den Koning.
Sagremort zeide:
--Edele heere Koning van Endi, hooge Assentijn! Mijn vijf gezellen:
Bohort, Acglovael, Ywein, Hestor en Meleagant zijn gevangen in den
burcht van Amoreuse-Garde, waar vele feloenige ridderen damoselen
gevangen houden en te tijde en te ontijde belagen. Ik kwam langs uwen
burcht en trof mijn valiante gezellen, zoo hielp mij Sint Michiel. Heere
Koning, waarom ik niet en gevangen ben met die vijf anderen genomen?
Omdat ik weifelde en twijfelde binnen te gaan, toen de damoselen aan de
vensteren verschenen en lonkten en lokten met zoeten lach en lonk... Ik
dacht: willen die damoselen wel worden bevrijd of... willen zij niet
worden bevrijd. Dat is de vrage!
--Zeide ik het u niet al?! riep Galehot.
Koning Assentijn sloeg de handen om zijn arme hoofd en zijn kroon gleed
scheef. Een Schandekar, vijf ridders van Tafel-Ronde ten zijnent, vijf
gevangen in een burcht van feloenen; daarbij nog Merlijn, de toovenaar,
op een fenix; Clarioen van Noordhumberland een oude curliaen ende
schalck, wien hij zijne kleindochter had beloofd; keffende
schoothondjes, die niet waren tot zwijgen te brengen.
--Het is mij te veel! riep hij. Ik bezwijme!
En hij viel achter over in zijn zetel, maar Ysabele omringde zijn oude
hoofd met hare ranke armen en lachte...
* * * * *
Een ruste was den vijf ridders van Tafel-Ronde wel van noode in den
burcht van Endi. Zij konden toch dien avond voor vespermaal niet
dadelijk vertrekken! De pagiën geleidden de gasten in verschillende
kemenaden en zij wieschen zich in gulden bekkens met fijne dwalen en
kleedden zich--er lagen steeds surcoet en hozen klaar voor dolende
ridders. Lionel, die vooreerst niet naar Koning Clarioen dorst keeren,
hoopte onder Koning Assentijns ridderschap te worden opgenomen; ook
Merlijn bleef nog die nacht.
En na het maal, door heel eenvoudige tooverië, bracht Merlijn Gwinebant
en Ysabele te zamen. Zij troffen elkaar ditmaal niet bij de zonnebloemen
maar bij de donkerroode, bloeiende rozenstruiken, waarvan éene roos
Gawein had geplukt na zes kerkertraliën te hebben verbroken: dat geurde
daar van rozengeur onder aan de muren van den burcht en in de nieuwe
maan, die in blauwe nacht wit op straalde en neêr vloeide over de
barbekanen en speelde en spiegelde in de grachten; daar dwaalden
Gwinebant en Ysabele.
--Gedenk u des, Ysabele, gij gaaft mij de mouwe ten lesten tornooi...?
--Ik en vergat het nimmer, Gwinebant... Gij streedt en verwont te mijner
eere...
--Ik dacht sedert steeds aan Ysabele...
--Ik dacht sedert steeds aan Gwinebant...
Merlijn luisterde om een hoek: hij was nu héél oud en de maan zilverde
in zijn baard.
--Ik droomde u, zei Ysabele.
--Ik droomde u ook! zei Gwinebant en lachte verbaasd.
--Ik droomde u, dat gij kwaamt, in mijne kemenade en ik omhelsde u....
--Zoo zoete, zoo zoete droomde ik ook, dat ik u omhelsde! zeide
Gwinebant verbaasd.
--Droomden wij malkanderen eenderlijk? vroeg Ysabele. Ik omhelsde u in
deze maniere...
Zij sloeg om zijn blond, krispe hoofd hare armen en kuste hem lang op
den mond.
--Eenderlijk, beäamde Gwinebant ontroerd om haar kus. Want ik omhelsde u
in deze maniere....
En hij kuste haar en zij kusten malkanderen zoo als zij malkander in den
droom hadden gekust en heel lang.
--Ik droomde u iedere nacht, na dien, zeide Ysabele.
--Ik droomde u ook iedere nacht! lachte Gwinebant verbaasd.
--Iedere nacht, zeiden zij beiden en kusten malkanderen lang.
--Ridder zijt gij van Koning Artur, zeide Ysabele. Maar, o Gwinebant,
mijn ridder wensch ik u wel hartelijk...
--Ysabele, hebt gij mij lief?
--Harde lief heb ik u, Gwinebant...
--Ik heb u, Ysabele, ook harde lief...
--Zoo lief... Zoo lief! zeiden zij beiden en zij kusten malkanderen
lang.
--Ysabele, wilt gij dan mijne zoete wijf wezen?
--Wat denkt gij, Gwinebant! lachte zacht Ysabele. Ik ben eene princesse
van Endi, kleindochter van Koning Assentijn. Ik zal een Koning trouwen:
Clarioen van Noordhumberland....
--Dien ouden curliaen? vroeg Gwinebant. Gij en zult dien toch niet
trouwen, Ysabele??
--Ik zal hem trouwen, Gwinebant, zeide Ysabele en kuste hem, lang.
Hij kuste haar, lang, terug.
--Ik zal hem trouwen, herhaalde zij. Ik moet toch eene koninginne worden
en daar zijn geen andere Koningen rondom, die jonger zijn en eene
koninginne hebben van noode. De prins Alidrisonder van Koning Wonder van
Mirakeleland is mij te jong...
--Te jong, Ysabele? Wilt gij dan een ouden man?
--Ik wil een ouden Koning tot man, Gwinebant, zeide Ysabele.
Gwinebant kreunde van minnesmart, maar Ysabele kuste hem weg zijn
kreunen en hij kuste haar: zij kusten malkanderen, lang.
--En ik wil u als mijn ridder, mijn Gwinebant.
--Hoe dat, o Ysabele, als ik u heb zoo lief, zoo lief?!
--Zoo als koninginne Guenever, die is Koning Arturs wijf, Lancelot tot
ridder heeft. Dat weet gij zelve, mijn Gwinebant, en dat las ik in
Lancelots jeeste. Amijs en amië zijn Lancelot en Guenever. Wij zullen
amijs en amië zijn...
--O Ysabele, maar die oude schalk, Clarioen, die Koning, staat mij
bitterlijk in den wege!
Zij kuste hem en hij kuste haar, lang.
--En Gawein, ging Ysabele voort; wil ik ook tot ridder hebben en amijs.
--Gawein ook, Ysabele?!
--Ja, Gwinebant, ik bewonder harde Gawein, en heb hem ook heel lief; hij
is mijn oom, maar hij is mijn ridder en mijn amijs.
--Ysabele, hij en is niet uw amijs... Gij weet nog niet wat een amijs
is, zoete Ysabele....
--En weet ik niet wat een amijs is? Ik weet harde wel wat is een amijs.
Ik wil een ouden Koning hebben tot man en ik wil twee amijsen hebben
daarbij. Ik wil Clarioen hebben tot man en Gawein en u, Gwinebant, tot
amijsen.
--Ysabele, Ysabele, ziet gij niet, hoe ik lijde?
--Gij en moet niet lijden, mijn Gwinebant. Clarioen, die zal maar zijn
de Koning, die mij tot koninginne maakt. Gij zult zijn mijn amijs en ook
Gawein, omdat hij zoo veel toren in zijn harte zoû dragen, zoo hij niet
mede mijn amijs mocht wezen. Met u samen.
--Hij en zal niet willen met mij samen uw amijs zijn, o Ysabele! Gij en
weet niet wat een amijs heet, jonkver.
--Ik weet harde wel wat een amijs heet, ridder. Een Koning is, wie mij
koninginne maakt, maar een amijs is wie met mij hoofschelijk de
courtoisië drijft. In deze maniere...
En Ysabele omhelsde Gwinebant en kuste hem, lang.
--O Ysabele! zuchtte dronken Gwinebant, maar kuste haar, lang.
Van uit de burchtzale klonken de vedelen en knapestemmen.