TIENDE TOONEEL.

_LEONTIUS, QUITERIA, PASTOOR._

LEONTIUS. O wrev’le dochter zocht gy ons aldus te ontkomen?

En waant gy, zoo dit van Kamacho werd vernomen,

Dat hy u evenwel zal minnen? denk dat niet.

PASTOOR. Myn heer, ik bid vergeef haar ’t geen hier is geschied.

LEONT. ’k Staa in beraad of ik haar wil in ’t klooster zenden.

QUIT. ’t Gevalt my; ’k zal aldaar ’t rampzalig leeven enden:

Want nu Bazilius voor altoos van my scheidt,

Bekoort my niemant meer. ’k Heb u vergeefs misleid,

Vergeefs voor u geveinsd Kamacho te beminnen;

’k Zeg nu, dat ik hem haat. Wel aan, wil maar beginnen

Met uwe strafheid, volg uw al te wrev’len moed.

Gedenk niet meer dat ik u kind ben of uw bloed.

Het klooster kan my nu het allerbest behaagen,

Alwaar ik tot myn dood vry zuchten mag, en klaagen.

LEONT. Hou op van schreyen: want ik meen het niet myn kind,

Gy hebt een vader, die u op het teêrst bemint,

Ik zie myn misslag wel. QUIT. Ach! vader, wil dan maaken

Dat ik uit handen van Kamacho mag geraaken.

LEONT. Ik bid u veins myn kind; hy komt daar ginder aan.

QUIT. „o Hemel wil my van dien Bruidegom ontslaan!

Drie blyspelen · 第 43 / 133 题