JELTE EISES EISINGA

Was in den tijd van dit noodlottig leven

Van God een wonderbaar vernuft gegeven,

Die door zijn eigen vinding dingen wrocht,

En door zijn eigen hand tot rijpheid brogt,

Zoodat men boven zijn Natuurgenoten

Den lof en roem van vele zag vergroten.

't Ligchaam is hier ter ruste neergeleid

Tot dat de Heer het wekt tot d' eeuwigheid.

Zijn ouderdom doe hij stierf met de jaren Christy geaddeerd maakt

1854 204/365. En de jaren Christy met het 1/4 van zijne jaren

gemultipliceert komt 31,120 292849/332900.

[10] Het eerste werkje was getiteld: de Conjunctie van Venus met de

Zon in 1761, waar bij aangetoont wort, de grote Nuttigheid van deze

zo aanmerkelijke verschijning op de aarde. Met bijvoeging wegens de

Conjunctie van Saturnus met Jupiter in 1762, met 7 Platen; en het

tweede: Korte dog zakelijke Aantekening, wegens de vinding der Zons

Paralaxis, grootheit der Zonne, en afstand van de aarde enz. met eene

plaat van Venus voor de Zon. Uit dankbaarheid droeg hij dit geschrift

aan Gedep. Staten op, en noemt al de personen, welke de berekeningen

mede hebben opgemaakt, als zijne leerlingen: Pieter Christoffels,

Rinnert Johannis, Joh. Loyenga, Reiner Buising, Albartus Bloem,

Joh. Sardor en zijne twee zonen W. W. en T. W. Foppes. In de

Leeuw. Courant van 10 Junij 1761 komt een kort verslag van deze

waarnemingen voor.

[11] Deze hoofdnering van Franeker, welke toen jaarlijks 200,000 ponden

wol, tegen 10 à 14 stuivers het pond, meest door vrouwen en kinderen

liet verdienen, is van lieverlede dermate achteruit gegaan, dat er

thans geene of nog eene halve wolkammerij meer in werking is. Men is

voor buitenlandsche mededinging bezweken, daar de Friesche wol thans,

als grondstof, over de grenzen wordt uitgevoerd.

[12] Dit werkje, te Leeuwarden door A. Ferwerda en G. Tresling

uitgegeven, begint: «Van de Aarde, derzelver Verbranding, de wijze

op welke, over de tijd wanneer deze grote gebeurtenis zal zijn»

enz. De in de Leeuw. Courant breed aangekondigde uitgave werd echter

opgehouden tot na 8 Mei, toen de vrees geweken was.

[13] Zie over het deswege voorgevallene de Nieuwe Nederl. Jaarboeken,

1774, 1e st. bl. 412; het 12e dl. van het Tijdschrift de Denker,

en de Leeuw. Cour. van 16 April.

[14] Deze spreuk, welke ook boven den ingang der voormalige

Schepenskamer op het Raadhuis te Franeker gevonden wordt, had hij

geschilderd op eene smalle plank, welke nog bewaard is. Zoo had ook

mijn vriend Arjen Roelofs eene spreuk, die hij bij zijne oefeningen

in de graveerkunst herhaaldelijk in het koper sneed, en als levensgids

trachtte op te volgen:

Laat geen dag voorbij gegaan,

Of gij hebt iets goeds gedaan.

[15] De titel van dit werkje was: de Vriesche Koopman, zijnde een

uitreekening van alle Impositiën en Binnenl. Middelen, vervat in 's

Lands Lijst of Placaat enz., benevens een Aanhangzel van de Verhooging

op die Waaren enz. in smal folio of lang 4o. 140 bl. à 22 stuiv. In

1780 verscheen daarvan eene tweede verbeterde uitgave.

[16] Deze korte beschrijving van den toestand en uitwendige vertooning

van het kunststuk, toen Prof. van Swinden het voor het eerst zag,

is genomen uit het hierna te vermelden HS. van Eisinga: beschrijving

van het zamenstel, raderwerk enz.

[17] Thans reeds bestaat dat Album uit zes banden en bevat het,

volgens eene globale berekening, een getal van 60 à 70 duizend

namen van personen, die gedurende 70 jaren het Planetarium hebben

bezocht. Daaronder bevinden zich handteekeningen van zeer gewigtige

en beroemde mannen, wier namen wij hier gaarne zouden vermelden,

als wij wisten wáármede wij zouden beginnen en wáár eindigen.

[18] De menigvuldige blijken daarvan heb ik voor eenige jaren

bijeenverzameld en medegedeeld in eene Voorlezing bij het Friesch

Genootschap.

[19] Deze missive bezit ik in originali onder mijne groote Verzameling

oorspronkelijke stukken betreffende de Franeker Akademie uit de 17e

en 18e eeuw, voor een groot deel uitmakende het Archief der Heeren

Curatoren dier Akademie, welke mij voor eenige jaren, uit den boedel

van een aanzienlijk en uitgestorven geslacht, zijn vereerd.

[20] Op bl. 7 van het hierna te melden HS. en bij Scheltema, bl. 214

worden deze en meerdere verbeteringen uitvoeriger vermeld, en vooral

in de Bijvoegsels tot deze Beschrijving.

[21] Volgens het slot der Bijvoegsels tot deze Beschrijving, was

Eisinga, op uitnoodiging van velen, bijzonder van den Leidschen

Hoogleeraar C. Ekama, voornemens deze Beschrijving en Afbeeldingen

te laten drukken, waaraan echter geen gevolg is gegeven.

[22] Volgens het Album hebben van September 1787 tot Junij 1797 alleen

Lodewijk, Graaf van Bentheim en drie andere personen het kunststuk

bezigtigd en zich ingeschreven.

[23] Dit stuk is nog aanwezig bij 's mans schoonzoon J. B. Hoffman,

Koek- en Banketbakker te Franeker. Later zijn daarvan nog twee

ex. vervaardigd, welke de Heer O. W. Roelofs te Amsterdam en Paulus

Everts Scheltema te Franeker hebben bezeten.

[24] Eisinga's eigene denkbeelden, over aan te brengen verbeteringen

in een lokaal drie maal zoo lang als breed, heeft Scheltema, 222

medegedeeld. In brieven aan zijne familie uit Gronau, van Jan. en

Maart 1790, heeft hij het plan medegedeeld van een op nieuw door hem

uitgevonden «uitmuntend schoon en nuttig Hemisphærium en Planetarium,

veel eenvoudiger, veel volmaakter en met de natuur meer overeenkomstig

dan het bestaande.»

Hij wilde dit plaatsen in een rond gebouw van 28 voet middellijn

of meer, met koepeldak, en de bol der zon in het midden daarvan

op een kolom, omgeven met een trap, waaronder zich het uurwerk zou

bevinden. De zich daar om heen bewegende planeten wenschte hij zóó

te plaatsen, dat, als hij op den bovensten trap stond en het oog

hield bij het bolletje der aarde, hij dan van daar den geheelen

sterrenhemel met zon, maan en planeten ieder op zijn tijd en plaats

kun zien op- en ondergaan, en door den meridiaan en verdere streken

van het kompas passeren. Het is dit plan, dat hij in 1790 aan Curatoren

heeft medegedeeld, echter zonder gevolg.

[25] Zie dat Verslag in de Kon. Courant, 1810, 144, 145; Jaarboeken

van Wetenschappen en Kunsten, II 187; Konst- en Letter-bode, 1810,

II 4 en 19; De Crane, Verzameling, 98.--In 1809 onderging Eisinga een

grievend verlies door het overlijden van zijn oudsten zoon Jelte,

die, door zijn vader gevormd, in lust en geschiktheid voor de Wis-

en Werktuigkunde aan dezen gelijk was.

[26] Daar hij als Wolkammer ijverig zijn beroep bleef waarnemen,

viel hem in 1820 de onderscheiding te beurt, dat de monsters saaijet,

door hem uit zijne fabriek op de tentoonstelling te Gent ingezonden,

met eene medaille van brons vereerd werden. Reeds toen was dit bedrijf

zeer in vertier gedaald.

[27] Zoodanig was de toedragt der zaak, gelijk ik mij levendig herinner

die vernomen te hebben uit den mond van den edelen Jhr. van Humalda, in

die gelukkige uren van de jaren 1828 tot 1834, toen hij mij wekelijks

een dag bij zich noodigde, en hij mij met vaderlijke goedheid in

altijd leerzame gesprekken onderhield over dichtkunst, geschiedenis

en andere wetenschappen, waarin hij een schat van kennis bezat. Uit

de voorstelling van den Hoogl. de Crane, Verz. 85, zou toch kunnen

afgeleid worden, alsof het denkbeeld der hulde van Jhr. van Humalda

was uitgegaan, terwijl het der Regering van Franeker toekomt. Genoemde

Jhr. te Leeuwarden den 12 Sept. 1754 geboren, was op Hobbema-state te

Dronryp opgevoed, en had daar te gelijk met Eisinga op de dorpsschool

onderwijs ontvangen.

[28] De edele spreker had hierbij vooral op het oog zijne pogingen, om

(toen A. G. Camper's overdrevene aanzoeken tot herstel van de Akademie

in 1815 mislukten) te Franeker een Rijks Athenæum te stichten, ten

einde niet alles te verliezen. Dat hij daartoe «geene moeite, geene

pogingen had onbeproefd gelaten,» daarvoor bedankte Camper hem openlijk

in zijne Redevoering bij de inwijding van het Athenæum, bl. 48.

[29] Ook de hoogbejaarde voortreffelijke Hoogleeraar de Crane deed dit,

zoo als ik dikwijls uit zijnen mond mogt vernemen, toen ik, na den

dood van Jhr. van Humalda (1834), in hem een dergelijken vaderlijken

vriend mogt vinden, bij wien ik vele dagen, vol van wetenschappelijk

genot, doorbragt. In zijne belangrijke Verzameling van Biographische

Bijdragen, 85, beeft hij dezen feestdag uitvoeriger beschreven. Zelden

zag men in iemand zoo veel humaniteit en geleerdheid vereenigd als

in dezen beminnelijken man. Ook dáárom verlangen wij zoo zeer naar

de Levensbeschrijving, welke zijn kleinzoon, de Heer Mr. A. Telting,

van hem zou geven.

[30] Niet lang na Eisinga's dood werd zijn kunststuk met veel lof

vermeld door Bowring in zijn Iets over de Friesche Letterkunde,

bl. 48, eerst geplaatst in de Foreign Review en door Mr. A. Telting

vertaald vóór zijne Brieven, in 1829 uitgegeven; alsmede door W. van

den Hull, Over de belangrijkheid eens zestigjarigen ouderdoms, in

1832, bl. 132. Ook in Collot d' Escury, Hollands Roem, VI 260 en in

het Aanhangsel op Nieuwenhuis Woordenboek, II 516, wordt hij naar

waarde vermeld.

[31] Als latere bijzonderheden, het Planetarium betreffende,

zouden hier nog melding verdienen, dat het in 1828 geheel nieuw is

opgeschilderd;--dat van den tweeden druk dezer Beschrijving in 1831

bij G. Ypma te Franeker eene Nieuwe Uitgave is verschenen, welke alleen

een anderen titel heeft;--dat in 1838 de toegang tot het raderwerk veel

verbeterd is, evenwel met opoffering van het kleine en karakteristieke

studeervertrekje van den maker;--dat Z. M. Willem II den 20 Julij 1841

het kunststuk andermaal heeft bezocht, toen met H. M. de Koningin en

Prinses Sophia, benevens aanzienlijk gevolg;--dat het gebouw in 1843

is overgenomen door den Gouverneur van Friesland met al het materieel

van het opgeheven Athenæum;--dat in 1848 door het wegnemen van den

schoorsteen het vertrek een ruimer aanzien en tevens grootere vensters

en glazen bekomen heeft, terwijl boven het raderwerk losse planken

gelegd zijn, om het te beter te kunnen naderen;--dat dit raderwerk

jaarlijks door Eisinga, den zoon, wordt uit elkander genomen, schoon

gemaakt en ineengezet, zonder ooit eenige noemenswaardige herstelling

te behoeven, en dat het Planetarium verder zijn geregelden loop

behoudt en bij voortduring door talrijke bezoekers beschouwd wordt.

[32] Namelijk, op het vervaardigen van tijdmeters of zee-horologiën,

om de lengte op zee te bepalen. Harrison heeft eene belooning van

tien duizend pond sterling, meer dan eene ton gouds uitmakende,

ontvangen. Zie de geschiedenis van deze merkwaardige uitvinding in de

Uitgelezene Filozofische Verhandelingen, deel III, bladz. 355-397. Die

geschiedenis wordt aldaar tot het jaar 1762 beschreven; het overige

vindt men in de Uitgezochte Verhandelingen, deel IX, bladz. 309-331,

en vooral bij Pezenas, Principes de la montre de M. Harrison,

p. 20. In dit werkje treft men de beschrijving en teekening van

Harrisons tijdmeter aan. De heer Mudge, van wien ik in de noot van §

52 gesproken heb, heeft ook onlangs eene belooning van vijfhonderd

pond sterling ontvangen, als eene aanmoediging, om zijne zee-horologiën

verder te volmaken. Zie Journal de Physique, t. XI, p. 537.

[33] Deze Ferguson is door vele werken en vernuftige uitvindingen zeer

beroemd geworden. Onder de laatstgemelde is ook een planetarium, van

hetwelk men eene plaat en beschrijving aantreft in het werk van den

uitvinder, dat ten titel voert: Astronomy explained upon sir Isaac

Newton's Principles etc., 4o. London 1757, § 434, 435, 436. Hoewel

de twee planetaria, aldaar door den heer Ferguson beschreven, zeer

vernuftig uitgedacht, en tot aanwijzing der bewegingen van de Aarde

en van de Maan wel geschikt zijn, zijn zij echter, als planetaria

beschouwd, veel minder volledig, dan dat van Wright (zie het derde

hoofdstuk van dit werkje, § 38). Ik oordeel het bijgevolg niet noodig,

breeder over die van Ferguson te handelen. Alleen zal ik aanmerken, dat

er op het planetarium van Ferguson, even als op dat van Eisinga, een

wijzer vlak over de Aarde is, die den schijnbaren weg en de plaats der

Zon aantoont. Ferguson heeft ook (§ 437), in navolging van Desaguliers,

een cometarium, of werktuig om den loop der kometen te verklaren,

geschreven. Wat hieromtrent door onzen landgenoot, den heer Struik,

gedaan is, vindt men uitvoerig behandeld in deszelfs Vervolg op de

beschrijving der Staartsterren, vijfde afdeel. bl. 113.

[34] Deze uitmuntende man, die derdehalve eeuw vóór de geboorte van

Christus leefde, heeft een werktuig vervaardigd, dat door Cicero (de

nat. Deorum, lib. II, cap. 35) eene sphæra genoemd wordt, waarop,

zoo als uit den zelfden schrijver (Tusc. Quaes., lib. I. c. 25)

en het bekende vers van Claudianus blijkt, de bewegingen van Zon,

Maan en van de vijf overige hoofddwaalsterren aangewezen werden. Meer

kan er van dit werktuig, omdat er geene beschrijving van tot ons is

gekomen, niet gezegd worden. Proclus, een Grieksch wiskundige van

de vijfde eeuw, telt onder de deelen der werktuigkunde de kunst, om

sphæra's, ter nabootsing der hemelsche omwentelingen, te maken, zoo

als, voegt hij er bij, Archimedes er eene gemaakt heeft. Comment. in

prim. lib. Euclides lib. I, cap. 13, in fine, p. 24, ed. lat. Baroccii.

[35] Posidonius, een tijdgenoot en vriend van Cicero, heeft,

volgens het verhaal des laatstgemelden, eene sphæra vervaardigd, wier

omwentelingen datgene, wat ieder dag en nacht omtrent de Zon, de Maan

en de vijf hoofddwaalsterren plaats heeft, aanwezen. De nat. Deorum,

lib. II, c. 35.

[36] Copernicus heeft in het jaar 1573 het overheerlijk astronomisch

uurwerk der domkerk te Straatsburg vervaardigd. Men vindt eene

afbeelding en zeer gebrekkige beschrijving van hetzelve, zoo als

ook van dat der stad Lyon, in de Reizen van Du Mont door Frankrijk,

Duitschland enz. bl. 30 en 45 der Nederduitsche vertaling.

[37] Rheita, een Hoogduitsch sterrekundige, heeft in het jaar 1645,

in zijn werk, getiteld: Oculus Enoch et Eliae, een werktuig beschreven,

waarin, door verscheidene wijzers, de bewegingen der Zon, Maan en vijf

hoofddwaalsterren aangewezen worden. Er is eene duidelijke beschrijving

en eene afbeelding van te vinden in de Technica Curiosa van Schottus,

het 6e boek, 10 hoofd. bl. 397.

[38] Zie eene korte beschrijving en nette teekening van dit

schoone stuk, te Parijs in het jaar 1680 vervaardigd, in de Machines

approuvées par l' Académie de Paris, tom. I, pag. 81. Horrebow heeft

eene naauwkeurige beschrijving en afbeelding, met bijvoegselen en

verbeteringen, gegeven van een dergelijk planetarium, door Roemer te

Koppenhagen vervaardigd, in zijne Basis Astronomia, cap. 15, tweede

druk, te vinden in zijne Opera Omnia, tom. 3, pag. 142 sqq.

[39] Deze uitmuntende Nederlander heeft in het jaar 1682 een

overheerlijk planetarium gemaakt, hetwelk door een uurwerk

bewogen wordt. Het schijnt gediend te hebben tot model aan dat van

Dr. Desaguliers, en aan vele andere, die men naderhand in Engeland

gemaakt heeft. Zie de beschrijving en teekening in Hugenii Opera

Posthuma, en in de Opera Reliqua.

[40] Het zoude overtollig zijn, die alle op te noemen. Men

vindt eene optelling der voornaamste planetaria bij Weidler,

Hist. Astron. cap. 15, § 163, 164. Zie ook bij denzelven, cap. 7, §

33. De heer B. Martin, een Engelschman, heeft in zijne Philosophia

Brittannica, 3 deel, bl. 165, noot 141, eene korte geschiedenis der

planetaria gegeven, doch alles, wat door Nederlanders of Franschen

op dit stuk gedaan is, geheel verzwegen.

[41] Eisinga heeft de goedheid gehad, mij deze verhandeling, over

de honderd bladzijden in folio beslaande, ter leen te geven. De heer

Du Vaucel, een Fransch sterrekundige, leerling van den vermaarden La

Lande, heeft alleen die zon-eklipsen, welke tot aan het jaar 1900 te

Parijs zigtbaar zullen zijn, berekend en afgeteekend. De akademie van

Parijs heeft deze verhandeling met zeer veel graagte ontvangen, en in

het vijfde deel der Mémoires présentés à l'Académie laten drukken. De

heer De Fouchy, secretaris dier akademie, merkte bij deze gelegenheid

te regt aan, dat dit werk van veel belang is, en dat men den heer

Du Vaucel, die de moeite en zorg, om het algemeen de vruchten van

dezen arbeid bij voorraad te doen genieten, op zich genomen heeft,

veel te danken heeft. Maar is deze lofspraak niet met even veel,

ja met meer regt op Eisinga toepasselijk, wegens het verschil van

de omstandigheden der beide personen, van hun beroep en van het

onderwijs, dat zij ontvangen hebben? Eisinga heeft deze verhandeling

in het achttiende jaar zijns ouderdoms opgesteld.

[42] Het was Eisinga nog den 16 Maart 1780 onbekend, dat er boeken,

zoo als de Connoissance des temps, in de wereld zijn. Ik had toen

gelegenheid, hem dit werk te toonen, ter oorzake, dat hij, met eenige

liefhebbers aan mijn huis zijnde, mij vroeg, of ook den 22 Maart eene

conjunctie van Jupiter en de Maan plaats zoude hebben, zoo als zijn

planetarium het scheen te zullen aantoonen. Mijn antwoord was, dat

ik het aanstonds in zijne tegenwoordigheid in het gemelde boek zoude

nazien, alwaar dit verschijnsel inderdaad op den 22, des morgens te

half zeven uur, aangeteekend staat.

[43] Het verschijnsel bestond enkel hierin, dat Jupiter, Mars, Venus,

Mercurius en de Maan zich toen alle in het hemelteeken de Ram bevonden.

[44] In het jaar 1778 gaf Eisinga eenige zeer naauwkeurige, en den

kooplieden en collecteurs zeer dienstige, lijsten in het licht, waarin

men de impositiën van allerhande waren en binnenlandsche middelen op

het naauwkeurigst berekend vindt. De schrijver had de liefhebberij,

de dagteekening door de standplaatsen der voornaamste planeten uit

te drukken, zoo als dezelve, zeide hij, door mijn thans onder handen

zijnde half gemaakt beweeglijk planetarium aangetoond worden. Dit boek,

waarvan ik nooit iets gehoord had, dan in de laatstleden maand Maart,

viel denkelijk alleen in handen dergenen, voor wie het geschikt was, en

het planetarium bleef onbekend. Hij werkte in stilte, en voltooide zijn

kunststuk allengskens, zonder eenige vreemde hulp. Zijne verrigtingen

waren mij bijna geheel onbekend, totdat ik in Februarij laatstleden

gelegenheid kreeg, om dezelve te zien. Het werktuig zoude denkelijk

al voorlang voltooid geweest zijn, ware niet de uitvinder door

vele tusschenkomende omstandigheden merkelijk verhinderd geworden:

in 1776 door zijne aanstelling tot voorstander der stads armen,

wegens het kollekteren der bekkengelden; in het einde van 1776 door

zijne aanstelling tot burger-vaandrig dezer stad; in Januarij 1777

door die tot mederaad in de Vroedschap; vervolgens tot collecteur

van den brandewijn en de havenspeciën, en eindelijk, in Mei 1778,

door die tot armvoogd dezer stad: alle welke omstandigheden de

snipperuren vrij wat verminderden, voornamelijk de laatstgemelde,

welke bediening, in de jaarlijksche tweemaandsche administratie,

bijna een ledig mensch vereischt.

[45] Deze vader, Jelte Eisinga, wolkammer te Dronrijp, ook

een liefhebber der schoone kunsten, heeft den tijd, dien de

bezigheden der wolkammerij hem overlaten, besteed tot het maken

van eene draaibank, op welke de noodige schijven, somtijds van 28

duim middellijn, tot dit kunststuk behoorende, als ook de assen,

van negen tot elf voet lengte, voor de rondsels enz. gedraaid zijn,

en ook schroeven, ovalen en slingerwerk gedraaid kunnen worden. Ook

maakte hij een fraai clavecimbaal staartstuk, en is thans (1780)

bezig met het voltooijen van een kabinetorgel. In vroeger jaren had

deze man reeds een tweemast galjootscheepje, van negen voeten lang,

met al zijn toebehooren gemaakt. Zijne liefhebberij valt ook op het

vervaardigen van Zonnewijzers, in welke kunst ook zijn zoon door en

door ervaren is. Getuige hiervan een geschrift in folio, door hem

opgesteld, waarin de zonnewijzers, voor alle mogelijke gelegenheden

berekend en afgeteekend, te vinden zijn.

[46] Zie La Lande, Abrégé d'Astronomie, § 450, 505. Wie eenigzins

in de wiskunde ervaren is, weet, dat de cijfers achter het stipje

(.) tiendeelige breuken aanduiden. Voor anderen zij het genoeg aan te

merken, dat ééne letter achter het stipje tiende, twee honderdste,

drie duizendste gedeelten te kennen geven: dus is 2111.741, 2111 en

741 duizendste gedeelten.

[47] Het jaar wordt hier op 365 dagen gesteld, aldaar, bl. 503.

[48] De twaalf teekens zijn:

1. Aries, de Ram.

2. Taurus, de Stier.

3. Gemini, de Tweelingen.

4. Cancer, de Kreeft

5. Leo, de Leeuw.

6. Virgo, de Maagd.

7. Libra, de Weegschaal.

8. Scorpius, de Schorpioen.

9. Sagittarius, de Schutter.

10. Capricornus, de Steenbok.

11. Aquarius, de Waterman.

12. Pisces, de Visschen.

[49] Indien men de ligchamelijkheden begeert te kennen, zijn deze

als de teerlingen der middellijnen: dat is, de Zon is een millioen

vierhonderd vijf-en-dertig duizend malen dikker dan de Aarde. De

Maan is het negen en veertigste gedeelte van de Aarde. Mercurius is

zeven honderdste gedeelten van de Aarde. Venus elf twaalfde, en Mars

drie tiende gedeelten van de Aarde. Jupiter is 1479, en Saturnus 1030

malen dikker dan de Aarde. Zie La Lande, laatste bladzijde.

[50] Dus waren zij in 1750, zie La Lande, § 514. Eisinga heeft

de tafels van La Hire gevolgd, doch ieder punt zoo veel naar voren

geschoven, als het voor den sedert het jaar 1700 verloopen tijd noodig

was. In het schilderen zullen die letters overeenkomstig met het jaar

1800 geplaatst worden.

[51] La Lande, § 518.

[52] De Zon, namelijk, in 25 d. 14 u. 8 m. De Aarde in 24 u. Jupiter in

9 u. 56 m. Mars in 24 u. 40 m. Venus in 23 u. 20 m. volgens Cassini,

en in 24 d. 8 u. volgens Blanchini; doch de eerstgemelde bepaling is

de waarschijnlijkste. Zie La Lande, § 959 en 970.

[53] Om de schets, welke ik van de hemelsche ligchamen gegeven heb,

te voltooijen, zal ik er hier de omloopstijden en afstanden der

satelliten bijvoegen.

Beschrijving van het Rijks-Planetarium te Franeker Van 1772 tot 1780 uitgedacht en vervaardigd door Eise Eisinga · 第 59 / 61 题