_METELLUS, KALFURNIA, PAPIRIUS._
METELLUS. De Roomsche raad vergaêrt weêr op het Kapitool.
Volg my, Papirius, om op dat helden school
U te oefnen in de deugd der vroome burger vaderen,
Die dag aan dag tot heil des Vaderlands vergaderen,
In deez’ benaauwden en gevaarelyken tyd.
KAL. ’k Merk dat gy meer bezorgd dan ooit voorheenen zyt.
Metellus, is ’er nood? hebt gy iets nieuws vernomen?
Dreigt ons een leger van de vorsten op te komen?
Of vreest men voor verraad? zeg is ’er iets ontdekt,
Dat ongemeene zorg in Romens raad verwekt?
Die dag en nacht vergaêrt.
MET. Men mag niets openbaaren:
Maar Rome is buiten nood, dat durf ik u verklaaren;
Stel dan uw hart gerust. Vaar wel. Wy moeten gaan.
Laat alles op ’t beleid der Roomsche vadren staan,
Die voor de vryheid en gestaafde burger wetten,
Al wat hen dierbaar is, geneigd zyn op te zetten.
KAL. ’k Mag dan niets weeten? goôn! een eedle Romeinin
Word geen geheim vertrouwd! ’k Bezweer u by de min,
Die ik u draag, myn heer, laat ons in twist niet raaken.
MET. Gy wilt, Kalfurnia, my dan meinedig maaken?
KAL. Betrouwt gy niet op myn stilzwygenheid, myn heer?
MET. ’k Bemin Kalfurnia: maar ’t vaderland nog meer.
KAL. Gaa dan na ’t Kapitool.
MET. Myn zoon, gij kunt my volgen.
KAL. Gestrenge Roomsche deugd hoe maakt gy my verbolgen!
PAP. Myn Vader, ’k bid verlof, dat ik vertoeven mag.
Gy had my toegestaan, dat ik op deezen dag
My met de ridderschap en Romens eedle zoonen,
In ’t ruime veld van Mars, gewapend zou vertoonen.
Daar zal een spiegelstrijd geschieden door de jeugd.
MET. Gaa heen, en toon daar uw behendigheid en deugd.