TWAALFDE TOONEEL.

_BAZILIUS, alleen._

O hemel! zal die lompe Boer erlangen

Een schoone Maegd, wiens aangenaam gezicht

Myn noordstar is, myn eenig levens licht,

En die ik dagt voor myne Bruid te ontvangen.

Quiteria, hoe vaak hebt gy beloofd

Met hand en mond, my nimmer te begeeven:

Maar steeds met my in zoete min te leeven!

Heeft dan het goud uw trouwe min verdoofd?

Neen ’t was geveinsd, gy doet my eeuwig treuren,

’k Zink in een poel van jammer, en verdriet!

’k Zal sterven: want my lust het leeven niet,

Nu my ’t bezit van u niet mag gebeuren.

’t Is ydel met myn zuchten, en geween;

Ik strooij vergeefs myn’ klagten voor de winden.

Daar is geen trouw ter waereld meer te vinden:

Men mint om ’t goud, ’t geld is de liefde alleen.

Men agt verstand, noch aangenaame zeden,

Men vraagt naar konst, noch eêlheid van gemoed:

Maar naar ’t genot van schatten, geld, en goed.

’t Geld maakt een dwaas behaag’lyk in zyn reden.

Vaar wel, vaar wel, ô overschoone maagd!

Mogt ik voor ’t laatst van u dien troost verwerven,

Dat gy bedenkt wat minnaar gy doet sterven;

Een minnaar, dien u eertyds heeft behaagd.

Waar loop ik heen? waar vliegen myn gedachten?

Behaagde ik u? neen, gy behaagde my.

Myn min was ernst: maar de uwe veinzery.

Ach, kon ik dit van u, van u verwachten!

Rampzal’ge min, gy hebt my, laas! verleid;

Quiteria was voor my niet gebooren.

ô Min! gy laat my in hun strikken smooren!

Quiteria vaar wel in eeuwigheid!

Maar ach! zy koomt.

Drie blyspelen · 第 31 / 133 题