Maar blijde waren alle de burchtgenooten, de hoogste en ook de laagste,
dat zij Gawein gespaard hadden van die schande op de vreeselijke Kar te
worden rond gevoerd langs wegen en straat, om vertoond te worden aan
allen, die hem zouden ontmoeten. En de dwerg voerde nu zijn Kar naar den
burchthof en daar werd het paard, dat doodmoede was, uit gespannen en
weg geleid. De Kar, waarop Gawein lag te kermen en te krimpen, werd
onder de breedtakkige linde getrokken en allen om Gawein heen wrongen de
handen want verlost kon hij eerst worden na twaalf uren zonder
levensgevaar voor hem en zijn bevrijder. En om hem heen zwoeren Lancelot
en Koning Assentijns baroenen, dat zij, zoodra de zon zonk, Gawein
zouden verlossen, om beurten; zij beloofden het malkanderen met
handslag.
Ysabele, met Gwinebant, naderde nu ook de Kar en zij begon te weenen,
toen zij Gawein zoo zag krimpen.
--Gawein! riep zij. Mijn lieve ridder! Doet de tooverkar harde pijn? Ik
en kàn u zoo onnoodig niet lijden zien!
--Ysabele! zeide Gawein, heel bleek. Het is niet zóó groote pijn! Het is
meer prikken van muggen en steken van wespen maar méér en is het leed
niet! En ik en zal niet meer kermen en krimpen als gij het niet aan kunt
zien en als het uwe zoete oogen doet weenen!
Toen lag Gawein heel stil en sloot de oogen, terwijl ter zijde van de
Kar grinnikte de dwerg. En de Koning zette zich bezorgd op zijn zetel
en beval der ridders bal te spelen en met het werptafelspel. En hij
beval jongen knapen te zingen en vedelaren te vedelen, opdat Gawein
minder zoû lijden, zoo rondom hem er muziek klonk en voort ging de
gewone vië, die des kasteels was in vredestijd. En steeds lag Gawein
heel stil, de oogen gesloten en Ysabele dankte hem, dat hij niet meer
kermde en kromp en Gwinebant dankte hem, dat hij hem wel had willen
verlossen. Zoo gingen er enkele uren voorbij...
En het scheen bijna, dat Gawein niet meer leed, zoo stil lag hij...
O, de vreeslijke Kar, de Schandekar, die een tooverkar was, o de
vreeslijke Kar van Clarioen van Noordhumberland! In alle andere rijken
der oude Koningen rondom was zij reeds afgeschaft, die Kar van schande
en van marteling en nog deed Clarioen haar door de landen gaan! O, zoo
de baroenen haar dorsten vernietigen, die Kar, die alleen leidde één
onzinnige dwerg! Maar tooverië en magië waren sterker dan alle baroenen
ter wereld en de Kar wàs niet te vernietigen, alleen te onttooveren! O,
zoo Merlijn maar te roepen was, maar Gwinebant noch Lancelot wisten,
waar hij toefde, zeker steeds bezig met die zoo moeilijke, draadlooze
theorië... Zoodat Lancelot zich droef bij den Koning zette en Gwinebant
Ysabele verder geleidde langs de grachten en de zonnebloemen: al lag
Gawein stille, het bleef toch pijnlijk voor de zoete princesse haar
ridder op de Schandekar te zien! Tot plotseling boven van de tinnen
galmde koperen torengeschal der torenwachters en de burchtzaten uit
zagen: twee ruiters naderden en de drossaet des Konings, met staffieren
en met garsoenen, ging hen door de opene poorten te gemoet en
verwelkomden hen. Zij reden binnen en Lancelot herkende den eene: die
was Galehot en de andere was zeker zijn schildknaap, maar Lancelot kende
dien niet, zeide hij Koning Assentijn, die bijziende de oogen knipperde.
Galehot en de schildknaap stegen af op het voorplein en Lancelot
omhelsde zijn wapenbroeder en riep uit:
--Lace, Galehot, wel ontmoet ik u op een kwaden dag! Want zie, daar ligt
Gawein, over de Schandekarre, die hij betrad uit edelmoedigheid om onzen
Gwinebant te verlossen en de ure is nog niet daar, dat wij hem verlossen
mogen!
Galehot--anders de gracelijk stil glimlachende--sloeg een oprechten
jammerkreet uit en de schildknaap een nog schelleren. En terwijl Galehot
den Koning begroette, herkenden alle de burchtgenooten den schildknaap.
Die was Amadijs. Hij kwam met Galehot terug van Camelot, waar hij Koning
Artur kond had gedaan en Koning Artur was blijde geweest, dat hij nu
wist van Gawein, maar toen heel booze geworden, dat Gawein niet om het
Scaec scheen te achten en toen had hij wi ende wacharme geroepen om
Mordret en om Didoneel. En hij had Amadijs, en Galehot mede, bevolen
dadelijk op weg te gaan, naar Endi, om Gawein te zeggen, dat hij
oogenblikkelijk op queste moest naar het Scaec. Omdat alle zijne
Tafel-Ronde-ridders er op uit waren, had Koning Artur, meldde Galehot,
twaalf andere zijner hoogste baroenen tot Tafel-Ronde-ridders geslagen
en die zaten nu om het jaspis-blad in de Ronde Zale te wachten tot
Aventure zich voor zoû doen en dikwijls verstreek het uur van den
maaltijd en wachtten zij nog... Toen Assentijn daarvan hoorde, schudde
hij bedenkelijk het hoofd en bedacht, hoewel hij er uit hoofschheid
tegen zijne gasten niets van repte, dat die Koning Artur van Logres, zoo
belust op Aventuur, wel heel oud werd, ouder dan hij, Assentijn was. En
dat het slecht voor de mage was zóó lang te wachten en niet te eten.
--Ik moet, bij mijn trouwe, bedenken, zeide Koning Assentijn tot
Lancelot en Galehot; waar nu toch gij allen twaalf toeft van oude en
eerste Tafel-Ronde. Om mij zie ik armen Gawein; gij, Lancelot; gij,
Galehot en ginds dwaalt Gwinebant, de schoone knape, met mijne Ysabele
in jeugendlijke sprake langs de zonnebloemen; die vertellen malkander
zekerlijk van hunne droomen... Nu, dat zijn vier uwer, waar zijn dan de
acht anderen, zeg?
--Didoneel en Mordret lijden pijnen in Vagevure, glimlachte gracielijk
Galehot; als Amadijs melden kwam. En de zes anderen zijn Amoreuse-Garde
belegeren gaan...
En Galehot vertelde alles en meldde ook Lancelot nu, hoe Mordret en
Didoneel verslagen werden toen Gawein Alliene, die was Amadijs,
verloste.
--Ja, ik! riep Gawein, met gesloten oogen, van de Kar. Ik, ik versloeg
de feloenen, die met ons mede waagden aan te zitten aan Tafel-Ronde!
En hij lag weêr stil. En Lancelot was zeer verbaasd en droeve te moede
en Koning Assentijn verwonderde zich in stilte, dat nog wel ridderen van
Tafel-Ronde een slechten burcht hadden kunnen stichten in afgelegen
foreest, waar zij geschaakte damoselen opsloten!
--Lace! riep Lancelot. Ik zal Gwinebant melden van Didoneel en Mordret.
Maar Assentijn hield hem tegen en zeide:
--Ik zoude dat laten, mijn lieve Lancelot! Gwinebant spansiert er zoo
zoete met Ysabele langs die zonnebloemen: dat is de joghet, die zich
verhoghet. Laàt ze... Mijne arme kleindochter, dat zoete kind, heb ik
beloofd aan Clarioen van Noordhumberland en dat is mij niet wel te moede
na al wat ik van dien ouden schalk hoore en zie. Schandekarren zijn
niet meer te dulden enghienen, als zij met tooverië gaan en door
ridderen moeten worden beklommen.... Zeg nu, mijn lieve Lionel--en de
Koning richtte zich tot den Noordhumberlander--maak mij vroed van den
hove daar ginder: hoe staat het daar wel bij dien Clarioen?
En Assentijn hoorde Lionel uit, over het verre Noordsche rijk, waarheen
zijne kleindochter ter bruidvaart zoû gaan en waar Clarioen iederen
ridder, dien hij verdacht van hem naar de kroon te staan, wierp op de
Schandekar!
Maar naast de Kar was Amadijs ontzet blijven staan, de edelvrouwen en
baroenen rondom.
--Mijn heer! hijgde ten laatste Amadijs. Mijn heere Gawein! Gij, gij, de
edelste, de overgelijklijke op de Schandekarre, gij!
De dwerg grinnikte.
--Dat en doet geene pijn, schildknaap! Zie toch, de ridder kermt niet en
hij krimpt niet! Het is alleenlijk als van muggen en wesp! En ik weet
den weg naar alle burchten maar ik weet ook van knapen en jonkvrouwen!
Schildknapen hebben vaak zachte oogen, en weet gij, eene jonkvrouwe kan
ook harde wel de Karre bestijgen!
Amadijs bloosde omdat een onzinnige dwerg hem had kunnen doorzien en de
baroenen en edelvrouwen rondom, reeds gehoord hebbende van wat Galehot
aan Lancelot en den Koning gemeld had, beweerden, dat zij altijd wel
gedacht hadden, dat Amadijs een jonkvrouw was. Hoewel deze bewering niet
geheel en al waar was en menige edelvrouw, die met Amadijs de zoete
melodië had willen drijven, zeer teleur was gesteld in hare begeerten en
zoo weinig toeschietelijken schildknaap in de eentonigheid van de
kasteelvië zich niet had kunnen verklaren.
Gawein lag steeds stil...
De oogen gesloten, dacht hij aan Ysabele.
En leed hij zwijgend om haar. De baroenen en edelvrouwen bleven rondom,
met troostenden roep, terwijl vedelden de vedelaren.
En de hoogstemmige knapen zongen.
En Amadijs vroeg wanhopig den dwerg:
--Wanneer heeft de tooverië uit gevierd? Wanneer kan een ander, knaap of
jonkvrouw, mijn heere verlossen? Zeg mij, dwerg; na zonsondergang?
De dwerg grinnikte; de zon stond nog hoog aan het namiddaggeluchte en de
zonnebloemen langs de muren en grachten straalden den gouden gloed
terug...
Toen grinnikte de dwerg en fluisterde:
--Hoor, mijn zoete knape! Ik en ben niet zoo dul als zij denken! De
baroenen dwongen mij den burcht binnen te rijden en de garsoenen spanden
het rosside uit. Maar als de Karre niet en beweegt en hier stille staat
onder de koningslinde om den ridder van alle lachter te sparen, vermag
niets ende niemand hem te bevrijden... En wie op de Karre springt,
waarschuw ik u, ligt mede geboeid ter neêr!
--O wi, o wacharme! riep Amadijs. Zal God van Hemelrijk dat dulden!
Ook de baroenen, die mede den dwerg hadden aangehoord, riepen:
--Bij Sint Michiel! Bij Sint Jan! Bij den rijken God van Hemelrijk!
Zij wilden den dwerg te lijf en hem als een worm vertrappen. Maar
Lancelot, Galehot stortten toe, zelfs Gwinebant verliet Ysabele, om den
dwerg te ontzetten. Ridderlijke daad zoû het niet zijn een dwerg te
verdelgen en daarbij, zoo hij verdelgd ware, wie wist van de Karre en
hare enghiene, zoo de voerder daar niet en ware? De dwerg, bevrijd uit
den boozen drang der baroenen, grinnikte en zette zich spottend,
gedrochtelijk, met de spichtige armen over de vergroeide knieën op het
lamoen van de kar, terwijl doodstille Gawein leed en lag.
--Ik zal wachten! grinnikte de dwerg. Uw welgevallen zal ik, hooge
heeren, wachten! Voor zonsondergang kan zelfs geen schildknape met
zachte oogen of een baroen of valiante wigant den ridder uit de Karre
verlossen, maar ik moet naar den Koning Clarioen terug: wees des gewes,
hoe zot ik ook ben!
Woedend stonden de baroenen rondom de Schandekar en den dwerg.
Plotseling betrok de lucht...
De gloed der zonnebloemen, waartegen Ysabele's figuurken blankte,
wachtende angstig, dat Gwinebant zoû keeren, doofde...
Een zwarte wolk zonk over den burcht...
--Een tempeest? riepen de burchtgenooten. Een horeest!
Want het weêrlichtte...
Er rommelde donder en in die onweêrsbui naderde een heftig gesnor...