_WAARD, FILIPYN, EELHART._
WAARD. Wie heeft dat zoopje van de meid
Daar flus gekommandeerd? FI. Ik, tot je dienst bereid.
EEL. Is hier gelegenheid voor ons te nacht te slaapen?
WAARD. Dat weet ik niet. FI. Hy is grootshartig in zyn wapen;
Hoewel hy woont ook op de zelfkant van het Sticht.
WAARD. Neen, broertje, neen, je zyt na ’k merk nog niet verlicht.
’k Heb nog een bed, het welk ik graag uw’ heer wil gunnen;
Maar weet ik juist of hy te nacht zal slaapen kunnen?
FI. Zorg daar niet voor, zoo ’t met geen keyen is gevuld,
En dat de muggen ons niet steeken. WAARD. Goed, gy zult
Te vreên zyn. Voor uw’ heer heb ik een bed met veeren,
En jy kunt op die kist wel slaapen in jou kleêren.
FI. Dat’s my te hart kompeer. Maak maar een kermisbed.
WAARD. Ik kan niet vriendschap; al myn bedden zyn bezet.
’k Dien met myn wyf zelf op een kermisbed te leggen.
FI. Dat wil ook weezen broer, dan heb ik niet te zeggen.
EEL. Wat menschen zyn het die je hier te nacht logeert?
WAARD. De heer Anzelmus, en een ander heer; geleerd
In veele kunsten en verheven’ weetenschappen,
Die als een advokaat zes zeven weet te klappen.
EEL. Ei! deeze Anzelmus, zeg wat is dat voor een man?
WAARD. Een heer van Utrecht, die ik specialyk van
Naby gekend heb, meer als vyf en twintig jaaren;
Die and’re, naar ik merk, zal met zyn nichtje paaren,
Een schoone juffer, blank en poezeltjes van vel.
EEL. Hoe is haar naam? WAARD. Haar naam? laat zien, is Izabel.
FI. „Voorzeker ’t zal de voogd van jou beminde weezen.
EEL. „Anzelmus kent my niet; voor hem is niet te vreezen.
Hebt gy geen gasten meer? WAARD. ô Ja, den heer doktoor,
Hans Urinalibus; die flus myn linker oor,
Heit doof geraast; en met de jongste van die heeren,
Die ook een dokter lykt, kyft over ’t voltizeeren,
Van ’t vaste lichaam, ’k loof zoo wel van man als vrouw.
Hy is die dokter, die graag zilver maaken wou
Uit keijen, maar hy heeft zich zelven korts bedrogen;
Want al zyn keijen zyn de schoorsteen uitgevlogen,
Behalven één, die blyft hem zitten in den kop.
FI. Jy hospes, dunkt me, houdt je gasten voor de fop;
Dat is je schaad’lyk, broêr, je moet wat leeren vleijen.
EEL. Wat heb je te eeten? WAARD. ’k Kan je een slaatje doen bereijen.
’k Heb ook een ham, heel fraaij en exelent,
En wyn, myn heer, zo goed als ergens is bekend.
EEL. ’t Is wel, gy kunt dan flus de tafel laaten dekken;
Maar morgen ochtent wil ik met den dag vertrekken;
Dies moet ik voort, als ik gegeeten heb, te bed.
WAARD. ’k Zal zorgen dat de kost je flus word’ voorgezet.