Buiten den ban der betooverde beemden, die weêr hun gewone aanzicht van
heide hadden aangenomen, liepen de ongewapende ridderen aan achter
Lancelot en Gwinebant, te paard, Gawein tusschen die beiden. En er was
rumoer van beraadslaging, waarheen zij zich zouden richten; zoo
ongewapend was, op des goeden Heeren wegen, het een ridder wel vreemd te
moede en zij wilden allen weêr rusting en wapenen hebben en een ros
daarbij, sedert Morgueine hen ontwapend had. Tot plotseling zij zagen
uit de klaardere lucht, waar zij, sedert hunne betoovering hadden zien
zweven verlerlei welluidende snaarinstrumenten, dalen halsbergen en
maliëncotten, helmen en zwaarden, speren en schilden en zoo vele stukken
van ridderlijke rusting verduisterden wederom den dag en de ridders,
roepende van wonder, hieven er de handen heen en vingen op hier een
zwaard, daar een helm, maar te gelijker tijd moesten zij zich hoeden en
weren want de stukken vielen met een dichten regen den hemel uit,
botsten rammelend op elkaâr, deden lichten donder rommelen door het
geluchte, vol van metaalschel geluid. En de ridders grepen of kregen een
slag op het hoofd van een zwaar neêr zijgend schild, ontweken den
onwillekeurigen houw van eens makkers zwaard tot de stukken rusting en
wapenen om hen heen op de heide lagen als een roestige rommel oud ijzer.
En zij zochten koortsachtig uit, vonden wel eens hun zwaard, maar niet
hun riem; pasten om beurt de helmen op, die zij gegrepen hadden, maar
zochten wanhopig naar hun halsberg, tot zij het hinniken hoorden rondom
en tal van strijdrossen zagen draven in het wilde omrond, hunne eigene
rossen, maar velen nog met gewei zich op het hoofd verheffend en andere
met vlakken over de huid verspreid, zoo dat zij begrepen, dat de
vlakkige leoparden en de wonderwitte herten niet anders dan hunne eigene
rossen waren geweest, zoo als de speeltuigen hunne betooverde wapenen.
--Zij zullen zich weldra wapenen en hunne orsen berijden, zeide Gawein;
maar ik, die mij na Gringolette's dood zelven ontwapende, weet niet waar
wapen en ors te vinden.
Juist toen hij dit zeide, zag Gawein voor zich neder dalen, zilver en
goud blinkende, maliëncotte en helm, zwaard en schild en speer, en
metalen handschoenen daarbij. Hij wist niet, dat Merlijn hem deze
onmisbare stukken uit den hemel deed vallen maar Lancelot en Gwinebant
begrepen het en zagen elkander met blik van verstandhouding aan. Alleen
Merlijn wist het gunstige Wonder te doen gebeuren, vermoedelijk door
clerkeconste en het Aventuur voor te bereiden, maar het Wonder was
eigenlijk geen Wonder en het Aventuur zou eigenlijk geen Aventuur zijn.
Het was heel eenvoudig, dat wapenen uit den hemel regenden, even
eenvoudig als dat zij het Verleden zagen opdoemen op Merlijns witten
tooverwand, of dat Merlijn sprak tot Morgueine door eene sprakebloeme
heen van parelmoer, of dat Gwinebant droomde van zoete Ysabele....
En Lancelot en Gwinebant seinden zich alleen, om zich vooruit te
behoeden voor wat er euvels mocht schuilen in dit eenvoudige Wonder maar
zij zagen vol liefde en eerbied naar Gawein, die zich niet seinde maar
blijde de stukken opving. En zij stegen af en hielpen hun gezel zich te
rusten en zich te wapenen en toen zij gereed waren, hinnikte het vlak
bij en zij zagen een ros en het geleek zeer op Gringolette, hoewel het
niet Gringolette was. Maar Gawein verheugde zich zeer, en liep op het
ros toe en greep het bij den teugel, want het was getuigd en gezadeld,
en Lancelot en Gwinebant begrepen wederom zeer goed, dat het een ros
was, dat Merlijn aan Gawein zond en er eigenlijk niets vreemds aan was,
dat, nu Gringolette dood was, Gawein, door Merlijns clerkeconste, een
ander ros erlangde. Het was een zeer schoon ros, een jeugdige hengst,
ijzerschimmel krachtig breed van borst, verstandig en menschelijk van
blik, fijn en sterk van beenen en het hinnikte blijde Gawein tegen of
het hem reeds lange kende. En Gawein zelve voelde wel het vreemde Wonder
om zich heen gebeuren, omdat eigenlijk alles Wonder was en Aventuur;
Zwevende Scaec, feeën, tooverwagens, uit den hemel vallende rustingen en
Leven en Dood. Gawein nu was op gestegen tusschen Lancelot en Gwinebant.
Terwijl alle de andere ridders, met dankbetuiging naar de twee Trouwen,
die hen hadden verlost, nog een enkelen keer elkanders helmen wisselden
en zwaarden en weg reden, ijlings verschillende kanten uit. Zij reden
her en der, zij reden harentare, terug naar de verschillende oude
Koningen, wier baroenen zij waren; over weg en heide, over vlakte en
vallei scheerden zij zich weg op hunne ijlende paarden en de drie
gezellen van Tafel-Ronde zagen hen rondom aan de kimmen verdwijnen....
Toen zeide Lancelot:
--"Wellieve Gawein, wij hebben u verlost en gij zijt gewapend. Wat denkt
gij? Zullen wij u laten op Aventure gaan en zoeken naar het Zwevende
Scaec?"
"Dat zij zoo, mijne dappere vrienden, antwoordde Gawein. Gaat beiden,
met mijn grooten dank. Gaat terug tot Camelot en zegt daar, dat gij
Gawein verlost hebt uit Morgueine's tooveriën en dat hij op weg tijgt
naar het Zwevende Scaec.... Het gaat tegen den noen en gij weet: tegen
den noen groeien mij mijne krachten; toen mij in mijne eerste kindsheid
de heremiet doopte en mijne toekomst las, voorspelde hij reeds, dat
immer tegen den noen mij mijne krachten groeien zouden. Het is voor mij
een jonstig oogenblik om te slagen in queste en Aventure: gaat, gaat,
mijne lieve vrienden!"
Toen, te paard blijvende, omhelsden elkaâr de drie ridders, voor zoo
verre het mogelijk was elkander te omhelzen, te paard en gewapend. Het
was ook meer een symbool van omhelzing maar het was genoeg om van
elkander afscheid te nemen in broederlijke liefde, al steigerden even de
paarden en al schuurden de maliën tegen elkander, al klonken de schilden
schel tegen elkaar. En reden Lancelot en Gwinebant den weg, dien zij
meenden, dat ten spoedigste leidde naar Camelot....
Gawein, een pooze, marde. Toen bedacht hij zich, dat de burcht van
Koning Mirakel op den weg lag, dien hij met Morgueine in den tooverwagen
had afgeijld en besloot hij dien weg terug te gaan....
Terug gaan, op den weg der queste, het was nooit goed. Vooruit, vooruit
moest de dolende ridder.... Terug gaan, het was een teeken van zwakheid
en onmacht.... Maar, bedacht Gawein, ook kon het een boete zijn en om
boete ging hij terug. Trouwens, waarheen zou hij vooruit zijn nieuwen,
jongen Gringolei moeten richten? Bij Koning Mirakel had hij Destijds het
eerste Scaec getroffen, bij Koning Mirakel alleen kon hij vermoeden
ditmaal het Scaec weêr te treffen! Waar anders? Hij keek naar de
luchten, spiedde uit; hij zag niet meer het Scaec.... Zekerlijk, bij
Koning Mirakele was het neêr gedaald.
En hij reed terug, in rustigen draf. Zoû Aventure zich melden op zijn
terugweg? Hij twijfelde er aan, het geen hij betreurde, want hij voelde
groeien zijne krachten en het ging meer en meer tegen den noen aan. Tot
hij plotseling opschrikte. Daar ginder zag hij iets, dat hij in jaren
niet meer had gezien! Gingen dan de dingen van Destijds zich herhalen?!
Eerst het Scaec en nu, o rouwe, o schande, o oneere! Daar ginds, waar de
weg in woud zich verloor, zag hij twee ridderen te paard, een rooden en
een zwarten. En tusschen hen beiden voerden de ridders eene jonkvrouw,
te paard ook. Zij was gekleed in groenen sindale; twee zilverblonde
vlechten vielen haar tot op het artsoen van het gereide, maar de beide
slechte ridders trokken haar ruw aan de vlechten, hadden haar de
kleederen gescheurd van den lijve en sloegen haar met twee geesels, van
riemen, over borst en aangezicht, zoodat zij bloedde. En zij riep luide,
hare smart uitklagende en kermende:
--Wacharme, o Sinte Marië, komt mij dan geen ènkele ridder, met zijne
deugd, verdedigen van deze kwade feloenen, die nie ridderschap
betrachtten!
En hare armen gebonden op haar rug en ter nauwer nood zich houdende,
gezeten op haar palafroet, wankelde zij in het gereide en gilden hare
kreten het woud uit over weg en tot hemel.
Gawein, van verre, zag het. De twee ridderen kende hij niet: zij waren
geheel onherkenbaar in hunne zwarte en roode rusting, met gesloten
vizier en Gawein, na zijn vizier te hebben neêr gelaten, ijlde op jongen
Gringolet vooruit. En van verre reeds riep hij met zware, dreigende
stem:
--Heeren ridderen, merkt! Het is dòrperheid, weet dat wel, en onzede, al
wat gij deze damosele doet! Gij zoudt des ontberen, bij Sint Michiel,
waart gij vroed! Al hadde die jonkver misdaan, hoofschelijk zoude men
haar behandelen, want daar ligt luttel eere aan, zoo fel een schoone en
zwakke vrouwe te slaan!
Toen schreeuwden de roode en de zwarte door elkaâr woedend Gawein tegen:
--Om u, dorper en curliaen, of gij ridder zijt of niet, zal zij niet
worden gespaard! Om u meer toren te doen hebben, zullen wij haar doen
meer lachter dan ooit te voren! En wilt gij nog een woord toe spreken,
dan zullen wij u met onze speren averrecht van uw orse steken!
--Heeren ridderen, riep Gawein. Staakt gij mij van mijn ors, wel, zoo
ware ik te voet! Maar te peerd of te voet, weest daar vroed van, zal ik
de jonkvrouwe, die gij mishandelt, beschermen en haar toren minderen,
ook al zet ik er het leven voren! Doet mij echter een bede, ridderen,
voor uwe edelheden en voor Gode en voor aller ridderen eere ende laat àf
die damosele zoo fel te schoffieren!
--Maak, dat gij henen komt en vliedt! riepen de ridders en zij sloegen
de jonkvrouw met hunne geesels, zoodat zij gilde naar den wijden hemel
toe. Of, bij al dat God geleesten mag, deze zal uw doemsdag worden! Wat
hebben wij met uwe sermoenen van noode?
--Laat die jonkvrouw met goede! riep Gawein, van woede buiten
zichzelven. Of wacht u jegen mijn speer!
En hij reed, als een afgeschoten pijl zoo snel, op de ridders toe, speer
gestrekt.
De roode en de zwarte scheidden zich; zij lieten de jonkvrouwe, die hare
gebonden handen zelfs ten hemel niet kon strekken, alleen te paard op
den weg staan; de roode reed op Gawein toe, de zwarte ontweek diens
speerstoot en draafde de vlakte over, ter achterzijde Gaweins, maar vóór
hij Gawein van daar had kunnen bestoken, stiet Gawein den roode ter zij
van zijn schild bliksemsnel door wapenrusting en maliëncotte in de
ribben onder het hart, zoodat Gaweins speer brak en met het trensoen
bleef steken in 's rooden ridders lijf. Hij slaakte een verscheurenden
kreet en tuimelde af van zijn paard.
Toen wendde Gawein woedend zijn jongen Gringolet. En hij rende, de
wigant, zwaard uit scheede getrokken, op den zwarten ridder in; hij
sloeg den zwarte diens speer in tweeën, en toen deze zijn glavië trok,
gevoelde Gawein al zijn noenkracht in zich groeien, sloeg hij hem met
één slag het zware, zwarte schild uit den arm, zoodat het kletterend
rolde over den grond. En de zwarte, den linkerarm gebroken door Gaweins
slag tegen het schild, poogde vloekend van pijn en van woede, met één
vuist zijne glavië te heffen, toen reeds Gaweins zwaard, hoog in beide
vuisten verheven, den zwarte kliefde over den helm heen, dwars door den
zwarten helm heen, waarvan de zwarte diamanten rechts en links sprongen
dwars over des zwarten hoofd, zoodat de hersens uitvloeiden, als een
witte etter-en-bloed en de zwarte achterover viel van zijn paard. Toen
steeg Gawein af en hij naderde de jonkvrouw, tilde haar af en begon haar
het koord van hare polsen los te binden.
--Dank heb, ridder! riep zij juichende en weenende te eenen stond. Gij
hebt mij wel gewroken jegen den rooden en den zwarten ridder! Ik wil uw
dienstwijf zijn en blijven tot het einde van mijne dagen!
En zij wierp zich neêr aan Gaweins knieën en kuste hem de maliën her en
der.
--Wie zijt gij, schoone jonkvrouwe, en hoe komt gij in zoo groote rouwe?
vroeg Gawein, terwijl hij de jonkvrouw oprichtte en nauwelijks merkte
dat ter zijde, de roode ridder kermende te sterven lag.
--Mijn vader was ridder en goedman en wel geboren van den lande! riep
de jonkvrouw. Maar hij is onder gegaan van goede en ligt nu in zware
armoede! Hij is krank en kan rijden noch gaan, noch zelfs over zijne
voeten staan! Luttel vrienden zijn hem gebleven en luttel dienaren!
Wacharme, edele ridder, heden kwamen de roode en de zwarte binnen onze
veste, die is harde vervallen en te-broken en voor de oogen van mijn
vader grepen zij mij aan en maakten mij beiden tot hunne amië! Toen
wierpen zij mij op dit peerd, dat mijn eigen is en schaakten mij met hen
mede, om mij mede te voeren naar den burcht, o wellieve heer ridder,
waar menigertiere slechte ridder zijn spel drijft met de damoselen, die
zij schaken!
--Gawein! Gawein! riep de roode ridder. Kom mij te hulpe, mij en mijne
ziele! Ik sterve!
Gawein schrikte op: het was of hij nu eerst herkende des rooden ridders
stem. Hij snelde toe waar de roode ridder lag, sloeg op diens vizier en
riep uit:
--Mordret! Mordret! Zijt gij dat!? Mijn gezelle van Tafel-Ronde?!
--Lace, ik!! riep Mordret. O, help mij, Gawein, help mijn ziele en mij!
Maar Gawein stortte toe op den zwarten ridder, die, den schedel
gekloofd, lag in het stof van den weg. En zoodra hij diens zwarte vizier
opsloeg, riep hij uit:
--Didoneel! Didoneel! Ik herken hem, ook al kloofde ik hem! Didoneel! O,
jonkvrouwe, van Tafel-Ronde was Didoneel ook mijn gezelle, als mij
Mordret was! Barmhartige God van Hemelrijk, ik versloeg heden twee
mijner gezellen en ridderen van mijnen Koning Artur van den Lande van
Logres en zij waren feloenen en meineedig aan eede van ridderschap!
En toen barstte Gawein uit in snik van groote smarte en wierp de armen
ten hemel, terwijl hem de jonkvrouw in medesmart omhelsde en, op den
grond stervende, riep Mordret:
--Gawein! Gawein! Help mij en mijne ziele!!