_WAARD, EELHART, FILIPYN. IZABEL en KATRYN op ’t bed._
WAARD. Dat zyn eerst gekken van geleerden! rechte suffers!
Zy staan daar allebei te tuuren naar de maan,
En brabb’len taal, die hond of kat niet kan verstaan.
EEL. Hoor hospes! heb jy lust om die pistool te winnen?
WAARD. Ja, waarom niet? zeg maar hoe ik het moet beginnen?
EEL. Niet, als dat je in ’t geheim twee juffertjes logeert.
WAARD. ’k Logeer geen hoeren: neen: ik merk wat jy begeert.
EEL. Zy zyn geen hoeren, maar twee juffers van myn kennis,
Die ik verbergen moet om reden; zek’re schennis
Haar aangedaan.... maar zeg of gy ’t wil doen of niet?
WAARD. Ik wil wel, als het maar in eer en deugd geschied.
EEL. ’k Verzeker u daar van; maar gy moet niets ontdekken
Aan heer Anzelmus. WA. Neen: ik zal ’t niet uit doen lekken,
Wees daar verzekerd van: ’k beloof ’t je by myn eer.
Zeg wanneer dat ik haar te wachten heb, myn heer?
EEL. Zo aanstonds hospes, zoo ik u maar mag vertrouwen.
WAARD. Ja, wees gerust, ’k beloof dat ik myn woord zal houwen.
EEL. Daar ’s uw pistool. WAARD. Ik zel je helpen waar ik mag.
EEL. De baan is klaar, juffrouw, kom nu vry voor den dag.
WAARD. Hoe leggen ze op het bed? wel dat zyn wond’re zaaken.
IZA. Ach! hospes gaa terstond een kamer open maaken,
Daar we ons verschuilen. WA. Wel’ dat’s vreemd ze zyn verkleed!
Loop in die kamer. IZA. Maak my ook wat spys gereed.
WAARD. Ja treê maar in, ik zel je wel akkomoderen.