In de nacht reden de ridders langzaam aan, zooals ridders-van-aventuren,
die geen burcht tegen komen om te overnachten, in alle ridderromans, in
de nacht, door rijden. Maar Merlijn was, hoewel niet alwetend, toch
veelwetende door wat hem zijn sylfen en gnomen vertelden, en wist
Lancelot en Gwinebant met dwarrelende vuurvliegjes en dwalende
dwaallichtjes juist te houden op den rechten weg, waar de burcht rees
van den een of anderen ouden koning, die niet was Mirakel, noch
Assentijn, noch Artur. Lancelot en Gwinebant werden door den ouden
koning Ban, die wel van de Tafel-Ronde gehoord had, in nachtjapon
slaperig en ietwat brommerig ontvangen, maar toen geleid naar een
kemenade, waar garsoenen hen van rusting en wapenen ontdeden--wees des
ghewes, gij, o lezer, dat de rossen reeds goed werden verzorgd en
geroskamd stonden voor volle ruif. Waarna de knapen de ridders
aankleedden in surcoet en hozen en hun water en dwale boden, om zich te
wasschen, als hooge lieden plegen. Toen geleidden de knapen de ridders
naar een groote zaal, waar de tafelen op de schragen waren gelegd en het
amelaken was uitgespreid en deden zij zich te goede aan venizoen en
dronken zij oude clareit naar genoegen. En toen de knapen hen na het
maal wederom met tortijtsen geleidden naar hun porprijs, strekten zij
Zich spoediglijk uit op de bedden en dachten te slapen tot dageraad toe.
Maar een zachte muziek klonk en plots schoof weg de muur in een wijden
boog in den wand en twee jonkvrouwen, uitermate schoon, verschenen,
glimlachende, omringd van vele brandende keersen en witte rozenkransen
en luit en psalterion ter hand.
--O, zie dan toch, Lancelot! riep Gwinebant, en richtte zich van zijn
bedde. Twee schoone Sinte Ceciliën naderden ons door de muren!
Ook Lancelot was opgerezen en de twee ridders, schoon als de
jonkvrouwen, blond als de jonkvrouwen zij beiden, Lancelot zoo ernstig
voor zijne dertig jaren, Gwinebant een jongeling nog voor zijn
acht-en-twintig, zagen verrast de beide speelsters naderen. Maar dezen
legden hare speeltuigen neder en traden uit den boog, die zich sloot.
--Wellekom, heer ridder, zeide de een en zeide de andere.
--Wellekom, gij beide schoone bezoeksters, zeide Lancelot en zeide
Gwinebant na en Lancelot vroeg:
--Twi doet gij ons deze groote eer, jonkvrouwen, met muzijk en gebloemt
te verschijnen in ons closet?
--Sinte Cecilië gelijk, voltooide Gwinebant, die zijne vergelijking wel
goed vond.
--Heiligen en zijn wij niet, zeide de eene jonkvrouw, met een lachje
naar Gwinebant. Wij zijn zusteren, de beide dochteren van onzen vader,
den Koning Ban en ik ben Ydeleine.
--En ik ben Belleflore, zeide de andere; en wij komen u vragen, o
ridderen, of gij genegen zijt de zoete melodië te drijven, met ons, deze
nacht. Wij bidden het u met hoofschheden....
--Wij bedanken u beiden met hoofschheden, Belleflore ende Ydeleine, zei
Lancelot, voor zelfs Gwinebant een woord had kunnen zeggen; maar weet
wel, dat wij die gonen zijn, die morgen onzen gezel, heer Gawein, moeten
verlossen uit de Valleie der Ontrouwe Ridderen en wij dat alleenlijk
zullen vermogen zoo wij zelven trouwe blijven aan onze minnekijns...
Wij verontschuldigen ons dus harde.
--Harde, herhaalde Gwinebant met een zekeren spijt, ook al vergat hij
nooit Ysabele.
--Gawein! riepen de beide jonkvrouwen uit. Maar is hij ook niet van
Tafel-Ronde?
--Gewes en zeker, bij Sint Michiel! riep Gwinebant.
--Bij Sinte Marië, Koninginne van Hemelrijk, voegde waardig Lancelot er
aan toe.
--Wij kennen hem, zeide Ydeleine schalk.
--Wij kennen hem beiden, zeide Belleflore nog schalker.
--Was hij hier gisteren? riep heftig Lancelot, om te weten.
--Dezen dag nog? riep Gwinebant na.
--Niet gisteren....
--En niet dezen dage, zeiden de zusters.
--Maar een jaar her.... zei Ydeleine.
--Ja, een jaar her, zei Belleflore. Hij kwam en was moede des dwalens en
rustte uit en hij at met ons en wij dreven jolijt....
--Wij festoyierden te zamen en hij was zoo hoofsch....
--Wij hebben toren, zeide Lancelot; niet zoo hoofsch te zijn als onze
gezel, welschoone jonkvrouwen, maar hij is immer de hoofschte van ons
allen....
--Wij dringen niet aan, glimlachte Ydeleine.
--Wij willen u beiden geen vernoye doen, glimlachte Belleflore.
--Onze vader zeide ons: gaat tot de ridderen naar antieke zede om
gastvrijheid hun verder te bieden.
--Wij gingen met ons gebloemt en muzijk, als onze vader ons beval, voor
hij slapen ging.
--Maar wij zullen geerne de muziek hooren, jonkvrouwen! riep Gwinebant.
Niet waar, Lancelot?
--Geerne zullen wij de muzijk hooren, jonkvrouwen! zeide, bijna zoo
hoofsch als Gawein, Lancelot.
--Zoo rust uit op uwe bedden, ridderen! noodden de beide jonkvrouwen.
De ridders legden zich neêr. De kemenade donkerde, met wat maneschijn,
blauwig aan de kleurige ruiten bleekend. En Belleflore tokte aan haar
luit en Ydeleine vlijde met den strijkstaaf over de vijf glasreine
koorden van haar psalterion. En zij zongen, beiden, met zachte stemmen,
om beurten en te zamen:
Lancelot!
Droom ju zoete lot!
Droom ju Koninginne!
Gwinebant!
Lieve knape, schoon wigant
Droom ju zoete minne!
--Ysabele.... murmelde Gwinebant, de oogen toe, half reeds in slaap.
Maar de ronde bogepoort opende zich geluidloos, de twee jonkvrouwen
trokken zich in den kaarsenschijn tusschen de rozenslingers terug; de
poort schoof toe....
En de beide trouwe ridders sliepen en droomden, terwijl bleekte aan de
kleurige ruiten de blauwe maan....
* * * * *
Den volgenden morgen, na oorlof van Koning Ban en de beide princessen te
hebben genomen, reden de beide ridders verder en nu zeker van hun weg,
want Belleflore en Ydeleine, die wel van Morgueine wisten, hadden hun
gezegd welken weg te nemen was naar de Vallei der Ontrouwe Ridderen. En
zonder verder aventuur reden zij enkele morgenuren en het was niet meer
dan een genoegelijken rit.
--Wel anders dan destijds, Gwinebant, zei Lancelot; toen bij iederen
tred Aventure zich voor deed.
--Draken, zekerlijk, ontmoetten wij nimmer, maar zoo als ik u, Lancelot,
met Gawein eenmaal verlost heb uit den Dale van den dollen Dans, zoo ga
ik toch heden Gawein verlossen met u, Lancelot, uit de Valleie der
Ontrouwe Ridderen. En is het Scaec zelve niet Aventure, al weten wij dat
het door Merlijns toovermacht is gedaan? zei Gwinebant.
--Hij geloofde! zei Lancelot. Hij geloofde als Koning Artur geloofde!
Wat was Gawein schoon en jong, toen hij opstond en zeide, dat hij de
queste volbrengen wilde! Gwinebant, met u is Gawein de jongste en
schoonste ons aller, enkel omdat hij geloofde!
--Maar gij, Lancelot, zijt de trouwste!
--Gawein is de hoofschte.
--Wie de hoofschte is, kan moeilijk de trouwste zijn, Lancelot, want hij
mint te veel naar alle zijden uit. Zeg, wie van ons is de ridderlijkste?
--Gawein.
--Hij en is niet de vroomste.... Hij en biecht soms niet in jaren. En
hij laat zich verlokken door Morgueine en vergeet alles van het Zwevende
Scaec... Lancelot, zeg mij, wellieve gezel, ben ik ridderlijk?
--Gewes, gij, Gwinebant.
--Ik ben de zwakste, want ik ben de krankste. Om Vrouwe Venus' wille,
Lancelot, ben ik krank. Ik denk immer aan mijne Ysabele. Ik droom immer
van mijne Ysabele. Lace, zij is zoo verre....
--Gij en zijt niet zwak, Gwinebant, zoo gij mint met sterke trouwe. Gij
en zijt niet krank, Gwinebant, zoo gij verhoogt in blijde gezondheid
van minne. Gij bloeit boven ons allen als een roze, Gwinebant. En uw
stemme klatert als van een nachtegaal....
Zoo troostte Lancelot Gwinebant en Gwinebant voelde zich eigenlijk ook
niet ziek en zwak; hij voelde zich integendeel gezond en sterk, maar
zeer in de macht van Vrouwe Venus en hij droomde iedere nacht van
Ysabele....
Zoo als zij droomde van hem, iedere nacht....
* * * * *
--Lancelot! Lancelot! Zie, riep Gwinebant.
Zij waren uit een dicht foreest gekomen op een breede vallei, waarheen
geleidden verschillende gladde wegen, geëigend voor tooverwagens, die,
door wonderolie en geheimzinnig enghien bewogen, het snelst over gladde
wegen vliegen. In het midden van de vallei was als een paradijs, omheind
met hooge, roode rozenheggen en een wolk van geur woei den ridders te
gemoet. En toen zij beiden aan de zuilenpoort stille stonden, trok
Lancelot zijn zwaard en Gwinebant trok het zijne. Maar hij zeide:
--Slaat gij de poorten, Lancelot, want mijne trouwe is niet en beproefd.
Lancelots trouw was beproefd, sinds meer dan tien lange jaren. En hij
sloeg met zijn zwaard een kruis tegen de poort. De goud gesmede hekken
sprongen open, als op wonderveeren. En de ridders reden binnen.
--Gawein! Gawein! riepen zij luide. Wij komen u verlossen, Gawein!
Er was een groot rumoer tusschen de prayeelen en de pauwillioenen,
tusschen de peper-, anijs- en gingebareboomen. Vlakkige leoparden en
witte herten, getemd, vloden tusschen de amandelen, pumegernaten en
notemuscaten en een menigte ridderen drong zich baan tusschen een
menigte dansende feeën. Onder haar schitterde Morgueine. Zij lachte
luide, haar arm nog om den hals van Gawein, die, als uit een droom
ontwakende, naast haar lag op een ivoren bedde vol rozen.
--Twee trouwe ridderen zijn gekomen! schaterlachte Morgueine. Riveel
heeft uit en solaes van verscheidenheden! Maar, vreest niet, mijn lieve
ridderen! Na Dollen Dans en Ontrouw-valleie vindt Morgueine u morgen
nieuwe fantazijë uit!
Plotseling donderde het vervaarlijk en een zwarte wolk veronzichtbaarde
geheel de vallei. Het riep en schreeuwde door elkaâr van ridderlijke
mannestemmen; het krijschte door elkaâr, als van verschrikte vogelen,
van weg vliedende feeën.
--Gawein! riepen Lancelot en Gwinebant.
Zij hadden Gawein gegrepen en hij liet zich mede voeren. Maar in de
pikduisterte was niets te onderscheiden en de honderd-negen-en-veertig
ontrouwe ridders bonsden tegen malkanderen, zochten verschrikt uitweg en
vloekten en riepen aan:
--Bij Sint Michiel! Bij Sint Jan! Bij den rijken God van Hemelrijk!
Alzoo helpe mij Sinte Marië's Kind!
Toen klaarde wederom de dag. Maar de toovervallei was niet meer dan een
kale hei geworden en over de vale vlakte, in de donkere floersen van
nevel, die optrokken, liepen dom verdwaasd door elkaâr
honderd-negen-en-veertig ontrouwe ridderen. Over den weg snorde een
tooverwagen weg. Dat was Morgueine: zij schaterlachte nog na, terwijl
zij zich spoedde naar haar slot aan zee.
Nu drongen alle de ridders om Lancelot en Gwinebant, die hielden Gawein
in hun midden en hunne paarden aan den toom.
--Waart gij beiden trouw?
--Werkelijk trouw??
--Immer trouw???
Zoo verbaasden zich de honderd-negen-en-veertig.
--Zij heeft haar zoete spel met ons gedreven, zeide Gawein weêr. Wij
waren allen die gonen, die ontrouwe waren.... En ziet, wij zijn allen
ongewapend! Maar zij was Meesteresse ende Koninginne van Riveel en van
Solaes!
--Gawein! zei Lancelot, en sloeg zijn gezel op den rechterschouder.
--Gawein! zei Gwinebant, en sloeg zijn gezel op den linkerschouder.
Gawein zag naar beiden om, ontwakende uit betoovering.
--Gawein, zei Lancelot. Herinner u van het Zwevende Scaec!
--Gawein, zei Gwinebant. Herinner u van het Zwevende Scaec!
--Ik zoû het zoeken, zeide Gawein, en streek zich met de hand over het
voorhoofd. Maar Gringolette, mijn goede ors, stierf en ik liet mijn
wapenen op haar graf....
--Morgueine ontwapende ons, riepen de ridderen. Waar zijn onze wapenen?
Wie geeft ons onze wapenen!
--Blijven wij allen te zamen! riepen anderen. Ongewapend zullen wij
sterker te zamen zijn dan gescheiden!
--Wat bedieden ongewapende ridderen in de landen onzer oude Koningen!
riepen weêr anderen. Wij vermogen, ongewapend, niet één drakeserpent te
dooden!
--Of eene damosele van een feloenigen ridder te redden! Want
drakeserpenten zijn allen dood!
--Er zijn ook geen feloenige ridderen meer!
--Er rijden nooit geene belaagde damoselen meer rond op witte
palafroeten in de foreesten!
Zij lachten allen in den nog bewolkten noen. Zij lachten luide en schor.
--Het Wonder! riep Gawein, geheel ontwaakt. Het Aventure, dat zich
eindelijk meldde! O, ik geloof er aan! Gaan wij, mijn zoete gezellen,
Lancelot en gij lieve knape, Gwinebant. Ik zal het achterhalen, het
Zwevende Scaec!
En hij stortte, beide handen hoog, als zag hij het zweven, als wilde hij
het grijpen, vooruit, terwijl de twee Trouwe Ridders, te paard, hem
volgden en allen de anderen achter hen aan drongen in een wilde
horde....