ACHSTE TOONEEL.

_BAZILIUS, QUITERIA._

Hoe dus, Quiteria! hoe ziet gy dus beschreid?

’t Is alles nu gereed; derhalven laat ons vlieden.

QU. Neen laat ons blyven. BAZ. Wees getroost; wyl ’t moet geschieden.

QUIT. Ach lief, die vlucht, die vlucht spelt niet als ongeval!

Ik staa geheel bedeest; ik weet niet wat ik zal

Of moet beginnen, ach! BAZ. Die zuchten, noch uw traanen,

Zyn magtig ons den weg tot onze rust te baanen:

Onnutte zorgen zyn geen midd’len om te ontvliên

Dat uiterste gevaar, ’t geen wy voor oogen zien.

Wy hebben weinig tyds; ik bid wil u verkloeken.

QUIT. Hoe zoud’ myn vader dees ligtvaerdigheid vervloeken.

My dunkt hy klaagt alreets. Helaas! myn eenig kind,

Zo eerbaar opgevoed, zo teêr van my bemind,

Heeft teffens eer en tucht, en deugd geheel verlaaten.

Hoe zou de gryze man, die my zo mint, my haaten:

En steets aanmerken als een schandvlek van ’t geslacht.

BAZ. Uw vader neemt op stam, noch afkomst, zelfs geen acht,

Vermits hy my beloofd, en dierbaar heeft gezworen,

Dat hy geen bruîgom had voor u, als my verkooren.

Hy heeft Kamacho nu in myne plaats gesteld,

Niet anders dan uit zucht tot dat vervloekte geld;

Op myn gedrag, of stam, weet hy het minst te zeggen;

Bemerk, en oordeel dan, hoe onze zaaken leggen.

Gy zyt onschuldig: hy alleen, hy heeft de schuld;

Is hy in ’t eerst verstoord, de tyd geev’ hem geduld.

QUIT. Zyn schuld en kan myn schande in ’t allerminste afwassen.

BAZ. Kom, vluchten wy myn lief, ’t is tijd, eer ze ons verrassen.

QUIT. De min raadt dat ik vlucht, en de eer raadt dat ik blyf.

Drie blyspelen · 第 41 / 133 题