_BAZILIUS, VALASKO._
BAZILIUS. ’k Weet dat Quiteria, myn Lief, my nog bemint,
En geen behaagen in haar’ dwaazen Bruigom vindt.
Dit is de plaats daar ik die schoone moet verwachten,
Om te overleggen wat wy hebben te betrachten.
Ik hoop dat ik haar hart wel haast bewegen zal.
VAL. Myn vriend Bazilius ’k beklaag uw ongeval:
Want nu haar Vader zyn belofte u niet wil houwen,
Baat u haar weêrmin niet.
BAZ. Hoe, moet ik dan aanschouwen,
Dat zulk een lompe boer, ten spijt van myne min,
Die schoone Juffer trouwt, in weêrwil van haar’ zin?
o Neen Valasko, ’k hoop dat huw’lyk te beletten.
VAL. Het is vergeefs dat gy u daar wilt tegen zetten;
Haar Vader wil het, zy kan hem niet wederstaan,
Vergeet die min, myn Heer, ik bid u, laat u raên.
BAZ. Hoe kan ik? neen ik denk myn opzet niet te staaken.
VAL. Wat wilt gy doen? BAZ. Ik ben van zins om haar te schaaken.
VAL. En waant gy dat gy haar daar toe bewegen zult?
BAZ. Helaas! ik weet het niet! ’k wacht haar met ongeduld
Om ’t vonnis van myn dood of leeven aan te hooren.
’k Weet dat Kamacho haar in ’t minst niet kan bekooren;
Dit doet my hoopen dat ik haar tot myn besluit
Zal overhalen. VAL. Maar zy is alreeds zyn Bruid.
Had gy een week of twe hier eerder kunnen komen.
BAZ. Ik heb zo dra als ik de zaken had vernomen
Het hof verlaaten, en begaf mij herwaart aan.
Myn Schoone had zo dra myn aankomst niet verstaan,
Of heeft my op dees plaats, door Laura, doen bescheiden.
’t Is u bekend dat zy ’t geheim weet van ons beiden.
Dus quam ik hier, daar ik u by geval ontmoet:
Het geen, ô waarde vrind, myn hart verheugen doet.
VAL. Ik koom op deeze plaats, om iemand op te sporen,
Die zyne zinnen door het leezen heeft verloren,
Een doolend Ridder, daar een ieder staag me spot.
BAZ. Een doolend Ridder! VAL. Ja, de dapp’re Don Quichot.
BAZ. My is een Boek, ’t geen zo genoemd wordt aangeprezen:
Maar wie zou denken, dat ’er zulk een mensch kon wezen;
Men zegt dat ’t is gemaakt door eenig gaauw Poeët.
VAL. Zo hoor ik dat gy mê van zyne daaden weet?
BAZ. Kan ik gelooven dat hy zou met schaapen vechten
En kudden, Legers noemt? VAL. ô Ja myn heer wat rechten
De gekken niet al uit? BAZ. En zien een herberg aan
Voor eenig sterk kasteel, daar hy op ’t huis moet gaan?
Verliefd zyn op een mensch die nergens is te vinden;
Noch op de waereld leeft? zich zelven onderwinden
Met meulens, (die hy voor zeer groote reuzen neemt)
Te vechten? Neen myn Heer het dunkt my al te vreemd.
VAL. Hy kreeg die zotheid door het leezen van de boeken:
Als Roeland, Amadis... BAZ. Gy hoeft hem niet te zoeken:
Want alzo min als die ter waereld zyn geweest,
Is Don Quichot ’er nu. Ik zeg ’t komt uit den geest
Van eenen Dichter, die deez’ boeken wil bespotten;
Gemaakt tot tydverdryf voor kinderen, en zotten,
VAL. Myn Heer, hy is van daag op deze plaats gezien,
Met zynen Schildknaap: ik heb zelf twe edelliên
Gesproken, die met hem zijn herwaart aangekomen.
’k Geloof zoo min als gy aan ’t geen de dichters droomen:
Maar deeze hebben my zoo veel van hem verhaald,
En Sanche Pance, die met hem als Schildknaap dwaalt,
Dat ik niet twyf’len kan. BAZ. Dan moet ik het gelooven.
VAL. Maar eene zaak gaat myn gering verstand te boven:
’t Welk is, dat Don Quichot zeer gunstig redeneert
Van veele zaaken; dat hy kloek is en geleerd;
Zodat men hem zomtyds zou voor verstandig achten,
En geene spoorloosheid in ’t minst van hem verwachten:
Maar als hy redeneert van zyne Ridderschap,
Klimt zyne zotheit tot den allerhoogsten trap.
Ziet hy een boer, dien waant hy straks een prins te wezen,
En geeft hem naamen die hy elders heeft gelezen.
Zoo dees hem tegenspreekt, dan tast hy naâ zyn zwaerd,
En stygt vol gramschaps op zyn Ronsinant: een paerd,
Dat door den ouderdom het loopen heeft vergeeten,
Daar hy al dikwijls is met steenen afgesmeten.
Hy vecht schier nooit of ’t koomt met hem op slagen uit;
Daar Sanche Pance mede in deelt, in plaats van buit.
BAZ. ’t Is wonder dat hy dan wil langer by hem blijven;
Want altyd slagen, en geen voordeel... VAL. Die kan schryven
Noch lezen, en hy is een zeer onnoz’le bloed:
Die juist geen zin heeft in al ’t geen zyn meester doet;
Maar wyl hy hem beloofd tot Gouverneur te maaken,
Zo hy eens meester van een koninkryk kan raaken,
Blyft hy hem by, op hoop of zulks eens mocht geschiên.
Ik kan niet rusten, voor ’k die gekken heb gezien.
BAZ. Ik zie Leontius, myn Liefstes Vader, komen.
VAL. Ik zie Kamacho ook. Laat ons by deze boomen
Ons wat verschuilen tot zy zyn voorby gegaan.
BAZ. Zy hebben mog’lyk van myn aenslag iets verstaan.
VAL. Gy vreest het ergste: ’t zal misschien zoo slim niet weezen,
Zy wand’len hier wel meer, gy moet zo licht niet vreezen.