_EELHART, FILIPYN._
FI. Daar is hy zelf, gansch bloed!
Dat is op ’t onvoorzienst. EEL. Wie dacht u hier te vinden!
Myn Filipyn, hebt gy iets kunnen onderwinden?
Zeg, is myn schoone reets de brief ter hand gesteld?
Hoe staat het met myn min? ik bid dat gy ’t my meldt.
FI. Heel slecht. Myn heer heeft meer te vreezen als te hoopen.
EEL. Hoe dat? FI. Beloof me eerst dat ge u zelf niet op zult knoopen,
Veel min verzuipen, uit standvastigheid van min:
’k Zal dan de heele zaak verhaalen, naar je zin.
EEL. Hoe naar myn zin? FI. ’k Verspreek me, ik meende nâ de waarheid.
Net zo als ’t is gebeurd. EEL. Spreek op. Geef meerder klaarheid.
FI. Na dat gy gist’ren my expresse hadt gemaakt,
Ben ik gezwind te paerd uit Amsterdam geraakt,
’k Heb ’t op de botermarkt van Jean Pikeur bedongen
Voor twee dukaaten. Bloed! wat heeft dat beest gesprongen!
Het is een appelgrauw. EEL. Wat bruid me dat? ryd voort.
FI. ’k Was in drie uuren tyds al te Utrecht voor de poort.
’k Loof dat het paerd mê van je liefde heeft geweeten;
Want ’t arme beestje docht om drinken noch om eeten.
EEL. Zwyg van het beest, en zeg hoe dat je verder voer.
FI. ’k Ontmoette juist op straat myn nichtjes bestemoer;
Zy is een groenwyf, zeer verstandig nâ haar jaaren.
Na heel veel vraagens hoe de vrinden hier al vaaren...
EEL. Die praat van ’t groenwyf, van je vrinden, en het paerd,
Slaa die maar over: want ze is my geen oortje waard.
FI. ’k Vroeg aan dat groenwyf waar de heer Anzelmus woonde.
Het welk die goeije sloof my zeer gewillig toonde;
Zy kon dien heer wel: want zyn huis staat in haar buurt,
En dat nog meerder klemt, haar eige dochter schuurt
En schrobt juist in zyn huis, schier alle Zaturdagen.
Die dochter zei my iets het welk u zal mishaagen.
EEL. Wat was dat? FI. Dat de heer Anzelmus hadt gehoord,
Hoe gy, dien hy niet kent, zijn nichtje hebt bekoord,
Toen zy korts te Amsterdam by iemand van haar vrinden
Is t’huis geweest; en hy wil haar perfors verbinden
Aan zeek’ren neef, een gek in quarto, die de meid
Nooit heeft gesproken als met veel afkeerigheid;
Die zotte vlaagen krygt door ’t al te veel studeeren;
In ’t kort bequaam om met de kap te promoveeren.
Nu hoort myn heer dat hy een medeminnaar heeft.
Bedenk in welk een angst uw Izabella leeft:
Wyl zy gedwongen wordt om met een gek te trouwen.
EEL. Geen nood; Flippyn, zy is niet van die laffe vrouwen,
Die ligt te dwingen zyn door voogde dwing’landy.
Ook is haar zuiver hart te dier verpand aan my.
Ik ben gerust dat zy haar eeden niet zal breeken:
Myn min is haar, en my haar min, te wel gebleeken.
FI. ’k Vat wat je zeggen wilt. Je kent malkander. Maar...
EEL. Wat voor een maar? FI. Helaas! EEL. Gij zucht.
FI. Och! och! EEL. Verklaar
My wat’er gaans is. FI. Och! ik durf het naauwlyks zeggen.
EEL. Spreek! of die zweep zal ik u op de ribben leggen!
FI. Ach! als ’t dan weezen moet, en wil je ’t weeten heer?
Helaas! uw Izabel, die schoonheid is niet meer...
EEL. Is ’t mooglyk! wat gy zegt, ach! is dat vriend’lyk weezen,
Dat zuiver aanschyn, zoo bekoorelyk voor dezen,
Die zon, die held’re zon met al haar glans verdoofd!
ô Wreede dood! die my van allen troost berooft,
Doe my het levens licht op deeze tyding derven!
ô Droefheid! ik wil met myn Izabella sterven!
Ze is dan niet meer Filipyn. FI. Ze is niet meer in haar huis.
Maar ’k weet niet van haar’ dood. EEL. ô Schelm! FI. Je hebt abuis.
’t Is jou schult; want je valt zo schielyk in myn’ woorden,
En wilt je zelven, eer je ’t end hoort, al vermoorden.
Als jy me op myn manier de zaak verhaalen liet,
Dan hadden wy gestaag die harrewarring niet.
EEL. Flippyn gy hebt een quaa manier in uw vertellen.
Zo dat zo voort gaat zult gy nog een uur staan lellen,
Eer ik begryp hoe dat het met myn zaak nu staat.
Verhaal my alles kort, en maak my niet meer quaad.
FI. Ik zeg je dan myn heer, jou lief was opgesloten:
En die gevangkenis heeft haar, na ’t schynt, verdroten:
Ze is uitgebroken, en enfin op ’t haazepat.
Haar oom heeft haar alom doen zoeken door de stadt,
En aanstonds opgemaakt haar’ vrinden en haar’ maagen.
Die haar alom, van man en maagd, na laaten vraagen.
Anzelmus en die neef zyn licht al te Amsterdam.
EEL. Zo ik haar daar had, wenschte ik dat hy by me quam:
Die voogd zou reden van zyn dwinglandyë geeven;
’k Zou haar beschermen in haar eer, of niet meer leeven.
’k Kan niet bedenken wat’er voor my dient gedaan...
Zal ik naar Amsterdam, of liefst nâ Utrecht gaan?
Ik heb besloten om haar overal te zoeken.
Zo ik haar vind, zal ik dien voogd zeer wel verkloeken.
FI. Gy hebt haar al te wel gewend, hou u maar stil;
Dat duifje zal van zelf wel vliegen op je til.
EEL. ’k Gaa weêr nâ Amsterdam. FI. Hoe zyt gy hier gekomen?
EEL. Ik heb myn rytuig tot uitspanning eens genomen,
En reed al voort, tot hier in Loene, zo gy ziet.
FI. Maar heer, ’t is avond, en al laat, hoe! wist je niet
Dat, als je zo ver reed, je hier te nacht moest blyven?
EEL. Ach weeten minnaars wel, Flippyn, wat zy bedryven?
Daar is de waard.